Een wissel gemist?
De ordinatie als voorwaarde tot het verlenen van sacramentsbevoegdheid
De aanleiding tot het schrijven van dit artikel vormen de recente ontwikkelingen binnen de Protestantse Kerk in Nederland (PKN) ten aanzien van de visie op het ambt, waardoor de betekenis en de noodzaak van de ordinatie onder druk komen te staan, c.q. nauwelijks in beeld komen. Dat vinden wij een zorgelijke zaak. Want wanneer de kerk begint te sleutelen aan de ambten en bijvoorbeeld kerkelijk werkers sacramentsbevoegdheid wil geven, raakt dat niet alleen allerlei praktische zaken als opleiding, competenties en loopbaanperspectief, maar ook principiële vragen zoals: wat maakt een ambtsdrager tot ambtsdrager, wat is het verschil tussen geordineerde en niet-geordineerde ambtsdragers of kerkelijk werkers en wat zijn de gevolgen van dit gesleutel voor de oecumene? Om daar enig zicht op te krijgen kiezen wij ons vertrekpunt in het voorstel van de commissie-Veerman om sommige kerkelijk werkers met HBO-opleiding theologie – namelijk degenen ‘die het werk doen als van een predikant’ – toe te laten tot het ambt van predikant:
Mensen met een afgeronde HBO-opleiding theologie – namelijk degenen die het werk doen als van een predikant, kunnen als predikant-vicaris worden toegelaten tot het ambt van predikant. De predikant-vicaris werkt altijd onder supervisie van een seniorpredikant uit zijn/haar team en kan zich niet ontwikkelen tot een basispredikant (en in het vervolg daarvan tot een seniorpredikant) – tenzij door het behalen van een academische graad in de theologie. De toelating tot het ambt van predikant van de predikant-vicaris geldt voor het leven.
[1]
Wij hebben op zich geen bezwaar tegen dit voorstel. Integendeel, wij zijn het er van harte mee eens, dat mensen die het werk doen van een predikant ook het ambt van predikant ontvangen. Daar ligt voor ons het probleem niet.
Het gaat ons om de consequenties van het voorstel. Wij gaan er namelijk van uit dat de genoemde predikant-vicaris, net als alle andere predikanten de bevoegdheid krijgt om de sacramenten te bedienen – al wordt het nergens met zoveel woorden gezegd. Er staat alleen dat de kerkelijk werker, die tot het ambt van predikant-vicaris wordt toegelaten, altijd onder supervisie van een seniorpredikant werkt en dat hij/zij niet zonder medeweten van die supervisor buiten de eigen classis zal ‘opereren’.
[2]
Uit alles blijkt zonneklaar, dat het de bedoeling is om bijvoorbeeld een predikant-vicaris die in een kleine gemeente in Noord-Groningen staat, ook de bevoegdheid te geven om de sacramenten te bedienen.
Intussen stellen wij met instemming vast dat de commissie-Veerman eraan heeft vastgehouden de bediening van Woord en Sacramenten voor te behouden aan de predikant, getuige de opmerking in een van de bijlagen van haar rapport: ‘De bediening van Woord en Sacramenten behoort ten principale bij het ambt van predikant’.
[3]
Wij hechten daar zoveel waarde aan omdat het in onze kerk, evenals in grote delen van de wereldkerk – ook in de meeste lutherse en gereformeerde kerken – regel is dat het bedienen van de sacramenten voorbehouden blijft aan de geordineerde ambtsdrager: de predikant c.q. de priester. Wat de PKN betreft verwijzen we naar artikel IX-1 van de kerkorde: ‘Het heilig avondmaal wordt door de gemeente gevierd en door een predikant bediend, met gebruikmaking van een van de orden uit het dienstboek van de kerk’.
Waar het ons nu om gaat is dat de bovengenoemde predikant-vicaris (en niet alleen hij/zij: hetzelfde geldt voor de juniorpredikant), wanneer deze toegelaten wordt tot het ambt van predikant en dus sacramentsbevoegdheid krijgt, ook geordineerd
[4]
moet worden. Dat lijkt vanzelfsprekend, maar omdat de ordinatie de kern van het ambt vormt achten wij het van belang dit punt dik te onderstrepen. Men kan namelijk niet zo maar, op praktische of organisatorische gronden mensen tot het ambt ‘toelaten’ en sacramentsbevoegdheid geven. Zo’n besluit raakt de visie op het ambt, de sacramentsbediening en de ambtsbevestiging of ordinatie. Daar willen wij aandacht voor vragen. En niet alleen wij: ook de Beraadsgroep Geloven en Kerkelijke Gemeenschap heeft onlangs in een brandbrief aan de Raad van Kerken haar zorg uitgesproken over een ontwikkeling in de Nederlandse kerken die er toe leiden kan dat de waarde en de noodzaak van de ordinatie op het spel komt te staan. Zij pleit ervoor niet te snel tot allerlei noodoplossingen over te gaan door aan geschikte mensen sacramentsbevoegdheid te geven, zonder dat er sprake is van ordinatie. Immers het achterwege laten van de ordinatie doet niet alleen afbreuk aan de gegroeide gemeenschappelijke overtuiging van de waarde en de betekenis van de ordinatie, het betekent vooral een breuk met de lijn van de apostolische traditie vanaf het Nieuwe Testament.
[5]
Voordat we nader ingaan op de vraag waarom in de oecumene de sacramentsbevoegdheid is voorbehouden aan een geordineerde ambtsdrager maken we eerst nog enkele opmerkingen over het rapport-Veerman.
Allereerst iets over de juniorpredikant. Het lijkt erop, dat deze beginnende predikant na een jaar ‘in volle rechten’ aan een gemeente verbonden te zijn geweest, het risico loopt dat de ordinatie hem/haar weer wordt afgenomen, namelijk na een negatieve beoordeling van de seniorpredikant. Hij/zij kan dan nog wel elders binnen de kerk tewerkgesteld worden, maar is dan geen gemeentepredikant meer (zie de toelichting bij kernbeslissing 3). Dat is in onze ogen een devaluatie van de ordinatie: men is geordineerd of niet en als men het is, is men het ‘voor het leven’, zoals de commissie zelf zegt (kernbeslissing 8).
