Menu

Premium

Filemon

Wie Filemon onder ogen krijgt, vraagt zich misschien af wat dit onooglijke briefje in de Bijbel doet. Het lijkt haast per ongeluk in het Nieuwe Testament verzeild geraakt. Het contrast met de andere brieven van Paulus is immers groot, zowel wat de lengte als wat de inhoud betreft. Amper vijfentwintig verzen lang, is het zelfs te kort om in hoofdstukken onder te verdelen. Bovendien laat de inhoud dat ook niet toe. Een kort persoonlijk briefje van Paulus aan Filemon, zo lijkt het. Maar misschien is deze indruk wel verkeerd.

In wat volgt wil ik dit briefje in eerste instantie op zijn eigen merites beoordelen. Overeenkomsten met de andere brieven, vooral wat de briefstructuur betreft, worden wel gesignaleerd, maar het accent zal toch vooral liggen op de interne dynamiek van de brief zelf om zo tot enig inzicht te komen in wat Paulus’ bedoeling zou kunnen zijn. We zullen hierbij vooral te rade gaan bij de antieke retorica, de kunst om een overtuigend betoog te houden. Zoals we zullen zien is dat precies wat Paulus hier beoogt.

Traditioneel wordt deze brief als volgt ingedeeld: de verzen 1-3 vormen de inleiding, de verzen 4-7 de dankzegging, de verzen 8-20 de kern van Paulus’ betoog en de verzen 21-25 het slot en de groeten. Deze indeling is vooral gebaseerd op de structuur van de overige brieven van Paulus. De indeling die ik hier zou willen voorstellen, ziet er lichtjes anders uit en in wat volgt zal ik ook aangeven waarom dat het geval is. Deze indeling maakt het vooral mogelijk om het retorisch gehalte van Paulus’ argumentatie beter in het vizier te krijgen. In wat volgt zullen we de diverse onderdelen ervan bekijken.

INLEIDING (VV. 1-3)

Zoals gebruikelijk voor een brief, maakt Paulus in de inleiding zijn identiteit bekend en worden de geadresseerden vermeld (vv. 1-2). Daarop volgt dan een zegenwens (v. 3). Als auteur(s) worden in vers 1 Paulus en Timoteüs genoemd. Beide malen wordt er een omschrijving aan hun naam toegevoegd. Van Paulus wordt gezegd dat hij ‘een gevangene van Christus Jezus’ is, terwijl Timoteüs ‘broeder’ wordt genoemd. Vervolgens worden de geadresseerden vermeld. Ook hun naam wordt van een kwalificatie voorzien. Als eerste wordt Filemon ‘onze geliefde medewerker’ vermeld, daarna Apfia die als ‘zuster’ wordt omschreven en vervolgens Archippus ‘onze strijdmakker’. Tot slot wordt ook ‘de gemeente bij u aan huis’ gegroet.

Structuur van de brief aan Filemon

1-3

Inleiding

1-2

Opschrift

3

Zegenwens

4-22

Pleidooi

4-7

Dankzegging en aanhef van het pleidooi

8-16

Kern van het pleidooi

17-22

Besluit van het pleidooi

23-25

Slot

23-24

Groeten

25

Zegenwens

Vaak wordt geopperd dat het hier om een concrete huisgemeente zou gaan. In dat geval wordt Apfia beschouwd als Filemons echtgenote en Archippus mogelijk als hun zoon. Deze visie lijkt mij echter om verschillende redenen niet erg waarschijnlijk. Dat Apfia de vrouw van Filemon zou zijn en Archippus hun zoon, blijkt nergens uit de tekst. Er zijn veeleer redenen om aan te nemen dat de vermelde personen gemeenteleden zijn en in die hoedanigheid ook door Paulus worden erkend.

De aanduiding ‘zuster’ correspondeert immers met die van ‘broeder’ die in vers 1 voor Timoteüs is gebruikt. Er is geen reden om aan te nemen dat de titel ‘zuster’ hier een andere draagwijdte zou hebben. Op dezelfde wijze wordt trouwens in Romeinen 16:1 ook Febe ‘zuster’ genoemd. Dat deze in de gemeente een rol speelt, blijkt uit het feit dat ze diaken van de gemeente te Kenchreeën is. Ook de titel ‘strijdmakker’ die Archippus krijgt, verwijst naar de rol die hij speelt in de christelijke verkondiging. Paulus gebruikt deze titel in Filippenzen ook voor Epafroditus (Filip. 2:25).

