Een onmisbaar verhaal
Bij Lucas 19,28-40
Het verhaal van de intocht is een van de weinige die in alle evangeliën voorkomen. We zouden ons ook kunnen voorstellen dat één of twee evangelisten de scène hadden weggelaten, zoals bijvoorbeeld de geboorte. Maar nee, net zomin als Jezus’ bediening kan worden beschreven zonder Johannes de Doper, kunnen de gebeurtenissen te Jeruzalem beschreven worden zonder melding te maken van de zogeheten intocht.
Het verhaal staat op een scheidslijn in het evangelie. De reis naar Jeruzalem, die al in Lucas 9,51 begon, is ten einde. De wonderen van Jezus zijn dat eveneens. Na de intocht onderwijst Jezus alleen nog in de tempel (19,47; 21,37). Er vinden twistgesprekken plaats. De grimmigheid neemt dagelijks toe. In Lucas 22-23 lezen we over de uitbarsting.
Het verhaal van de intocht markeert de voltooiing van Jezus’ Epifanie, zou je kunnen zeggen. Voor het laatst verschijnt Hij hier in zijn koninklijke gestalte. Daarna heeft Hij ‘gedaante noch heerlijkheid meer’ (Jes. 53). Maar laten we in de lijdenstijd van Jezus geen arme drommel maken. Hij is de Heer der heerlijkheid (1 Kor. 2,8) en om ervoor te zorgen dat we dit niet vergeten, staat voor elk lijdensverhaal zijn koninklijke intocht beschreven.
Enkelvoud
Terwijl andere evangelisten vertellen dat ‘ze’ Jeruzalem naderden, staat bij Lucas alles in het enkelvoud (vs. 28, 29, 36, 37, 41, 45). ‘En dit gezegd hebbende, reisde Hij voor [hen] heen, en ging op naar Jeruzalem’ (28; Statenvertaling). Het is alsof Jezus alleen vooruit reist. Uit het feit dat Hij vervolgens twee leerlingen uitzendt, maken we op dat Hij strikt genomen niet alleen reist. Maar het is zijn reis, zijn nadering, zijn komst in de tempel.
Het veulen
Lucas laat de verwijzing naar Zacharia 9,9 impliciet, maar bezuinigt niet op het gebeuren met het veulen. Het dialoogje met de ‘heren’ van het dier, die het moeten afstaan aan dé Heer, is zelfs nog levendiger dan bij Marcus. Het dier is gebonden, net als het veulen van Juda (Gen. 49,11) en als het ram dat op Abraham en Isaak wachtte in het struikgewas (Gen. 22,13). En net zomin als ooit iemand in Jezus’ graf gelegen had (23,53), had er iemand op dit dier gezeten. Hoe geïmproviseerd het hele gebeuren ook lijkt, het is van Godswege aangekondigd en voorbereid. Een van eeuwigheid gepredestineerd veulen staat klaar, nu de Schriften vervuld worden. Het dier wordt losgemaakt, bevrijd (als in 13,15-16) om de Heer te dragen. Het losmaken van het ezelsveulen is een apostolische missie: in vers 29 en 32 klinkt het woord apostelloo.
De Schriften
Marcus en Lucas houden de verwijzing naar Zacharia 9,9 impliciet. Expliciet citeren alle evangelisten Psalm 118,26a: ‘Gezegend de Komende in de Naam des Heren!’ Lucas breidt uit: ‘Gezegend de Komende, de Koning in de Naam des Heren!’ De koningspsalmen gaan meeklinken: Psalm 24, 47, 96-99 etc. Over koningen gesproken, lees ook 1 Koningen 1, waar Salomo koning wordt. David zegt: ‘[Z]et mijn zoon Salomo op mijn eigen muildier en leid hem naar de Gichon’ (1 Kon. 1,33; Willibrord 1995). In Lucas 19,35 wordt Jezus op het ezelsveulen gezet. Lucas is de enige die Jezus hier als passief beschrijft en daarbij het zeldzame woord epi-bibazoo gebruikt, dat ook in 1 Koningen 1,33 (Septuagint) staat.
Menigte van leerlingen
Jezus die enthousiast wordt binnengehaald en een paar dagen later wordt gekruisigd: we kennen het verhaal ál te goed. Maar Lucas vertelt het anders. Niet de wisselvallige schare juicht, maar de ‘menigte der discipelen’ (37). Wat hier gebeurt, is iets anders dan een illustratie van het ‘sic transit gloria mundi’ waar de politiek elke maand voorbeelden van te zien geeft. Wij lezers horen niet wantrouwig langs de weg te staan, maar mee te juichen voor de koning van de Joden, daarbij denkend aan heel Jezus’ bediening, samengevat in het woord ‘krachten’. Dit is de voltooiing van Jezus’ Epifanie!
De palmtakken waaraan deze zondag zijn naam ontleent, komen bij Johannes vandaan. Matteüs en Marcus bezigen andere woorden. Bij Lucas ontbreken de takken. De stoffering bestaat bij hem alleen uit klederen. Tegenover deze soberheid staat het uitbundige vers 37: ‘Terwijl Hij reeds naderde tot de neerhelling van de berg der olijven, begon geheel de menigte der leerlingen, zich verheugende, God te loven met grote stem, vanwege alle krachten die zij gezien hadden’ (letterlijke vertaling). ‘Gezegend de Komende, de Koning in de Naam des Heren! In de hemel vrede en glorie in de hoogten!’ Vergelijk dat met 2,14, de engelenzang. Vrede op aarde wordt: vrede in de hemel. Beter dan andersom, moet je maar denken! Gelijk in den hemel, alzo uiteindelijk ook op de aarde. Laten we dus op Palmzondag blij zijn met onze Messias, die zó heerlijk is, dat Hij zijn heerlijkheid kon loslaten. Via de door Hem gebaande weg wilde God vele kinderen de heerlijkheid binnenleiden (Hebr. 2,10). Ook in de lijdenstijd schemert deze heerlijkheid door. Er hoeft maar iets te gebeuren, of de hallelujastemming breekt door.
Intocht?
Nog iets over de naam van deze perikoop. We zijn gewend te spreken over ‘de intocht te Jeruzalem’. Deze benaming heeft iets verkeerds, omdat het veeleer gaat over de nadering van Jezus dan over zijn intocht (vs. 29, 37 en 41: engizoo). Als het woord ‘binnengaan’ (eiserchomai) dan eindelijk valt, is het terloops (45). De evangelisten houden opeens in. Waar we een climax zouden verwachten, gaan zij zakelijk verder. De koning gaat als leraar verder (47) en als gekruisigde. Zo volbrengt Hij zijn uittocht (9,31: exodos), zo volbrengt Hij zijn intocht. ‘Moest de Christus niet deze dingen ondergaan en in zijn heerlijkheid ingaan?’ (24,26)
Schreeuwende stenen
Wat in vers 39-40 verteld wordt, komt alleen bij Lucas voor. Zie hiervoor de oordeelsprofetie van Habakuk 2,11 en die van Jezus, vers 42-44.