[6]
Voorts is ons niet geheel duidelijk wie na dat ene proefjaar over het lot van de juniorpredikant beslist. Dat kan toch nooit de eigen kerkenraad of de ‘leidinggevende’ zijn, zoals de seniorpredikant in bijlage 3.2.4.2 genoemd wordt? De kerk is toch geen bedrijf, waar het normaal is dat een werknemer na een jaar proeftijd ontslagen wordt? Het oordeel over de vraag of iemand al of niet terecht geordineerd is, mag toch niet van één ‘leidinggevende’ afhangen? Daar hoort minstens de Classis of de Algemene Classicale Vergadering aan te pas te komen.
Wij stellen voor de juniorpredikant ‘vicaris’ te noemen en hem/haar pas na gebleken geschiktheid (bijvoorbeeld na een jaar) te ordineren en sacramentsbevoegdheid te geven. Dat geeft natuurlijk wel verwarring met de HBO-predikant die in het rapport predikant-vicaris wordt genoemd. Aan deze verwarring draagt het rapport overigens zelf bij door in bijlage 3.2.4 en 5 ook de beginnende predikant ‘vicaris’ te noemen. Wij pleiten ervoor de benaming predikant te reserveren voor een geordineerde dienaar van Woord en Sacrament en ons voorstel is dan ook: noem een juniorpredikant (zonder sacramentsbevoegdheid) consequent ‘vicaris’ en handhaaf voor een HBO-predikant (met sacramentsbevoegdheid) de door de commissie-Veerman gekozen benaming ‘predikant-vicaris’.
Overigens is het merkwaardig dat de commissie-Veerman de predikant-vicaris meteen voor het leven wil toelaten tot het ambt van predikant, maar de juniorpredikant juist weer niet. Dat is een anomalie. Bovendien hangt de juniorpredikant (in onze terminologie: de vicaris), eenmaal basispredikant geworden, nog iets anders boven het hoofd: drie keer per jaar worden er gesprekken met hem gehouden: een ‘ontwikkelingsgesprek’ met zijn seniorpredikant en twee gesprekken met de voorzitter van de kerkenraad en de seniorpredikant (een functioneringsgesprek en een beoordelingsgesprek, zie bijlage 3.4.4). Dat het lot van een predikant/ambtsdrager in handen komt te liggen van een kerkenraadsvoorzitter of een collega-predikant lijkt ons niet zo gezond. Dit voorstel staat dan ook op gespannen voet met de vrijheid en de eigen verantwoordelijkheid van het ambt van Woord en Sacrament.
Waarom sacramentsbevoegdheid voorbehouden aan geordineerde predikanten?
De draad van ons betoog weer oppakkend zullen wij in deze paragraaf beargumenteren waarom in de oecumene de sacramentsbevoegdheid altijd voorbehouden is (geweest) aan het geordineerde ambt (ordained ministry), dat wil zeggen: aan degene die daartoe middels de ordinatie door God en de mensen is aangewezen en gerechtigd. Omdat we hier niet kunnen ingaan op alle ins en outs van deze visie, hebben we uit een zee van literatuur tien argumenten opgevist om onze stelling te onderbouwen.
(1) Hoewel het Nieuwe Testament weinig of geen gegevens biedt, laat de praktijk van de Vroege Kerk zien dat de genoemde regel de juiste is.
Algemeen wordt aangenomen dat de NT-ische gegevens over het voorgaan in eucharistie zeer spaarzaam zijn. We lezen niets over een ambtelijk geregelde dienst. De nadruk ligt op het collectivum: de gemeente als lichaam van Christus viert de maaltijd. Maar dat sluit niet uit dat er mensen zijn – net als de archisynagogos in de synagoge of de leider bij de Griekse symposia – die enige orde aanbrengen in de samenkomst.
[7]
Verder is het niet onwaarschijnlijk dat de presbyteroi aan wie de leiding van de gemeente was toevertrouwd (Hand. 14:23, 15:22; 20:17; Titus 1:5; Jak. 5:14) ook medeverantwoordelijk waren voor het voorgaan in de eredienst van de gemeente. Wellicht betrof het zelfs functies van één en hetzelfde ambt (1 Tim. 5:17!).
[8]
Daarbij mag het ons niet ontgaan dat in de Pastorale Brieven eveneens sprake is van een ‘ordinatie’ met handoplegging door de verzamelde presbyters van de gemeente (1 Tim. 4:14) en van de apostel zelf (2 Tim. 1:6).
[9]
Van een voorganger die speciaal is aangewezen om voor te gaan in de eucharistie horen we echter pas bij Justinus (de prohestoos = leider)
[10]
en vooral bij Ignatius van Antiochië (de prokathèmenos = voorzitter, d.w.z. de episkopos).
[11]
Hoe dan ook, anders dan in het Nieuwe Testament zijn er bij Ignatius duidelijk omschreven ambten met het avondmaal verbonden. ‘Hier duikt al reeds op het ambt als voorwaarde voor de geldigheid van het avondmaal. Met een grote vanzelfsprekendheid wordt er gesproken over een bisschop en een altaar’.
[12]
En in De Apostolische Traditie, een verzameling liturgische en kerkordelijke regels, afkomstig uit verschillende tradities en ontstaan tussen 150 en 350 na Chr.
[13]
, komen we een volledig uitgekristalliseerd ambtelijk apparaat tegen, waarin de rollen van de bisschop als de exclusieve voorganger in de eucharistie, de presbyters als zijn assistenten, en de diakenen als de bemiddelaars tussen de bisschop en het volk tot in de puntjes geregeld zijn. Het is onterecht deze ontwikkeling negatief te beoordelen en er alleen maar naar te kijken door de bril van (een bepaalde visie op) de Reformatie en dus de Vroege Kerk te beschouwen als de eerste stap op weg naar de latere ontsporing in de Middeleeuwen. Want ook in de Apostolische Traditie is het de Geest die de leiding heeft en staat de bisschop in een collegiale verhouding tot zijn medepresbyters. Men kan dan ook zeggen dat het pleidooi van het Lima-rapport voor een persoonlijke, collegiale en communale manier van ambtsuitoefening geheel in lijn is met de wijze waarop in de Vroege Kerk het ambt gestalte kreeg.
[14]
Wie de teksten onbevooroordeeld probeert te lezen, moet dan ook concluderen dat – hoewel het Nieuwe Testament weinig of geen gegevens biedt ten aanzien van een geordend voorgaan in de eucharistie – de praktijk van de Vroege Kerk de legitieme voortzetting is van de intenties van het Nieuwe Testament.
[15]
(2) Ook de reformatorisch traditie, zowel de lutherse als de gereformeerde, heeft er steeds aan vastgehouden dat alleen een geordineerde predikant de sacramenten mag bedienen.
De lutherse traditie kent in feite slechts één ambt: dat van de dienst van Woord en Sacramenten. Principieel uitgangspunt daarbij is, dat de prediking van het evangelie en de bediening van de sacramenten moeten plaatsvinden: waar dat zuiver en naar Christus’ bedoeling gebeurt, daar is de ene, heilige, christelijke kerk. ‘Want de kerk is de gemeenschap van heiligen waarin het evangelie zuiver geleerd wordt en waarin de sacramenten op de juiste wijze worden bediend’ (CA VII). Om dat ‘op de juiste wijze’ (recte) zo veel mogelijk te garanderen is het van belang erop toe te zien, dat niet ieder willekeurig gemeentelid zich op eigen gezag gaat opwerpen als dienaar van Woord en Sacrament. Men moet daartoe door de kerk geroepen zijn. Zo zegt de Augsburgse Confessie in artikel XIV: ‘Over het kerkelijk ambt wordt geleerd, dat niemand in het openbaar in de kerk de sacramenten mag uitreiken, tenzij hij daartoe op ordelijke wijze geroepen is’,
[16]
een verwijzing naar de ordinatie. Daarom is het is voor de lutherse traditie vanzelfsprekend dat de overdracht van het ministerium verbi et sacramentorum plaats vindt door middel van de ordinatie.
[17]
In de gereformeerde traditie wordt, anders dan in de lutherse, niet van één ambt, maar van drie ambten gesproken, drie ambten die elk hun eigen specifieke opdracht hebben. Daar worden zelfs bijbelse argumenten voor gegeven, met name in de klassiek-gereformeerde formulieren voor de bevestiging van ambtsdragers. Het predikantschap (de dienst van Woord en Sacramenten) wordt daarbij gezien als verlengstuk van de nieuwtestamentische dienst der apostelen, voor ouderlingen en diakenen beroept men zich op de nieuwtestamentische gegevens over de oudsten (‘opzieners’) en diakenen (‘helpers’) in de vroegchristelijke gemeenten. Zelfs is er sprake van een bepaalde hiërarchie, doordat de predikant wordt gezien in het verlengde van de oudtestamentische priester en de ouderling in het verlengde van de Leviet.
[18]
Opmerkelijk is dat tot het ambtswerk van ouderlingen en diaken per definitie niet de bediening van woord en sacrament behoort. Deze ambtsdragers ontvangen dan ook bij hun bevestiging als regel
[19]
geen handoplegging, vanouds de kern van de ordinatie. Die is voorbehouden aan de dienaar van Woord en Sacrament.
Zowel in de lutherse als in de gereformeerde traditie is de bediening van Woord en Sacramenten dus uitdrukkelijk voorbehouden aan speciaal daartoe geroepen en geordende (geordineerde) dienaren.
[20]
Het spreekt dan ook vanzelf dat de kerkorde van de PKN, waarin de lutherse en de gereformeerde opvatting op ingenieuze wijze met elkaar verbonden zijn, zich aan deze regel geconformeerd heeft, en in haar spoor de commissie-Veerman.
(3) Woord en sacrament zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Daarom behoort de bediening van beide tot de verantwoordelijkheid van het ene ambt van Woord en Sacrament.
Zowel in de catholica als in de reformata heeft men er altijd aan vastgehouden, dat de dienst van woord en sacrament één en ondeelbaar is. Al verschillen ze in gestalte, het gaat in het woord en in de sacramenten om het ene heil van God, dat ons wordt verkondigd en verzegeld. Daarom zijn ze onlosmakelijk met elkaar verbonden. Wie ze van elkaar losmaakt zal op den duur het woord gaan verabsoluteren en het sacrament devalueren (het gevaar van de Reformatie), of het sacrament verabsoluteren en het woord devalueren (het gevaar van Rome). Daarom is het van groot theologisch belang dat de commissie-Veerman voorstelt de kerkelijke werkers die predikantswerk verrichten toe te laten tot het ambt van Woord en Sacrament, wat meer is dan enkel het verlenen van sacramentsbevoegdheid
[21]
. Wij voegen daar aan toe: dat kan niet zonder deze figuur ook te ordineren, want alleen aan geordende predikanten is de dienst van Woord en Sacrament toevertrouwd. Het zou overigens heel wat waard zijn wanneer dit kerkrechtelijke uitgangspunt ook in de liturgische praktijk van de kerk veel meer serieus genomen zou worden, zodat niet langer de ‘preekdienst’ als de ‘normale’ zondagse eredienst zou gelden, maar de wekelijkse dienst van Schrift en Tafel.
(4) Leiding geven en sacramentsbediening horen bij elkaar. Daarom behoort degene die het werk doet als van een predikant ook sacramentsbevoegdheid te hebben.
Nauw met het voorgaande verbonden is het gegeven dat naar lutherse en gereformeerde traditie sacramentsbediening en leiderschap altijd met elkaar verbonden zijn geweest.
[22]
Ook op dat punt bleef de Reformatie in het spoor van de catholica (orthodox, rooms-katholiek, anglicaans, oud-katholiek): het voorgaan in een avondmaalsdienst is de taak van de locale pastor. Loslopende sacramentsbedienaren (ministri vagantes) hebben in de kerk geen recht van bestaan (evenmin trouwens als loslopende predikheren, vanouds ‘lopers’ genoemd). De weerzin van kleine gemeenten zonder eigen predikant tegen de dominee ‘van buiten’, die om de zoveel tijd komt aanrijden om het avondmaal te bedienen is terecht, want pastoraat en avondmaal zijn niet te scheiden. Een dergelijke praktijk getuigt bovendien van een merkwaardige on-protestantse verabsolutering van het avondmaal. Daarmee is echter het laatste woord nog niet gezegd, want hoe zit het dan precies met die relatie tussen leiderschap en sacramentsbediening? Ouderlingen geven toch ook leiding in de gemeente, mogen zij dan geen sacramenten bedienen? Nee, zegt de kerkorde, want ieder ambt heeft een eigen taak en een eigen roeping, niet ieder die leiding geeft is meteen ook voorganger, ouderlingen zijn nu eenmaal geen geordineerde ambtsdragers van Woord en Sacrament. Het is vooral uit pastorale overwegingen goed om eraan vast te houden, dat het voorgaan in doop- en avondmaalsdiensten in principe alleen voorbehouden is aan de plaatselijke ‘herder en leraar’ van de gemeente. Dat geldt ook voor kleine gemeentes met een kerkelijk werker: het is pastoraal onverantwoord dat iemand wel doopcatechese mag geven, maar niet mag dopen, of de gemeente wel mag voorbereiden op de viering van het avondmaal, maar daarin niet zelf mag voorgaan.
(5) Het representatie-argument: in de eucharistie gaat het om de communio tussen Christus, liturgisch gerepresenteerd door de geordineerde ambtsdrager, en de gemeente.
Hiervoor verwijzen wij naar het zogenaamde rapport-Berkhof (1969).
[23]
De kerk leeft van een werkelijkheid die boven haarzelf ligt, zij is een ontmoetingsplaats met een Heer die niet door haar gekozen is, maar die haar door zijn Woord en Geest verkoren, geroepen en vergaderd heeft. Krachtens de Geest leeft zij bij het Woord, als de relatie die Christus als haar Tegenover met haar gesticht heeft. Het zijn de ambten, die daaraan uitdrukking geven. ‘De ambtsdragers treden tegenover de gemeente met een gezaghebbende boodschap en met gezaghebbende woorden en stellen daarin Christus als haar Tegenover tegenwoordig. Dit Tegenover is niet alleen iets wat geloofd en bedacht wordt in het midden van de gemeente, het wordt ook uitgebeeld en uitgespeeld (cursivering van ons) in de gestalte van de handelingen van mensen aan wie door de gemeente de taak van de Christusrepresentatie wordt toebedeeld’.
[24]
A.A. van Ruler gaat nog verder. Hij ziet de liturgie als een ‘symbolisch spel’, de ‘viering van het pleroma van het mysterion’. In zo’n divina comedia krijgt alles een eigen plaats en rol. Achter de avondmaalstafel staan de predikant, de ouderling en de diaken, de mensen staan op en stromen toe. Het mysterie van de kerk is dat de ambten en het volk, God en de mensen, samen het spel spelen – en dat wordt het meest zichtbaar tijdens de viering van het avondmaal.
[25]
Daar zit iets heel katholieks in: de ambtsdragers en de gelovigen vormen samen de kerk, zo alleen kunnen ze Gods verbondspartner zijn, zo alleen komt het tot de volle katholiciteit. Die volle katholiciteit komt er pas, als men in de kerk het samenzijn ervaart van enerzijds de drie-enige God en wanneer anderzijds ook de mens zelf present is in de gestalte van de vierende gemeente. Het zal duidelijk zijn dat op het niveau van dit symbolische denken een niet-geordende ambtsdrager als voorganger in een avondmaalsviering op geen enkele wijze past, hoewel Van Ruler achter de avondmaalstafel ook de ouderling en de diaken ziet staan. Wat ze daar doen is niet helemaal duidelijk, maar als voorgangers fungeren ze in elk geval niet. Vermoedelijk heeft A.F.N. Lekkerkerker meer het gelijk aan zijn kant – zeker vanuit oecumenisch gezichtspunt – wanneer hij alleen de predikant als representant van Christus ziet en de ouderlingen en diakenen als vertegenwoordigers van het volk.
[26]
(6) Het geordineerde ambt, de dienaar van Woord en Sacrament, fungeert binnen de gemeente als centrum van eenheid. Die eenheid vindt haar oorsprong en hoogtepunt in de viering van de maaltijd van de Heer.
Zoals bekend vormt het thema ‘eenheid’ het hoofdthema van de brieven van Ignatius van Antiochië. In navolging van de apostel Paulus wil deze bisschop slechts weten van één kerk, één doop, één lichaam, één Tafel. Wanneer hij zichzelf dan ook typeert als ‘een mens tot eenheid toegerust’,
[27]
zet hij daarmee de toon voor de latere kerkgeschiedenis: de locale voorganger staat voor de eenheid van de gemeente. P.A. van Stempvoort, die in een indrukwekkende studie over dit onderwerp op het belang van ‘een ambtsdrager tot eenheid toegerust’ heeft gewezen,
[28]
pleitte daarmee voor een kerk met een ‘gezicht’, een meer persoonlijke invulling van het ambt, een ‘charismatisch ambtsdrager, met de ‘mystiek van de kerk’ om zich heen. En hij is van mening dat zo iemand beter in de structuur van de ecclesia past dan een administratief getinte kerkvisitator, die deze mystiek niet om zich heen heeft.
[29]
Het interessante van Ignatius’ typering van de ambtsdrager als ‘een mens tot eenheid toegerust’ is echter, dat ze primair betrekking heeft op de voorganger van de locale gemeente. Deze staat voor de eenheid van de gemeente en fungeert, zoals het Lima-rapport het formuleert, als ‘centrum van eenheid’.
[30]
En waarin komt die eenheid duidelijker, geconcentreerder en zichtbaarder tot uiting dan in de viering van de dienst van Schrift en Tafel? ‘Het is de voornaamste verantwoordelijkheid van het geordineerde ambt om het lichaam van Christus bijeen te brengen en op te bouwen door het Woord van God te verkondigen en te onderrichten, door de sacramenten te vieren en door het leven van de gemeenschap te leiden in haar eredienst, haar zending en haar dienstbetoon’. (…) ‘Vooral in de viering van de eucharistie is het geordineerde ambt het zichtbare centrum van de diepe en alles omvattende gemeenschap tussen Christus en de kerk. Hij is het, die tot de maaltijd nodigt en deze leidt. Om dit aan te geven en Christus te vertegenwoordigen gaat in de meeste kerken een geordineerde ambtsdrager voor’.
[31]
(7) De geordineerde predikant is de ambtsdrager die in de traditie van de apostelen staat en de taak heeft de gemeente daarbij te bewaren.
Men kan (en moet?) nog verder gaan en met K. Blei zeggen, dat de geordineerde ambtsdrager niet alleen in de kerken van de katholieke traditie, maar ook in die van de Reformatie gezien wordt als staande in het verlengde van de apostelen.
[32]
We wezen daar boven reeds op, maar willen het nog eens apart onderstrepen, omdat dit aspect van het ambt nogal gevoelig ligt bij protestanten. Men bespeurt er al gauw een romaniserende tendens in, terwijl het toch een algemeen-christelijk (katholiek) gegeven is, dat de gemeente niet leeft bij de gratie van haar geloof, haar enthousiasme, haar charismata, maar van het apostolisch Woord van oog- en oorgetuigen, dat gezaghebbend tot haar komt. En dat is precies wat het geordineerde ambt be-teken-t, symboliseert.
[33]
Men hoeft dus niet meteen aan bisschoppen te denken wanneer het woord ‘apostolische successie’ valt. Het oecumenisch gesprek heeft ons inmiddels geleerd dat het daarbij om een veel breder begrip gaat. De echte apostolische successie is daar waar de kerk blijft in de continuïteit met de dienst en het getuigenis van de apostelen. Dit getuigenis zet zich allereerst voort in de canon van het Nieuwe Testament. Dan ook in het geloven en belijden van de gemeente, die de boodschap doorgeeft van geslacht tot geslacht. En daarbinnen in de opvolging van de ambtsdragers, in het bijzonder hen die geordend zijn tot de dienst van Woord en Sacrament.
[34]
(8) Het avondmaal is veel meer dan een locale aangelegenheid: het staat in de brede context van de catholica. Daarom dient de bediening ervan toevertrouwd te worden aan de ambtsdrager die in de locale gemeente de katholiciteit vertegenwoordigt: de geordineerde predikant.
Al wordt de maaltijd van de Heer primair in de plaatselijke gemeente gevierd, er moet meteen bij gezegd worden dat ze de grenzen van de plaatselijke gemeente verre overstijgt. ‘In deze Maaltijd laat God zijn onvoorwaardelijke liefde zien en maakt Hij haar bereikbaar voor allen, die verzegeld zijn met het zegel van Christus en juist hier weet de locale kerk zich op een levende manier verbonden met de universele kerk’.
[35]
Daarom beleeft de gemeente het katholiek karakter van haar identiteit vooral in de avondmaalsviering: zo ergens, dan weet ze zich daar opgenomen in de communio met de kerk van alle tijden en alle plaatsen. Daarom dient de bediening van het avondmaal niet toevertrouwd te worden aan een plaatselijke ambtsdrager (een ouderling, diaken of kerkelijk werker), maar aan de ambtsdrager die in de locale gemeente de katholiciteit vertegenwoordigt en daarmee de schakel vormt tussen de plaatselijke gemeente en de universele kerk: de geordineerde predikant. Gebeurt dat niet, dan wordt het avondmaal opgesloten in de locale gemeente.
In dit verband komen we nog even terug op het voorstel van de commissie-Veerman om de kerkelijk werker die het werk als van een predikant verricht, te bevorderen tot ‘predikant-vicaris’, maar dan wel zijn bevoegdheden te beperken tot de eigen gemeente of de eigen classis. Dat hoeft niet in strijd te zijn met het bovenstaande, mits het er niet toe leidt dat deze predikant-vicaris wordt heengezonden met een ‘beperkte’ ordinatie (en dus als een veredelde kerkelijk werker zal worden beschouwd). Wie de sacramenten van doop en avondmaal bedient, dient geordineerd te zijn als dienaar van Woord en Sacrament – ook als hij een beperkt werkterrein heeft: dat laatste geldt immers van iedere gemeentepredikant. Door de predikant-vicaris te ordineren wordt benadrukt dat hij/zij, evengoed als de basispredikant, dienaar van Woord en Sacrament is. Het verschil tussen een predikant-vicaris en een basispredikant is dan niet gelegen in de aard van hun ordinatie, maar in de omvang van hun werkterrein en in het feit dat eerstgenoemde onder supervisie staat van een seniorpredikant en laatstgenoemde niet. Het is zowel pastoraal als theologisch van belang daar helder in te zijn. Maar ook wordt zo duidelijk dat in de PKN het katholieke besef bewaard gebleven is, dat de bevoegdheid tot sacramentsbediening bij de geordineerde dienaren van Woord en Sacrament ligt.
(9) Een oecumenisch argument: sacramentsbediening door niet-geordineerden leidt tot problemen met andere kerken, met name de meer ‘katholieke’.
Uit alles wat tot nu toe gezegd is zal duidelijk geworden zijn dat de PKN in de problemen komt, wanneer zij niet-geordineerden de bevoegdheid geeft om de sacramenten te bedienen zonder hen te ordineren. Theologische problemen, kerkrechtelijke problemen, pastorale problemen, maar ook oecumenische problemen. Het is algemeen bekend dat de verschillen in ambtsopvatting tussen de kerken dé grote blokkade vormen om tot zichtbare kerkelijke eenheid te komen. Met name de kerken die in de romeins-katholieke traditie staan zullen nog meer moeite hebben om onze ambten te erkennen, wanneer de PKN de wissel van de ordinatie zou overslaan of maar half omzetten. De blokkade die gezamenlijke avondmaals-/eucharistievieringen in de weg staat zal daardoor nog groter worden. Hoe belangrijk het is om zorgvuldig met dit ‘hete hangijzer’ om te gaan, werd onlangs weer duidelijk in Duitsland. Daar heeft de bisschoppenconferentie van de Verenigde Lutherse Kerk (VELKD) zonder overleg met de andere kerken voorgesteld vanwege ‘de nood der tijden’ de in de lutherse traditie altijd gehandhaafde koppeling tussen sacramentsbevoegdheid en ordinatie los te laten en ook niet-geordineerden door middel van een Beauftragung (ook wel ordination light genoemd) sacramentsbevoegdheid te verlenen.
[36]
Het voorstel wekte zo veel rumoer, dat Kardinaal Walter Kasper, secretaris van de Pauselijke Raad voor de Bevordering van de Eenheid der Christenen eraan te pas moest komen. In een schriftelijke reactie liet hij weten, dat het voorstel van de VELKD teruggaat ‘achter de toenaderingen, die de laatste veertig jaar in het oecumenisch gesprek tussen Lutheranen en Katholieken op wereldniveau bereikt zijn’, omdat men hiermee een ‘gesamtkirchliche Tradition’ opgeeft.
[37]
Helaas horen wij dit argument weinig doorklinken in de discussie over het rapport-Veerman. Hebben de opstellers geen oog gehad voor de theologische aspecten van hun voorstellen? Behoorde het niet tot hun opdracht om na te denken over de oecumenische consequenties van hun voorstellen? Maar deugt die opdracht dan wel? Kan men eigenlijk als kerk vandaag de dag nog wel op eigen houtje gaan sleutelen aan het ambt? Het ambt heeft immers alles met de identiteitsvraag te maken, het is even bepalend voor de identiteit van de kerk als de canon en het credo, zo heeft reeds Harnack ons geleerd.
[38]
Wie dus sleutelt aan het ambt, sleutelt aan de identiteit van de kerk. Wellicht is het daarom goed hier te herinneren aan een zinsnede uit de door genoemde Beraadsgroep in 2005 aan alle kerken toegezonden gespreksnota over het ambt in de oecumenische discussie: ‘Kunt u, kerken in de Raad van Kerken, nog over de eigen identiteit spreken zonder de andere kerken daarin te betrekken?’.
[39]
Die vraag geldt de RoomsKatholieke Kerk met haar hoog-kerkelijke ambtsopvatting evengoed als de Pinksterkerken met hun laagkerkelijke, maar zeker ook de Protestantse Kerk in Nederland met haar kerkordelijk vastgelegde regel dat alleen een geordineerde ambtsdrager voorgaat in de avondmaalsviering. Daarom zou het onjuist zijn, wanneer onze kerk op eigen houtje haar kerkorde zou veranderen.
(10) De grondregel voor het kerkrecht is 1 Kor. 14:40: ‘Alles moet op gepaste wijze en in goede orde gebeuren’. Die geldt ook en vooral ten aanzien van de toelating tot het geordineerde ambt.
Er zijn nu eenmaal verschillen in geloof en kerkorde tussen de kerken. Ook over de bevoegdheden van de ambten en de weg er naar toe bestaan grote, soms bijna onoverbrugbare verschillen. God schonk zijn kerk een onvoorstelbare veelheid van, charismata, taken en bedieningen. Daar mogen we dankbaar voor zijn, maar we moeten er ook zorgvuldig mee omgaan. Daarom dient er, net als in de eerste christelijke gemeente, enige orde in te worden aangebracht, met name als het gaat over het voorgaan in de eredienst. Gebeurt dat niet, dan wordt het een chaos, zegt de apostel Paulus. Laten we ons daarom ter wille van de onderlinge eenheid houden aan één van de belangrijkste afspraken die in de oecumene gemaakt zijn: dat alleen een predikant als geordineerde dienaar van Woord en Sacrament voorgaat in de dienst van Schrift en Tafel.
Criteria voor de ordinatie
Na te hebben nagegaan waarom de ordinatie als voorwaarde geldt van de toelating tot het ambt van dienaar van Woord en Sacrament, zullen we nu op zoek gaan naar de criteria voor de ordinatie. Want aan het rite vocatus zijn voorwaarden verbonden. Weliswaar is iedere gedoopte in principe op grond van de doop gerechtigd de sacramenten te bedienen – dat was het sterke punt van Luther in zijn strijd tegen de roomse hiërarchie – maar niet iedere gedoopte heeft de bevoegdheid om de kansel te bestijgen of achter de avondmaalstafel te gaan staan. Vergeten we dat, dan belanden we in subjectivisme en vroom gedweep. Daarmee ging Luther zijn andere grote vijand te lijf: de doperse radicalen. Daarom zij er meer criteria nodig dan alleen de doop. Ten eerste moet er zoiets zijn als vocatio en electio, want niemand kan een taak die allen toekomt op zich nemen, zonder daarvoor van Godswege geroepen en door allen geautoriseerd te zijn. En verder moet een geroepene ook een opleidingstraject volgen, want zonder kennis van de bijbel, de christelijke leer, de menselijke gedragingen enz. kan iemand geen herder en leraar zijn. Ten derde moet de kandidaat bepaalde charisma’s hebben, vaardigheid in het spreken, in het overdragen van kennis en in de omgang met mensen enz., want een predikant is geen uitvoerder van rituelen – al heeft de liturgie ook technische kanten, die beheerst moeten worden. En tenslotte moet de geroepene een opdracht (commissio) ontvangen hebben tot het ambt van Woord en Sacrament, want alleen de wetenschap dat iemand door de kerk ‘en mitsdien door God zelf’ geroepen is tot dit werk zal de kandidaat een leven lang door alle hoogte- en dieptepunten kunnen heendragen. We herkennen in deze vier punten gemakkelijk de klassieke vierslag vocatio-selectio-educatio-(com)missio, die in veel kerken geldt als voorwaarde voor de ordinatio.
[40]
Ons punt is nu, dat in de nu al enkele jaren durende discussie over de toelating tot het ambt van predikant veel te veel aandacht besteed wordt aan de academische opleiding als voorwaarde voor de ordinatie – zozeer zelfs dat de ordinatie zelf, als het beslissende element in de vocatio nauwelijks in beeld komt. Nu is het zeker een groot en in principe onopgeefbaar goed – ook in cultureel opzicht – dat de Reformatie aan haar predikanten de eis stelt van een academische vorming. Daarmee heeft men een objectief criterium in handen om het kennisniveau van een kandidaat te meten. Daarover zijn we het dus snel eens. Maar het getuigt van een overschatting van de menselijke ratio en dus een verwetenschappelijking, om niet te zeggen: verburgerlijking van het ambt om het daarbij te laten. Er zijn (gelukkig? of misschien wel: helaas?) veel meer voorwaarden waaraan aan mens moet voldoen om toegelaten te worden tot het geordineerde ambt, want in de liefdedienst tot God en de mensen is niet alleen het verstand in het geding, maar ook de ziel en vooral het hart, want ‘het is de bron van je leven’ (zie Mat. 22:37 en Spr. 4: 23).
Daarom is het nodig de criteria die als voorwaarde gelden voor de ordinatie helder te omschrijven en daarbij verder te kijken dan alleen de academische opleiding. De commissie-Veerman heeft dat niet gedaan, waarschijnlijk omdat het haar opdracht niet was. Maar met alle begrip voor de problemen waar we momenteel als PKN voor staan en beseffend dat er in het opleidingstraject van de PKN ook gelet wordt op andere dan alleen wetenschappelijke criteria, we menen toch te moeten opkomen tegen de tendens om ten aanzien van de opleiding en toelating tot het ambt van dienaar van Woord en Sacrament vooral de nadruk te leggen op de functionele en beroepsmatige kant van de zaak.
[41]
Dat is niet alleen in strijd met het wezen van de Reformatie, het is ook on-katholiek. Kenmerkend voor de ene, heilige katholieke en apostolische kerk van Christus is dat zij op een geestelijke manier nadenkt over de criteria voor toelating tot het ambt. We kunnen daarop hier niet uitvoerig ingaan, maar willen volstaan met een verwijzing naar het al eerder genoemde Lima-rapport, dat – zeker op dit punt – een betrouwbare en uitgewogen weergave is van wat er in de oecumene leeft.
Als eerste voorwaarde wordt gesteld dat er bij de kandidaat sprake moet zijn van een vocatio (call, roeping) (par. 45). Die roeping is tweevoudig: eerst is er een innerlijk bewustzijn dat men door de Heer geroepen is om zich aan het geordineerde ambt toe te wijden (vocatio interna). Die roeping kan men op het spoor komen door persoonlijk gebed en bezinning, advies van familie, vrienden en kerkelijke gemeente, ambtsdragers en leraren. Maar deze interne roeping moet op haar echtheid getoetst en bevestigd worden door een kerkelijke erkenning van de charismata van de kandidaat (vocatio externa). Daarbij mag het feit of men man is of vrouw geen rol spelen: God roept ménsen, geen representanten van een bepaalde sekse, want de Geest waait waarheen zij wil.
Vervolgens (par. 47) vraagt het geordineerde ambt om een adequate voorbereiding. Daarbij onderscheidt men drie aspecten: (a) studie van bijbel en theologie, (b) gebed en spiritualiteit en (c) inzicht in de sociale en innerlijke leefwereld van mensen. Uitdrukkelijk wordt erbij gezegd: ’Deze voorbereiding hoeft niet persé te bestaan in een langdurige, academische studie.’ Wel wordt in die opleiding de roeping van de kandidaat getoetst, bevorderd en bevestigd – of kan zij in een andere richting worden geleid.
Tot zover de criteria zoals het Lima-rapport ze heeft geformuleerd. Inhoudelijk gaan we daar niet op in, want het ging ons er vooral om, te laten zien dat er voor de toelating tot de ordinatie een veelheid van criteria kan worden aangewezen, waarvan de academische opleiding er slechts één is – en dan nog niet eens een absoluut. Dat is niet vreemd, het getuigt van een brede en diepe kijk op het ambt en op hen die geroepen zijn het te dragen. Het is ook goed gereformeerd: kende de Dordtse kerkorde al niet een bepaling, waarin de toelating van personen met ‘singuliere gaven’, die niet gestudeerd hebben, geregeld wordt (artikel VIII)? In elk geval is het ‘een misverstand te denken dat het diploma van deze of gene wetenschappelijke instelling zonder meer toegang geeft tot het predikantschap. Het voltooid hebben van de academische predikantsopleiding is slechts één van de criteria die de kerk hanteert’.
[42]
De ordinatie als de toegangspoort tot het ambt
We hebben tot nu steeds over het belang van de ordinatie als voorwaarde tot de toelating tot het ambt geschreven, maar over de ordinatie zelf, haar zin en betekenis hebben we slechts terloops iets gezegd. Daarom willen daar in deze slotparagraaf nog iets uitvoeriger op ingaan.
Wat is de ordinatie eigenlijk? En waarom horen we dat woord in onze kerk veel vaker gebruiken dan voor de fusie van 2004, zo zelfs dat het de aanduiding ‘bevestiging in het ambt’, zoals die in het Dienstboek – een proeve nog wordt gebruikt, dreigt te verdringen? Dit laatste heeft te maken met het feit dat Lutheranen gewend zijn te spreken over ‘ordinatie’, terwijl gereformeerden en hervormden het meestal hebben over ‘bevestiging’.
[43]
Daar zit in zoverre een principieel verschil achter, dat het woord ‘bevestiging’ in feite niet meer is dan een verwijzing naar datgene waarvan het de bevestiging is, nl. de vocatio en de electio (en daar dus niets aan toevoegt), terwijl het woord ordinatio oorspronkelijk het opnemen in de ordo van de clerici betekende, een betekenis die uiteraard door Luther en alle protestanten verworpen werd. Toch bleven ook de reformatoren onbekommerd van ordinatio spreken, niet alleen Luther, althans in zijn latere jaren
[44]
, maar ook Bucer
[45]
en zelfs Calvijn.
[46]
Ook in de documenten van Leuenberg komen we regelmatig de term Ordination c.q. ordination tegen.
[47]
In alle gevallen denkt men daarbij aan een door de kerk vastgestelde, liturgische handeling waarmee een gedoopte christen aliquo modo (Calvijn) ‘binnengeleid’ wordt in het ambt van dienaar van Woord en Sacrament. We gaan hier niet in op de onzes inziens onvruchtbare vraag of de ordinatie sacramentele betekenis heeft, we stellen alleen vast dat er in de oecumene langzamerhand – vooral dankzij Lima – een zekere consensus is ontstaan, dat het hier om een ‘teken-handeling’ gaat, waarvan gebed en handoplegging de kernelementen vormen, een ritueel tussen een gespiritualiseerde vrome wens en een geontologiseerde wijding in. Een goede omschrijving van de betekenis van de handoplegging geeft E. van der Borght: ’De handoplegging bij de ordinatie is teken van de Geest, waarmee zichtbaar wordt gemaakt dat het ambt meer is dan een zaak van een zuiver menselijk ordenende kerk. Veel meer vindt het ambt zijn institutionele basis in de openbaring van Christus. In de handoplegging wordt de kerk herinnerd aan de bron van haar opdracht’.
[48]
Proberen we nu te omschrijven wat de ordinatie inhoudt, dan kunnen we daarover – alweer met het Lima-rapport – drie dingen zeggen: bij de ordinatie gaat het om (1) een bede tot God dat aan de nieuwe ambtsdrager de kracht van de Heilige Geest moge geschonken worden (de epiclese), (2) een teken van de verhoring van dit gebed door de Heer, die de gave van het geordineerde ambt schenkt en (3) de erkenning door de kerk van de gaven van de Geest in degene die geordineerd wordt en de toewijding (commitment) zowel door de kerk als door de geordineerde aan hun nieuw ontstane verbintenis.
[49]
De ordinatie zet de ordinandus dus in een nieuwe (en permanente) relatie tot de geloofsgemeenschap. In de ordinatie wordt men dan ook niet uit de communio van de gedoopten uitgelicht, men komt er anders in te staan: als representant van Christus, die samen met de andere ambtsdragers, de taak heeft de geloofsgemeenschap te bewaren bij de traditie van het geloof en bij haar roeping in de wereld.
Verder is het in verband met ons onderwerp van belang, de stelling van de Italiaanse oecumenicus J.F. Puglisi te verdisconteren, dat de term ordinatio op geen enkele wijze beperkt mag worden tot het éne moment suprème van de handoplegging, zoals Rome dat eeuwenlang heeft gedaan. Op een dergelijke eenzijdige sacramentalisering van de ordinatie moest de Reformatie wel afwijzend reageren, met als resultaat dat de betekenis van de handoplegging sterk werd gereduceerd. Oecumenisch komen we alleen verder, wanneer we het erover eens worden, dat de ordinatie met gebed en handoplegging slechts één element is in een proces van toeleiding tot het ambt, dat bestaat uit de drieslag electio (inclusief de vocatio) – ordinatio – iurisdictio (of missio).
[50]
Anders gezegd: het persoonlijk zelfonderzoek, de toetsing van de kandidaat aan de hand van door de kerk opgestelde criteria, de voorbereidende studie, al of niet academisch, het ontvangen van een beroep, kortom alle elementen die aan de ordinatie vooraf gaan – het zijn geen neutrale psychologische, sociologische, academische of kerkjuridische zaken, maar wezenlijke aspecten van het proces dat leidt tot het geordineerde ambt. En anderzijds: wanneer de geordineerde na de tekenhandeling van de handoplegging opstaat, is de ordinatie nog niet voltooid: dan volgt de receptio door de gemeente (‘Wilt gij deze zuster/broeder met liefde in uw midden ontvangen en haar/hem hooghouden in uw gebeden?’), waarna de geordineerde de gemeente voorgaat in de dienst van de Tafel. Zo wordt niet alleen zichtbaar dat de pasgeordineerde voorganger metterdaad zijn ambtelijk werk aanvaardt (iurisdictio), maar ook dat Woord en sacrament onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn.
Conclusie
Onze conclusie kan kort zijn: wij menen te hebben aangetoond, dat de functioneel-pragmatische benadering van het ambt en de toelating tot het ambt, zoals die in het rapport-Veerman naar voren komt, geen recht doet aan de brede theologische, oecumenische en pastorale benadering die hiervoor vereist is. Wij zijn dan ook van mening dat de oplossingen die het rapport aanreikt, met name als het gaat over het verlenen van sacramentsbevoegdheid aan niet-predikanten, slechts acceptabel zijn, wanneer belangrijke theologische gegevens niet over het hoofd worden gezien, maar ten volle serieus genomen worden. Eén daarvan is de reformatorisch-katholieke voorwaarde, dat alleen dragers van het geordineerde ambt mogen voorgaan in de viering van de eucharistie c.q. het avondmaal. Met de aanvaarding van de nota ‘Werk in de wijngaard’ heeft de synode in 2007 de wissel omgezet en de commissie-Veerman heeft vervolgens voorstellen ontwikkeld om de ingeslagen weg begaanbaar te maken. Het ging ons er in dit artikel om er aan te herinneren dat we onderweg de bezinning op de betekenis van de ordinatie niet mogen overslaan. Want die vormt de laatste en belangrijkste wissel op de weg naar het ambt van dienaar van Woord en Sacrament.