Verder ook nog worden opgemerkt dat het ‘u’ in ‘de gemeente bij u aan huis’ (v. 2) in het enkelvoud is gesteld en dus geen betrekking heeft op de drie genoemde personen, maar slechts op één van hen. Ook in wat volgt gebruikt Paulus het enkelvoud, waaruit blijkt dat hij zich in eerste instantie tot één van hen richt. Het ligt voor de hand aan te nemen dat hij daarbij Filemon op het oog heeft, omdat deze in het opschrift het eerst wordt vermeld. Het is dan ook het meest waarschijnlijk dat het om de huisgemeente van Filemon gaat en dat Apfia en Archippus vooraanstaande gemeenteleden zijn. Van deze drie personen is Archippus overigens de enige die ook in een andere brief van Paulus opduikt (zie Kol. 4:17).

Uit het voorgaande mag blijken dat het hier minder om een stuk private correspondentie tussen Paulus en Filemon gaat, zoals vaak wordt aangenomen, dan om een schrijven dat, alhoewel in eerste instantie aan Filemon gericht, toch ook de hele gemeente aangaat.

PLEIDOOI (VV. 4-22)

Paulus’ eigenlijke pleidooi beschouwd worden als een staaltje van deliberatieve retoriek. Een dergelijk betoog stelt zich tot doel de toehoorder of lezer te adviseren, door deze tot iets aan te sporen of iets af te raden. Wat de structuur betreft bestaat zo een pleidooi uit een aanhef die tot doel heeft de geadresseerde gunstig te stemmen door hem of haar te loven. In de daarop volgende kern van het betoog wordt vervolgens de eigenlijke argumentatie ontwikkeld, die daarna in het besluit wordt afgerond. Deze opbouw treffen we ook in het corpus van deze brief aan: de verzen 4-7 vormen de aanhef, de verzen 8-16 de kern en de verzen 17-22 het besluit van Paulus’ pleidooi.

Dankzegging en aanhef (vv. 4-7)

De verzen 4-7 hebben enerzijds het karakter van een dankzegging zoals we die ook in andere brieven van Paulus aantreffen (zie bijvoorbeeld I Kor. 1:4-9), maar anderzijds vormen ze ook reeds de aanhef van zijn betoog in de retorische zin van het woord. Zoals gebruikelijk in een dergelijke aanhef, zoekt Paulus in deze verzen Filemon gunstig te stemmen door hem te loven. De lof die hem toekomt, betreft meer concreet zijn liefde en trouw. Paulus geeft in vers 7 aan dat deze liefde ook voor hem zelf een bron van vreugde en troost is geweest, ‘omdat het hart van de heiligen door u is verkwikt’. De Griekse term splanchna die doorgaans met ‘hart’ wordt weergegeven, verwijst letterlijk naar de ‘ingewanden’ als zetel van de gevoelens. Het is een emotioneel geladen begrip dat ook in de kern van Paulus’ betoog (v. 12) en in het besluit (v. 20) terugkomt. Dat Paulus op die manier de kwaliteiten van Filemon beklemtoont is geen toeval. Ze zullen namelijk in het vervolg van zijn pleidooi een rol spelen.

Kern van Paulus’ pleidooi (vv. 8-16)

In de kern van zijn pleidooi ontwikkelt Paulus de argumentatie die zijn verzoek moet ondersteunen. Let wel, tot nu toe weet de lezer nog steeds niet waar Paulus op aanstuurt. Dat wil hij slechts geleidelijk ontvouwen. Paulus gaat namelijk diplomatiek en tactisch te werk. Opnieuw maakt hij hierbij gebruik van de regels van de kunst, door Filemon op zijn eigenlijke verzoek voor te bereiden. Hij doet dat door eerst te wijzen op zijn eigen privileges, maar er dan bewust van af te zien, met de bedoeling zo zijn verzoek kracht bij te zetten. Op grond van zijn autoriteit zou hij Filemon immers kunnen opdragen iets te doen (v. 8), maar hij geeft niettemin de voorkeur aan een verzoek (v. 9). Paulus verwijst hierbij naar zijn gevorderde leeftijd en opnieuw (zoals in v. 1) naar het feit dat hij omwille van Christus gevangen zit. Beide elementen moeten Filemon tot toegeeflijkheid aanzetten.

