Een openbaar geheim – of een geheime openbaring?
Bij 2 Koningen 5,1-3(4-8)9-15b en Marcus 1,40-45
Het is een bekende visie op het evangelie van Marcus, de oudste evangelist: zijn tekst bevat een geheim. De manier waarop hij spreekt over Jezus kan goed begrepen worden als een theologisch mysterie. Geen historie, maar dogmatiek.[1]De lezer, vanouds hoorder, raakt aan een geheim. Hij wordt betrokken in een zaak die hem voor een keuze plaatst. Wie is Diegene van wie ik hoor? Waar laat ik me mee in wanneer ik me door Hem laat gezeggen? In verband met de Marcustekst van vandaag kan de vraag interessant zijn: is de melaatse de oorzaak van het Messiasgeheim?
Hoe meer je iemand iets verbiedt, des te meer zoekt die een uitweg om het toch te doen. Dit geldt vooral in de pedagogische relatie met kinderen of jongeren. Wat verboden is, trekt aan, wekt nieuwsgierigheid. Hoe kan dan een op wonderbaarlijke wijze genezen zieke door een woord van een ander daarover zwijgen? Dan was paus Johannes Paulus II nooit zalig verklaard. Kan iemand zijn mond houden, wanneer zijn leven in een totaal nieuw licht komt te staan? Nee, dat kan niet. Ja, maar, als Jezus het je vraagt? Nee, dan nog niet. En het moet ook niet. Tenzij je het werk van Jezus daarmee onmogelijk maakt. Maar is dat het geval? Stopt Jezus met genezen, nu de genezen melaatse zijn mond voorbijpraat?
Had Jezus er nu al genoeg van?
Waar het in de erop volgende perikoop (Mar. 2,1-12) gaat om de vraag of geloven in Jezus en daarmee samenhangend de ‘macht’ van de vergeving der zonden nu van boven komt of van beneden, kan onze perikoop (1,40-45) worden samengevat rond de vraag: Had Jezus nu al genoeg van wat Hij deed, van de bekendheid die Hij intussen al had verworven? Ontvlucht Jezus de publiciteit avant la lettre? Het lukt Hem blijkbaar niet, ze blijven maar komen. Dan staat er opeens weer een melaatse voor Hem, die smekend uitroept: ‘U kunt het, als U wilt, mij ook!’ De ontferming waarmee Jezus zich ontfermt – Hij kan het niet laten – staat in flagrante tegenspraak met het harde zwijggebod dat erop volgt. Waarom gaat Hij zo hard tekeer en jaagt Hij hem weg (1,43) – van hetzelfde Griekse werkwoord (ekballein= wegzenden, uitwerpen) als in 11,15, waar Hij de wisselaars uit de tempel uitwerpt? Wat is er met Hem aan de hand? Of is het opzet? Hoe meer verbieden, hoe meer de kans dat nog veel meer anderen het te weten komen? Wil Jezus doorpakken? Een vliegende start, een revolutionaire spanning oproepen rond de komst van het Koninkrijk. De tijd is toch vervuld?! (1,15).
Verwarring
Het evangelie van Marcus begint chaotisch, evenals de rest trouwens: verwarrend, je wordt steeds op het verkeerde been gezet. Het is het ‘evangelie van de vragen’. Aan een gelijkmatige, rustige opbouw van zijn getuigenis heeft Marcus blijkbaar geen behoefte. Hij betrekt zijn hoorder/lezer direct bij een merkwaardige, misschien mystieke, minstens mysterieuze ‘geschiedenis’. De lezer/hoorder raakt ervan in de war. En dat is waarschijnlijk ook de bedoeling. Wat een ellende, wat een opeenstapeling van zieken, van allerlei soort. Er is sprake van een mens met een onreine geest, die luid tot Jezus schreeuwt in de synagoge van Kafarnaüm (1,23). Jezus bestraft de onreine geest. Vervolgens brengt men Hem op de hoogte van het feit dat de schoonmoeder van Simon ‘bezocht werd door de koorts’ (zoals M. van der Zeyde vertaalt). Hij vat haar bij de hand en richt haar op, ‘deed haar opstaan’. Daarop, bij het ondergaan der zon van diezelfde dag, genas Hij de velen die ze tot Hem brachten, ernstig ongestelden door allerlei ziekten, bezetenen en ‘vele boze geesten dreef Hij uit, die Hij niet toeliet te spreken, omdat zij Hem kenden’ (1,34). Wie kent wie? Kennen zij Hem nu ook al? Wat voor een boosheid ligt er op de loer, stemmen die spreken, die inzicht hebben in de aard van Jezus’ werk? En toch heeft Hij blijkbaar de ‘macht’ om hun het spreken te beletten, Hij liet het niet toe.
De volgende verzen (1,35-39) kun je goed als een pendant van het opstandingsverhaal (16,1-8) lezen. Hij stond op. En ging naar buiten. Uit dit graf. Simon ging Hem zoeken, stoorde Hem, nog diep in de nacht, met de mededeling ‘allen zoeken U’, wat we misschien niet al te vroom moeten opvatten, maar meer in de zin van: ze willen wat van U, ze willen U allemaal hebben. Maar Hij is hun al voorgegaan naar Galilea, weer bezig met het uitdrijven van boze geesten.
Volgens de regels
Wanneer Jezus de genezen – of beter: ‘gereinigde’ – melaatse, verjaagt, want dat doet Hij, dan draagt Hij hem op zich te tonen aan de priester. ‘Offer voor uw reiniging hetgeen Mozes heeft voorgeschreven, hun tot een getuigenis’ (1,44). Het doet denken aan de Bergrede van Matteüs: Jezus is niet gekomen om de wet terzijde te stellen. Volg uw religieuze plichten, laat zien dat ze werken! Maar ook dat er meer ‘machten en krachten’ in het spel zijn, dan die door de priesters kunnen worden bemiddeld. Zij ook, zeker. Orde moet er zijn. Maar een genezing is de beste orde. Daarvoor zijn de religieuze regels, ook de Tora, bedoeld. En ook voor iedereen. Want ook ‘Naäman, nu niet meer onrein, mag onder uw beminden zijn’ (zie eerste lezing en het dooppaaslied 337).
Het evangelie van Marcus stelt ons voor vele vragen. Hij brengt ons uit ons evenwicht. De kracht van zijn tekst, de persoon waarvan hij getuigt, ze dagen ons uit onze plaats in het Koninkrijk in te nemen. Onze perikoop eindigt met de opmerking: ‘En zij kwamen tot Hem van alle kanten’ (1,45). Er is geen houden meer aan, aan dat geheimhouden. De vraag is niet zozeer: Wat willen ze van Hem? Maar: Willen ze wel datgene wat Hij van hen wil? Die vraag slaat op onszelf terug, uiteraard.
Bij 2 Koningen 5:1-3(4-8)9-15b en Marcus 1:40-45