Menu

Premium

Een stem die een mensenkind op zijn voeten zet

Bij Ezechiël 1,15-2,2

Intrigerende, vurige wezens, die onze fantasie prikkelen en onze greep op de werkelijkheid betwisten. Zo heb ik de eerste helft van Ezechiël samengevat. En met die wezens gaat Ezechiël nog even verder.

Op dezelfde plaats in de Talmud waar de rabbijnen waarschuwen tegen het bestuderen van deze tekst, vragen ze zich ook af waarom Ezechiël zo uitvoerig is over wat Jesaja heus ook heeft gezien, maar in maar één vers beschrijft (Jes. 6,2). Ach, is het antwoord (bChagiga 13b): Ezechiël is een dorpsbewoner die de koning heeft gezien, Jesaja een stadsbewoner die de koning heeft gezien. Volgens de middeleeuwse commentator Rashi is de bedoeling: de dorpsbewoner is meer onder de indruk. Maar zijn opvolgers zeggen: de dorpsbewoner heeft meer bewijs nodig om zijn dorpsgenoten ervan te overtuigen dat hij echt de koning heeft gezien. In ieder geval maakt de uitvoerige omschrijving eens temeer duidelijk, hoe groot de afstand is tussen onze begrippen en wat Ezechiël ons hier wil zeggen.

Per zwenkwiel omhoog

Grootste verschil met de eerste veertien verzen is, dat de wezens nu in beweging komen. Zoals de vleugels al deden vermoeden, gaan ze omhoog. Maar voor het zover is, moet er nog één belangrijk detail worden belicht: de wielen. Daarmee raken ze de aarde – in hoger sferen zijn we nog niet. En die wielen zijn indrukwekkend, imponerend. In Tenach zijn ze ook relatief zeldzaam. Naast de wielen van de strijdwagens van de Egyptenaren die slippen in de zeebodem (Ex. 14,25 – in Nah. 3,2 rijden ze helaas wel door) en een dorswiel in Jesaja 28,27 en Spreuken 20,26 (alhoewel dat ook weer zo’n strijdwagen kan zijn) komen ze vooral voor in 1 Koningen 7, waar ze de onderstellen van de wasbekkens in de tempel verrijdbaar maken. En in Ezechiël dus, hier en in hoofdstuk 10 en 11, waar de cherubs in de tempel net zulke wielen hebben als de wezens in hoofdstuk 1. Snelheid en gevaar lijken mij de associatie, en hier is bovendien hun grootste gebrek – dat ze niet wendbaar zijn – opgeheven door zo’n zwenkwiel avant la lettre – over jongensdromen gesproken. Bovendien zitten ze vol met ogen. Of dat is om je ontwijken of je te treffen – zie maar.

Horen brengt ons verder dan zien

Vanaf vers 19 gaat het dan naar waar die wezens al die tijd al op leken te wijzen: omhoog. De geest, die bepaalt waarheen ze gaan, komt weer langs. Dat weer opnemen van passages uit vorige verzen wordt gaandeweg een stijlfiguur, die enerzijds ervoor zorgt dat alles en iedereen meekomt, ook de lezer, en anderzijds de spanning opvoert – heel gemakkelijk gaat het niet. Maar we komen verder, met de wezens, en dan direct ook boven hen uit. Daar is het gewelf dat we kennen uit Genesis 1. Het komt verder behalve op de parallelle plaats Ezechiël 10,1 alleen nog voor in Psalm 19,2 en 150,1 en in Daniël 12,3. Dat het hier wel van ijs lijkt, vergroot de ontoegankelijkheid. Dus houdt het verhaal de pas weer in, laat het oog nog even rusten op wat onder het gewelf is, de wezens, met hun vleugels, nu niet langer om te vliegen maar om te bedekken.

Maar dan gaat het verder, met die vleugels allereerst. Want die brengen ons van zien naar horen. En dat horen brengt ons verder dan dat zien – niet zo’n wonder, als je bedenkt dat het vanaf het begin bij heel dit visioen ging om het woord van JHWH (Ez. 1,3), maar voor onze door beeld bepaalde cultuur wel het noteren waard. Via het geluid (letterlijk: de stem) van de vleugels komen we in de buurt van de stem van Sjaddai: de ‘almachtige’, ‘die doet wat Hij zegt’. Verder reiken de wezens met hun vleugels dan ook niet. Als die stem wordt gehoord, gaan hun vleugels ervan hangen (1,24.25). Maar de stem gaat wel verder, het verhaal ook, nu zelfs boven het gewelf. Daar vermoedt de ziener iets als saffier – zien doet hij het niet, dit is alles uit het gehoor. In Exodus 24,10 is saffier inderdaad de kleur van Gods voetenbank, dus vermoedt hij daarbovenop de gelijkenis van een zetel – hier wordt geregeerd. En dan, daarop, de gelijkenis van wat eruitziet als een mens (1,26). Niet de gelijkenis van een mens uit vers 5, waarin je misschien een tegenstelling met de gelijkenis van God uit Genesis 1 kunt horen, maar met nog een stap ertussen. Alsof de ziener vermoedt dat ‘geschapen naar Gods beeld en gelijkenis’ niet alleen iets over de mensen zegt, maar, wie weet, toch ook over deze God.

Het vuur verhuld door haar huis

Maar wat hij ziet is opnieuw dat onbekende chasjmal, waarvan je nooit weet of het je nu voorlicht of verblindt, wijzer maakt of iets wijsmaakt (zie vorige week bij Ez. 1,4). En hoe hoger je komt, hoe meer het vuur is verhuld, ‘door haar huis’, staat er letterlijk (1,27). In de vertalingen is dat verdwenen. Maar in Ezechiël lijkt het me geen woord om over te slaan, gezien de lading van ‘het huis’ in hoofdstuk 8-11, waar Gods heerlijkheid de tempel verlaat, en in hoofdstuk 40 en volgende, waar het het centrum van het nieuwe begin wordt. Of dat huis dat het vuur aan het oog onttrekt, dan een verwijzing is naar de tempel, of nu juist de onhoudbaarheid daarvan beduidt, blijft de vraag. In ieder geval gaat dat huis de glans te boven, die de onderkant van deze verschijning is en wordt vergeleken met de verbondsboog uit Genesis 9.

Met die verbinding van Godswege komt het visioen tot zijn climax. Die stem die boven alles uitgaat, die blijkt verstaanbaar. En die zet dit mensenkind op zijn voeten, door de geest. Dat is dus de richting waarin de geest die wezens heeft laten gaan. Daarmee is de gangbare route van de religie – wij op weg naar boven, ons steeds kleiner wetend tegenover de onmetelijke God – omgekeerd: deze God daalt naar ons af en spreekt ons aan, roept ons in het leven.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken