Menu

Premium

Een vernieuwd volk

Alternatief bij 5e zondag van de Veertigdagentijd (Jeremia 32,1-15.26-29.36-44)

Op zondag Judica biedt de tekst van het alternatieve spoor uit Jeremia op een bijzondere wijze verdieping onderweg naar Pasen. In het licht van deze tekst is het bij wijze van spreken niet alleen ‘gejeremieer’ dat deze zondag de toon aangeeft. Er is niet alleen sprake van kommer en kwel. Naast het oordeel dat onontkoombaar voltrokken wordt aan het volk, is er ook de belofte van een vernieuwd volk.

Juda bevindt zich in de zesde eeuw voor Christus in een tijd van schuivende verhoudingen tussen de grootmachten Egypte en Babylon. Te midden van actuele ontwikkelingen in onze wereldtijd kan dit herkenning oproepen: ‘er is niets nieuws onder de zon’. Net als onze politieke leidslieden vertrouwen de leidslieden van Juda op diplomatieke en militair-strategische manoeuvres om te overleven te midden van de grootmachten. De kern van de oordeelsprofetie van Jeremia over Juda en zijn leidslieden is nu, dat dit vertrouwen alleen maar bewijst dat de leidslieden en het volk de weg kwijt zijn. Juda is tot in zijn fundamenten bedorven en zal ten onder moeten gaan.

Het kan verwarring en verontwaardiging oproepen als we dit verhaal leggen naast onze ervaringen anno 2024. Alsof we willen uitroepen: ‘Maar wat moeten we dan anders?’ Toch, juist die vraag mag in de tijd vóór Pasen voluit klinken. Het is immers een vraag van inkeer die hoort bij de Veertigdagentijd. Zo zijn kerken plaatsen waar de bereidheid gekoesterd wordt tot een niets en niemand ontziende introspectie. Wellicht om op die wijze ruimte en stilte te creëren voor het klinken van ‘woorden van de HEER’.

Klein Troostboek

Hoofdstuk 32 vormt tussen de hoofdstukken 31 en 33 precies het midden van wat het Klein Troostboek wordt genoemd. De situatie is in dit hoofdstuk uitzichtloos. De troepen van Nebukadnessar hebben Jeruzalem belegerd. Jeremia is vanwege zijn niet-loyale houding gevangen gezet. In de ruimte en de stilte die zijn gevangenschap voor hem creëert, komen er wonderlijke ‘woorden van de HEER’ tot Jeremia. Op grond van deze woorden zal de profeet, op het moment dat iedere toekomst afwezig lijkt, iets heel toekomstgerichts gaan doen. Iets dat bovendien zo onlogisch is, dat zijn tijdgenoten het wellicht gekwalificeerd hebben als waanzinnig.

Jeremia verneemt woorden van de HEER die hem melden dat zijn neef Chanamel naar hem onderweg is met de vraag om zijn akker in Anatot in een lossingsprocedure van hem te kopen. De neef komt inderdaad met zijn vraag, zoals de woorden van de HEER hem gemeld hebben; en Jeremia begrijpt uit deze gang van zaken dat het om een opdracht van de HEER gaat. Er is iets vreemds met de lossing zoals Chanamel die voorstelt.

De procedure, beschreven in Leviticus 25,23-28, werkte als volgt. Wanneer iemand door geldgebrek zijn land had moeten verkopen, mocht hij zijn losser, een nabij familielid, verzoeken om zijn bezit van de vreemde koper terug te kopen. In de praktijk was het mogelijk om een eventueel vreemde koper buiten de zaak te laten en rechtstreeks te lossen door het land meteen van het arme familielid te kopen. Dat laatste vraagt Chanamel hier van Jeremia.

Onder de omstandigheden is het verzoek van Chanamel nogal bizar. Buiten de muren van Jeruzalem bevinden zich de plunderende legers van Babel. Het land dat gelost moet worden is onbereikbaar en onbruikbaar. Wat maakt het uit wie het bezit? Wil Chanamel misbruik maken van de waanzin van zijn oom? Is hij uit op geld, in de wetenschap dat zijn grond straks in bezet gebied niets meer waard zal zijn? Jeremia ziet de koop vooral als een opdracht van de HEER.

Op een weegschaal wordt de juiste hoeveelheid zilver afgewogen en onder toezicht van getuigen wordt de overeenkomst contractueel vastgelegd en ondertekend. Zo wordt de hele zaak met opmerkelijke nauwkeurigheid besloten. Dan klinkt tot slot een tweede opdracht van de HEER. De contracten moeten worden opgeborgen in een kruik, ‘dan blijven ze lange tijd in goede staat’ (32,14).

Voorbij de vernietiging

Op het moment dat iedere toekomst afwezig lijkt, wordt de toekomst benoemd. Terwijl de doodsstrijd van Jeruzalem voor de deur staat, klinkt er een ontroerende belofte: ‘Eens zullen in dit land opnieuw akkers, huizen en wijngaarden worden gekocht’ (32,15). Soortgelijke woorden hebben we de mensen in Oekraïne te midden van de puinhopen horen uitspreken. Daar is ondanks de brutaliteit van een invasiemacht nog hoop, en te midden van vernietiging is er nog verwachting. Des te gruwelijker is het beeld dat van Jeruzalem wordt opgeroepen. Daar in Jeruzalem worden woorden van hoop niet meer uitgesproken, er is geen hoop meer, de vernietiging is onontkoombaar.

Zelfs de profeet betwijfelt de belofte die na het ceremonieel van de aankoop van de akker door de HEER is uitgesproken. De HEER bevestigt daarop tegenover Jeremia dat Jeruzalem vernietigd moet worden (32,26-29). Het verderf is te groot. De toekomst kan niet anders dan voorbij de vernietiging liggen.

Vanaf vers 36 verandert het perspectief. De HEER kondigt aan dat Hij de inwoners weer zal samenbrengen uit alle landen waarheen ze verdreven zijn. Nadat de valse fundamenten verwijderd zijn, wordt het volk vernieuwd en spreekt de HEER van een eeuwig verbond dat Hij met hen zal sluiten. Op weg naar Pasen ligt hier de mogelijkheid om een verband te leggen met het verbond waarvan Jezus spreekt op de laatste avond van zijn leven. De belofte bergt daarmee iets van een opstanding in zich. In het C-jaar worden deze verzen (32,36-41) dan ook gelezen op de derde zondag van Pasen. Vanaf vers 43b wordt het ceremonieel van de koop van de akker als het ware weer hernomen: ‘er zullen weer akkers worden gekocht’. Zo wijst het ceremonieel vooruit: de HEER zal hun lot ten goede keren.

Deze exegese is opgesteld door Trinus Hoekstra.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken