Menu

Premium

Eerste ‘christenen’

Alternatief bij 2e zondag van de zomer (Handelingen 11,19-26)

Na Jeruzalem (2,1-8,3), Judea en Samaria komt nu de Helleense wereld in beeld, om te beginnen Antiochië (11,19-15,35): de logos aangaande Jezus krijgt vleugels. Daar in Antiochië worden de getuigen voor het eerst christenen genoemd. Daar ook wordt het begin gemarkeerd van wat in het Duits zo mooi ‘Heidenmission’ heet.

‘Zij dan die verstrooid werden’ (11,19) herhaalt 8,4, waar de gemeente die door Saulus (!) verwoest werd, verstrooid uiteen vluchtte en ‘verder trok’ (Gr.: di-èlthon), intussen het woord verkondigend. Ook nu wordt doorgegaan, verder getrokken, ‘na de verdrukking in verband met Stefanus’. Bedenk dat de LXX het Griekse werkwoord di-erchomai gebruikt om het Hebreeuwse abar te vertalen, dat terug te horen is in de benaming ‘Hebreeërs’, zij die van nature doorgaan en verder trekken. Zó komen de verstrooiden uit in Antiochië. Ver van huis, want Antiochië is in alles een tegenpool van Jeruzalem: mondain en modern, werelds, een commerciële metropool, smeltkroes van culturen en religies.1 Antiochië wordt al in 6,5 genoemd: één van ‘de zeven’ is afkomstig uit die stad.

Evangelisch zaaigoed

Dáár komen ze terecht, de ‘verstrooiden’ (Gr.: dia-speiroo). Het Griekse spora betekent ‘zaad’; denk aan ons inmiddels archaïsch geworden woord ‘spore’. Als uitgestrooiden komen ze in 11,26 samen (Gr.: sun-achtènai) in de kerk (Gr.: ekklèsiai, een plek van samenroeping) en worden dan voor het eerst christenen genoemd. Je zou bijna zeggen dat niet ‘het bloed der martelaren het zaad der kerk’ is, maar veeleer deze vluchtelingen van Joodsen bloede. Zaailingen zijn ze, zaaigoed. Maar dan lopen we op de zaken vooruit. Dan is er immers al een gemeente ontstaan, terwijl de vluchtelingen eerst tot niemand het woord (Gr.: ton logon) gericht hadden dan tot de eigen kring (11,19). Dat ton logon staat er quasi achteloos, maar het is wel duidelijk dat Lucas hier het ‘hoge Woord’ bedoelt, het bericht aangaande Jezus van Nazaret (vgl. LB 650:6). Daarover zwijgen ze tegenover buitenstaanders.

Heel anders handelen diegenen onder hen die uit Cyprus en Cyrene afkomstig zijn. Zij zijn kennelijk minder beschroomd en spreken wél met de hellenisten (er zijn handschriften die ‘Hellenen’ lezen), waaraan nadrukkelijk wordt toegevoegd dat ze ‘evangeliseerden’ over ‘de Heer Jezus’. Daar rust zegen op, in groten getale bekeren ze zich (voor ‘bekeren’ zie 3,19; 9,35; 14,15; 15,19; 26,20; 28,27): ‘de hand des Heren [was] met hen’ (zie voor een vergelijkbare lucaanse constructie Luc. 1,66, verder Hand. 4,28.30).

Deze logos (nu als ‘bericht’ vertaald in NBG51) komt de ecclesia van Jeruzalem al snel ter ore, waarop de in 4,36 al genoemde Barnabas (‘zoon der vertroosting’) naar Antiochië wordt gestuurd. De apostelen stuurden eerder in een vergelijkbare situatie de apostelen Petrus en Johannes naar Samaria, toen dat ‘het woord Gods had aanvaard’ (8,14). Hans Conzelmann meent dat wat Lucas betreft de apostelen niet naar het buitenland gaan; daar sturen ze ‘legaten’ heen.2 Zie ook Galaten 2,11, over de controverse tussen Petrus en Paulus; even daarvoor werden de taken verdeeld: Jacobus en Johannes kregen de besnedenen toebedeeld, Barnabas en Paulus de heidenen (Gal. 2,9).

Genade, vreugde, dankbaarheid

‘Aangekomen en ziende de genade van God’ verheugde Barnabas zich en riep hij de mensen op ‘bij de Heer te blijven’ (11,23; vgl. 13,43: ‘blijven bij de genade Gods’). Dat roepen (Gr.: parakaleoo) ligt al in zijn bijnaam ‘zoon der vertroosting (Gr.: paraklèseoos, 4,36) besloten.

Let op het woordspel van ‘genade’ (Gr.: charin) en ‘hij verheugde zich’ (Gr.: echarè). Het achterliggende Griekse werkwoord is chairoo (‘zich verheugen’). Er valt wel iets te zeggen voor ‘vreugde’ of ‘dankbaarheid’ als vertaling van charin: wat is er aardiger dan van de dankbaarheid Gods te spreken als ‘een groot aantal tot geloof kwam en zich tot de Heer bekeerde’ (11,21)? Reden tot vreugde lijkt me, niet alleen bij Barnabas, maar bij de Eeuwige zelf. Dat zou een mooie nuancering zijn van het strenge godsbeeld van een al te somber deel van de christenheid. Een vrolijke God!

Barnabas doet niet meer dan de mensen aansporen bij hun besluit te blijven: hij claimt in elk geval niet de auteur te zijn van een groot bekeringsoffensief. Hij is een ‘goed mens, vol van heilige Geest en vertrouwen’. Dat doet denken aan de omschrijving van Josef van Arimatea in Lucas 23,50, die ‘het Koninkrijk Gods verwachtte’. Zonder Barnabas’ toedoen werd een grote schare aan de Heer toegevoegd – door wie en hoe wordt niet toegelicht. Vergelijkbare formuleringen staan in 2,41 en 2,47: ‘er werden drieduizend zielen toegevoegd’ en ‘de Heer voegde dagelijks toe aan de kring’. Die bekering is dus nadrukkelijk het werk van hogerhand! Het gebeurt met ‘bijstand van de heilige Geest’ (9,31).

Op zoek naar Saulus

Zonder in- of aanleiding wordt vervolgens verteld dat Barnabas ‘uitging’ naar Tarsus ‘om Saulus te zoeken’. Uit hoofdstuk 9 weten we dat Saulus na zijn vlucht uit Damascus in Jeruzalem was terechtgekomen, waar Barnabas hem in contact bracht met de discipelen (9,27). Toen hij na ruzies met Griekssprekende Joden opnieuw bedreigd werd, werd hij door de ‘broeders’ naar Caesarea gebracht, vanwaar hij naar Tarsus vertrok (9,30). Barnabas wist dus waar hij Saulus zoeken moest, en ook dat Saulu iemand was die met grote vrijmoedigheid (Gr.: parrèsia) durfde te spreken en op te treden (9,28). Aan zo iemand was kennelijk behoefte. ‘En het geschiedde’ dat ze samenkwamen én dat ze voor het eerst ‘christenen’ genoemd werden. In Antiochië werden ze op die manier als aparte groep aangeduid, waarmee (onbedoeld?) gepreludeerd wordt op de eerste verwijdering tussen joden en christenen.

Deze exegese is opgesteld door Gerben Westra.

    1. Fik Meijer, Paulus. Een leven tussen Jeruzalem en Rome, Amsterdam: Athenaeum-Polak & Van Gennep, 2012, 85vv. ↩︎
    2. Hans Conzelmann, Heiden – Juden – Christen. Auseinandersetzungen in der Literatur der hellenistisch-römischen Zeit, BHTh 62; Tübingen: Mohr (Siebeck), 1981. ↩︎

    Wellicht ook interessant

    None

    Postma – Doen als Jezus

    Als medewerker van de zendingsorganisatie European Christian Mission bevind ik mij regelmatig in crossculturele kringen. Tussen de regels door vang ik weleens op hoe men over Nederlanders denkt. ‘Weet jij eigenlijk wel hoe de spoorlijnen in jullie land zijn ontstaan,’ vraagt een Britse collega mij. Ik schud mijn hoofd met een glimlach, omdat ik aan zijn pretoogjes zie dat hij hem nu gaat inkoppen. ‘Toen twee Nederlanders vochten om een stuiver.’ Ik sla terug met een leuke grap over Brexit.

    None

    Kooten – Echo’s van het goede nieuws

    Dit boek biedt een culturele, historische en literaire herwaardering van de evangeliën. We denken vaak aan de bijbelse wereld als een mysterieuze en sym­bolische wereld die losstaat van de werkelijkheid, maar dit boek probeert die bijbelse evangeliën in hun werkelijke context te plaatsen en laat ook hun blij­vende betekenis zien. Het is noch een inleiding, noch een compendium, noch een commentaar, maar een culturele en historische verkenning die lezers helpt te begrijpen waarom de auteurs van de evangeliën hun verslagen schreven, wat kenmerkend is aan elk van de evangeliën, en hoe ‘het evangelie’ – ‘het goede nieuws’ van Jezus – in elk van deze vier evangeliën doorklinkt.

    Nieuwe boeken