Een rest als troost
Bij Ezechiël 14,12-23
Profeten zijn geen toekomstvoorspellers, maar profeten leggen de Tora op de werkelijkheid en roepen dan: ‘Zie je niet dat het niet klopt, dat het de verkeerde kant opgaat?!’ Zo leg ik op de cursus Theologische Vorming Gemeenteleden en in de catechese altijd uit wat profeten zijn. Hier bij Ezechiël zie je het wel heel erg duidelijk. Van de profetie is niets te begrijpen als je niet luistert met oren die de hele Schrift kennen.
Het decor van deze profetie is het eerste deel van dit hoofdstuk (Ez. 14,1-11), waarin het gaat om de afgodendienst waarmee Huize Israël zich van JHWH heeft afgewend. ‘Gij zult u geen gesneden beeld maken … en u daarvoor neerbuigen’ (Ex. 20,4-5). De oudsten komen bij Ezechiël en hij weet dat ze om Gods woord komen vragen, terwijl ze ook de afgoden – ‘keutelgoden’ vertaalt Pieter Oussoren (NB) – aanbidden. Ezechiël wil eigenlijk niet Gods woord spreken, maar de Eeuwige wil dat de profeet het Godswoord laat klinken. Het gedeelte eindigt met de belofte in vers 11: ‘Dan zullen ze Mij tot een volk zijn en Ik zal hun tot een God zijn, spreuk van de Eeuwige.’ Eigenlijk zou het vooraf aan de lezing gelezen moeten worden, want het is de context waarin het geheel van de lezing gehoord moet worden. Dan wordt duidelijk wat in vers 13 bedoeld wordt met: ‘wanneer een land tegen Mij zondigt, trouweloos ontrouw’ (NB). Dat is immers de afgodendienst waarmee het zich afwendt van JHWH.
Vier gerichten
Het woord van JHWH moet gehoord worden. Daarom geschiedt het woord aan de profeet, hij kan er niet onderuit. De harde woorden moeten klinken, Ezechiëls naam betekent immers: ‘God maakt hard’. Vijfmaal komt het neoem adonai (spreuk van de Eeuwige) voor in dit Schriftgedeelte (Ez. 14,12.16.18.20.23) en drie keer wordt het voorafgegaan door ‘zowaar Ik leef’ (16.18.20). De levende God spreekt de woorden van leven en dood. Het komt in de vertaling van de Naardense Bijbel duidelijker naar voren dan in de Nieuwe Bijbelvertaling (2004).
Vier rampen worden er genoemd: honger, kwaadaardige wilde dieren, het zwaard en de pest. Ezechiël gebruikt ze niet voor het eerst. Ze zijn er om mens en dier uit te roeien. God strekt zijn hand uit tegen deze ‘trouweloze ontrouw’. Weer moet Ezechiël uitleggen dat je de Eeuwige niet voor je karretje kunt spannen en dat het volk niet voor niets in ballingschap zit.
Drie rechtvaardigen
Als je het verhaal van Abraham en de drie mannen niet kent en geen weet hebt van Abrahams pleidooi voor het behoud van Sodom en Gomorra (Gen. 18), dan zijn de drie rechtvaardige mannen die bij elke ramp terugkomen een groot raadsel. Twee zaken moeten dus in de prediking uitgelegd worden, allereerst wat rechtvaardig is. Gelukkig heeft Karel Deurloo dat al eens voor ons gedaan: ‘Je bent een “rechtvaardige”’ (je beantwoordt aan je doel) ‘en dan doe je ’t, goed en degelijk, of je bent een “goddeloze” en dan doe je iets onmogelijks, iets absurds, je maakt brokken. Je werk houdt geen stand.’[1] En aan het eind van het hoofdstuk over gerechtigheid en recht: ‘Als God zijn gerechtigheid openbaart, zijn “justitie” aan het werk is, dan gaan we niet met z’n allen naar de verdoemenis, maar beleven we de bevrijding.’
Er zijn allerlei theorieën over deze drie rechtvaardigen: Noach, Daniël en Job, met verwijzingen naar Phoenicische legenden, enzovoort. Maar als je de Schrift met de Schrift uitlegt, dan is het eenvoudig: Noach staat voor de aartsvaders, Daniël voor de profeten en Job voor de andere geschriften. Alledrie leefden buiten Israël, al komen ze wel in de Schrift voor. Ezechiël noemt steeds de rechtvaardige mannen ‘in uw midden’ (NB). Ook Israël is immers buiten het land, in de ballingschap, al is Jeruzalem nog niet gevallen. Met kwade daden berokken je het hele volk schade, maar met goede kun je alleen jezelf redden, lijkt de profeet te zeggen. Hij loopt daarmee vooruit op hoofdstuk 18, waar de verantwoordelijkheid voor de eigen daden nog explicieter naar voren komt. En wie moeten er gered worden? Tot vier keer worden ‘zonen en dochters’ genoemd, opvallend inclusief: ook dochters horen bij de toekomst. Het gaat om de toekomst: is die er nog voor onze kinderen, als wij er zo’n rommeltje van hebben gemaakt? Het is spannend, hoe de profeet het opbouwt: de vier rampen treffen ‘een land’ (14,13), ‘het land’ (14,16), ‘dat land’ (14,19) en tot slot ‘Jeruzalem’ (14,21).
Een rest zal ontkomen
Maar er zullen er overblijven die ontkomen en die zullen naar de ballingen komen en door hun doen en laten zullen deze getroost worden. Dat kan niet anders zijn dan omdat zij die ontkomen zijn, Tora doen. Omdat hun werken recht zijn en ze gerechtigheid doen. Tot twee keer toe worden ‘weg’ en ‘werken’ (14,22.23, NB) genoemd en als de ballingen die zien, zullen ze weten dat God gerechtigheid openbaart. Het volk zal weer één worden. Jakob zal zich laten troosten door het overblijfsel van Juda.
Troost geeft het als er mensen zijn die de weg gaan. Als er mensen zijn die in beweging komen. De eerste christenen werden ‘mensen van de weg’ genoemd. Troost geeft het als mensen goede daden doen, als mensen Gods woord doen. Ook al komen ze uit de puinhopen. De rest die overblijft is niet Jeruzalem, maar die daarin wonen. Daar wil God weer zijn volk van maken. En dat moet opnieuw beginnen. JHWH is de God van de gerechtigheid. Het gaat niet om het behoud van Jeruzalem, maar om het behoud van kinderen Israëls, dochters en zonen. Niet de plaats, maar het volk zal overnieuw kunnen beginnen. Misschien ook nog wel in een nieuw Jeruzalem.