Het eigenlijke verzoek volgt dan in de verzen 10-12. Hier komt ook voor het eerst in deze brief de naam Onesimus voor. Hij wordt door Paulus in metaforische zin omschreven als het kind dat hij in zijn gevangenschap heeft verwekt (v. 10). Waarop Paulus zinspeelt, zal verderop blijken. Opvallend is dat hij hier voor de derde maal in nauwelijks tien verzen de aandacht vestigt op de concrete situatie van gevangenschap waarin hij zich bevindt. Nadat hij in vers 10 de naam Onesimus heeft laten vallen, voegt hij daar in vers 11 een woordspeling aan toe, die betrekking heeft op de betekenis ervan: hij die voor Filemon ‘nutteloos’ (a-chrestos) was, is nu ‘nuttig’ (eu-chrestos) geworden voor zowel Filemon als Paulus.

Vers 12 onthult uiteindelijk het initiatief van Paulus in deze: hij stuurt Onesimus terug naar Filemon, vermoedelijk met de brief. Hij voegt daar evenwel nog aan toe wat Onesimus voor hem betekent: ‘hem, dat wil zeggen mijn hart’. Opnieuw duikt hier de term splanchna op, waardoor de innigheid van Paulus’ emotionele band met Onesimus nog verder wordt beklemtoond. Het gevolg hiervan is dat Paulus op subtiele wijze zo ook de onderlinge verhoudingen herdefinieert. Onesimus, die wat zijn rol in het verleden betreft met Filemon in verband wordt gebracht en nu wordt teruggestuurd, is Paulus’ eigen kind en hart geworden, en dat zou ook gevolgen moeten hebben voor de manier waarop Filemon zich tot Onesimus verhoudt.

Maar, zo stelt Paulus vervolgens, niet alleen is Onesimus nuttiger geworden, hij stelt Filemon ook in de gelegenheid om een goede daad te stellen (vv. 12-14). In vers 12 maakt Paulus eerst zijn wens bekend, om vervolgens de vervulling ervan aan Filemon over te laten. Hij geeft eerst toe dat hij liever Onesimus bij zich had willen houden. Daardoor verschijnt hij zelf als iemand die afstand doen van wat hem lief is. Impliciet spoort hij zo Filemon aan om hetzelfde te doen. Voor de vierde maal verwijst Paulus naar de gevangenschap waarin hij verkeert ter wille van het evangelie. In deze (nood)situatie zou Onesimus hem namens Filemon van dienst kunnen zijn (v. 13). Maar, voegt hij eraan toe, hij wil Filemon niet tot goedheid dwingen, integendeel, deze moet zich spontaan kunnen uiten. Maar door Filemon zo aan te spreken op zijn goedheid, doet hij wel een beroep op een kwa liteit die hij in de inleiding op zijn brief heeft geroemd (vv. 5.7). Filemon zich bijgevolg nauwelijks aan deze wens van Paulus onttrekken zonder gezichtsverlies te lijden. De brief is immers niet alleen tot hem gericht.

In de verzen 15 en 16 voegt Paulus nog een theologisch motief aan zijn pleidooi toe. Hij zinspeelt op het feit dat het gebeurde (waarvan wij als lezer het fijne nog altijd niet weten) misschien wel een bedoeling heeft. De tijdelijke afwezigheid van Onesimus had misschien tot doel hem voor altijd terug te krijgen, zij het dan op een andere manier. In vers 16 wordt pas duidelijk hoe de situatie van Onesimus in elkaar zit: hij is een slaaf en als dusdanig eigendom van Filemon. De precieze toedracht van de feiten blijft voor ons evenwel onduidelijk. Dat Onesimus een weggelopen slaaf zou zijn, zoals in het verleden meestal werd verondersteld, blijkt nergens uit de tekst. Het is goed mogelijk dat hij door Filemon naar Paulus is gestuurd en daar vervolgens, misschien langer dan afgesproken, is gebleven.

Wat Paulus tot zover in deze brief heeft gedaan, is zij n terugkeer bemiddelen, maar daar blijft het niet bij. Hij wil Filemon ook tot andere inzichten brengen en dat blijkt met name uit vers 16. Tot dusver heeft Paulus vooral zijn eigen relatie met Onesimus beklemtoond en het zo voor Filemon praktisch onmogelijk gemaakt om zijn slaaf verder als ‘nutteloos’ te blijven beschouwen. Nu legt hij zich erop toe om Filemon een meer positieve kijk bij te brengen. Hij hoedt zich er voor de aanspraken van Filemon op Onesimus te ontkennen, maar wat hij suggereert liegt er niet om. Wat Filemon terugkrijgt is meer dan een slaaf, ‘een geliefde broeder, speciaal voor mij, hoeveel meer dan nog voor u, als mens en als christen’ (v. 16). Hier wordt nu ook duidelijk, waarop Paulus in vers 10 reeds zinspeelde, dat Onesimus bij zijn bezoek aan Paulus in de gevangenis christen is geworden. Dit verklaart waarom zijn statuut volgens Paulus nu anders is dan voorheen en waarom hij van Filemon bijgevolg een andere houding verwacht.

Besluit (vv. 17-22)

In de verzen 17-22 rondt Paulus zijn uiteenzetting af. Hij herformuleert zijn verzoek (v. 17), zet zijn betoog nog eens extra kracht bij (vv. 18-19), doet daarna een emotioneel beroep op Filemon (v. 20) en verzekert zich van zijn gunst (vv. 21-22). Paulus herinnert Filemon aan datgene wat ze met elkaar gemeen hebben (koinonia) en op grond daarvan verzoekt hij Filemon vervolgens Onesimus te ontvangen met dezelfde gastvrijheid als waarmee hij Paulus zou ontvangen (v. 17). In de daarop volgende verzen anticipeert èn weerlegt hij vervolgens een potentieel bezwaar, door te beloven Filemon eventuele schade of schuld door Onesimus berokkend te vergoeden. De conditioneel geformuleerde zin maakt duidelijk dat het hier slechts om een mogelijkheid gaat en geenszins om een vaststaand feit, zoals vaak is aangenomen. Dat Onesimus een dief zou zijn geweest, uit Paulus’ belofte niet worden opgemaakt. Paulus wil veeleer een mogelijk bezwaar voorkomen. Hij zet die belofte nog eens kracht bij door er eigenhandig aan toe te voegen dat hij zal betalen (v. 19). Maar daar laat hij het niet bij. Hij herinnert Filemon er nog eens fijntjes aan dat deze eigenlijk bij hem in het krijt staat: hij is Paulus geen geld, maar zichzelf schuldig. Tot slot maant hij Filemon met een kwinkslag nog eens rechtstreeks aan: ‘ja, broeder, laat mij in de Heer toch enig profijt van u hebben’ (v. 20). Het Griekse werkwoord oninèmi dat Paulus hier gebruikt, heeft namelijk dezelfde stam als de naam Onesimus. Hij vraagt Filemon als het ware voor hem een Onesimus te zijn en zijn hart te verkwikken. Daarmee herinnert Paulus Filemon aan wat hij voor de heiligen betekent. Dezelfde uitdrukking ‘het hart verkwikken’ komt ook al in vers 7 voor en ook daar spreekt Paulus hem rechtstreeks aan met ‘broeder’. Op deze wijze resoneert de inleiding mee in het besluit van zijn pleidooi. Tot slot rondt hij zijn betoog af door zijn vertrouwen in Filemon te bevestigen (v. 21) en de hoop uit te drukken spoedig zijn gast te kunnen zijn (v. 22).

Slot (vv. 23-25)

Het slot van de brief beantwoordt in zekere zin aan het begin ervan voor zover Paulus hier opnieuw een aantal personen vermeldt, maar deze keer gaat het om mensen van wie hij de groeten overbrengt. Daarna sluit hij zijn brief af met een zegenwens die overeenkomsten vertoont met de zegenwens in vers 3, aan het eind van de inleiding op zijn brief. De namen in vers 23 komen ook voor in het slot van de (vermoedelijk latere) Kolossenzenbrief (4:1014). In dezelfde context treffen we overigens ook de naam Onesimus aan. In Kolossenzen 4:9 wordt hij ‘onze trouwe en geliefde broeder’ en ‘een van uw mensen’ genoemd. Op grond daarvan wordt doorgaans aangenomen dat Onesimus, evenals de in het opschrift genoemde Archippus, uit Kolosse afkomstig was en zich daar ook de gemeente bevond tot wie Paulus zich in deze brief richt.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken