Een vierde ‘wonder’
Bij Marcus 2,1-12
De reeks wonderen – om die term dan toch maar te gebruiken – , waarmee Marcus de toon zet in zijn beschrijving van de daden van Jezus, lijken een toenemende moeilijkheidsgraad te vertonen. Eerst de moeder van Petrus, met koorts te bed. Hij nam haar hand en richtte haar op. Dan de melaatse, de leproos en nu een verlamde man. Er valt nog meer op: de wonderen krijgen steeds een direct vervolg, het wonder komt nooit alleen. Anders gezegd: een wonder zonder dat het gedane woord tot gedane zaken leidt, is eigenlijk zonder zin. Zo’n wonder is hooguit een mirakel. Je staat erbij en kijkt ernaar.
Bij de moeder van Petrus staat, dat ze werd opgewekt en meteen valt het woord diakonein(1,31): het wonder wordt mededeelzaam, het dient ergens toe. Het is niet particulier, het is als een steen in de vijver die steeds grotere kringen slaat. Bij de leproos is net zoiets aan de hand: hij wordt rein, geheeld, is weer compleet mens. En meteen vallen daar de woorden kerugmaen martyrium (1,44v), verkondiging en getuigenis. Het wonder is er niet voor de binnenkamer, het wordt verder verteld en doorgedaan. Bij de lamme loopt het uit op de doxa, de verheerlijking: ‘en zij verheerlijkten God’ (2,12). ‘Zoiets hebben wij nog nooit gezien’, staat er veelbetekenend achteraan. Deze schare is de perfecte illustratie bij de oude kreet: zien is geloven. En zo is die massa een contrapunt bij die vier mannen die hun verlamde vriend naar Jezus wilden brengen: daar is het niet ‘zien is geloven’, maar ‘geloven is zien’.
Vergevingalsbevrijding
Wat is gemakkelijker: genezen of zonden vergeven? Zonden vergeven, dat is gemakkelijker gezegd dan genezing gedaan wordt, zou je denken. Om het met een oud woord te zeggen: de genezing is uitwendig zichtbaar, de vergeving is inwendig onbewijsbaar. Het te absolvokan een vlotte kreet zijn, een formule om er vanaf te zijn. Ik vergeef je, ik vergeet je.
Toch moet er over dat vergeven iets meer gezegd worden. Het is natuurlijk een dierbaar woord, maar het heeft jammer genoeg iets fouts vrooms meegekregen. Het Griekse afhièmibetekent letterlijk ‘wegsturen’: Jezus zegt niet ‘uw zonden worden vergeven’, maar: ‘uw zonden worden weggestuurd’. Ze worden heengezonden, zoals je een verdachte kunt heenzenden, na verhoor: jou hebben wij niet meer nodig, u kunt wel gaan. De zonden worden weggestuurd, zoals ze op Grote Verzoendag op een bokje worden geladen en de woestijn in gestuurd. Wie zich dat beeld voor ogen haalt en hier dus ‘wegsturen’ leest, beseft dat ‘vergeving’ altijd samengaat met ‘verzoening’. En verzoening heeft altijd de gemeenschap op het oog, nooit de enkeling, altijd het grote verband van de gemeente, van broeder- en zusterschap, nooit het particuliere geweten. Jezus stuurt de zonden weg, opdat er verzoening is, heelheid, opdat er geleefd kan worden, mens op vrije voeten, op eigen benen, temidden van de broeders en zusters. En wat de priester zegt als hij de absolutie geeft, dat te absolvo, is natuurlijk aan de inflatie van het automatisme onderhevig. Maar het betekent letterlijk: ‘ik maak je los’; het is het repeterende ritueel van bevrijding.
Vergeving en genezing
‘Je zonden worden weggestuurd,’ zegt Jezus. Hij doet zijn naam eer aan: God bevrijdt – en vrij ben je! Is het aanzeggen van die bevrijding gemakkelijker dan genezing en komt die genezing er vervolgens alleen maar om te bewijzen dat Jezus zonden vergeven kan?
De theologen, die natuurlijk op de eerste rij zitten om te controleren of alles wel klopt met de regels en voorschriften, zitten te overleggen. Weliswaar in hun harten, maar dat duurt nooit lang, dan schrijven ze er wel een boek over. De theologen ‘smiespelen’, vertalen Gerhardt en Van der Zeyde, ze wachten op hun kans – nu al: wat verbeeldt die man zich wel? Zonden vergeven is uiteraard geen koud kunstje, als je zonde tenminste niet ziet in de sfeer van met je vingers in de koektrommel graaien, maar iedereen kan het. De verlamde is een paralutikos, hij is geparalyseerd. Misschien moeten we die verlamming maar als metafoor lezen. Je hoeft niet vergaand te psychologiseren om te weten hoe het soms werkt: dat mensen door wat ze hebben meegemaakt verlamd raken, zoals je verstijven kunt van schrik. Je verleden kan je achtervolgen, zelfs dat van je ouders kan een verlammende werking hebben. Je kunt verdwalen in je eigen leven, vreemd zijn in je eigen levensverhaal. Maarten den Dulk noemt dat: in de verkeerde plot gevangenzitten: hoort dit verhaal bij jou, of zit je erin gevangen, hopeloos de verkeerde kant op?
Open dak
Het dak van dat huis waar Jezus ‘thuis is’ (2,1), is op een wonderlijke manier demontabel: het is naar de hemel open. Niet om daarnaar op te zweven, maar juist andersom: in dit verhaal vindt ‘boven’ ‘beneden’ plaats. Hier wordt de bede ‘Uw welbehagen geschiede op aarde’ waar, namelijk waar gezegd wordt: ‘Ik stuur die zonden van je weg’. Boven komt naar beneden. Jezus, dat vleesgeworden program van ‘de Heer redt’ krijgt vaste voet op aarde, zoals de lamme been krijgt om op te staan. Alweer lijken Jezus en het ‘object’ van zijn spreken en handelen samen te vallen, zoals in het slot van hoofdstuk 1, waar ook niet duidelijk was wie er nu eigenlijk verkondigde en wie er niet meer in de stad kon komen: de leproos of Jezus (1,45).
Voor het eerst noemt Marcus Jezus hier Zoon des Mensen (2,10). Kennelijk doet hij dat liever hier dan in een van de aankondigingen van het lijden. Het is een naam die uit Daniël bekend is, een naam die met triomfen verbonden is, met zetelen op de wolken des hemels, met een komst, een toekomst in glorie, die met oordeel te maken heeft, die verheerlijking in zich draagt. Maar hier klinkt die naam nu juist niet hemels, niet wuivend op wolken, maar op aarde, down to earth, met beide benen op de grond. Handelend, niet zweverig. Boven vindt beneden plaats. Daarboven is het niet.