Menu

Premium

Gebed voor de achterblijvers

Alternatief bij 7de van Pasen (Johannes 17,1-13 en Handelingen 20,16-18.28-36)

Bijbelwetenschappen

Hemelvaartsdag is één en al jubel om de troonsbestijging van onze Heer Jezus Christus. Pinksteren is uitbundige blijdschap in de Heilige Geest. Maar de zondag daartussen heeft als Latijnse naam Exaudi: ‘verhoor toch!’ Zeker met de orthodoxe lezingen dringt het opeens tot ons door: we moeten het voortaan stellen zonder Jezus’ geruststellende aanblik. We blijven in deze wereld achter. Met het oog daarop heeft Jezus gebeden: ‘Heilige Vader, bewaar hen door uw naam.’

Paulus heeft in Efeze langer gewerkt dan in welke andere stad ook: drie jaar (Hand. 20,31). Hij is nu op weg naar Jeruzalem om daar Pinksteren te vieren. Tijd om Efeze aan te doen is er niet, dus komen de oudsten naar hem toe in het nabijgelegen Milete. Uitgebreid roept Paulus zijn werkzaamheid in herinnering (20,18-21. 27.31.33-35). Hij kent niet de valse bescheidenheid die hem ervan zou weerhouden om zichzelf tot voorbeeld te stellen. Ook kondigt Paulus aan dat dit de laatste keer is dat ze hem zullen zien (20,22- 25.38). Helaas valt dat net buiten de perikoop, evenals het ontroerende detail van de mensen die hem huilend om de hals vallen voor ze hem uitgeleide doen naar het schip (vs. 37).

De wolven komen

Maar vooral heeft Paulus een opdracht voor de oudsten: ‘Zorg voor uzelf en voor de hele kudde waarover de heilige Geest u als leiders heeft aangesteld’ (vs. 28). Immers, er zullen ‘woeste wolven’ binnendringen, nota bene mensen ‘uit uw eigen kring’ (vs. 29-30). We kennen de wolf uit Johannes 10,12, waarvoor de huurling op de vlucht gaat. Zo laf moeten de leiders van de kerk van Efeze niet zijn. Ze moeten waakzaam zijn (vs. 31).

Onder wolven zijn vanouds dwaalleraren verstaan, mensen die allerlei moois en interessants zeggen, maar ondertussen cruciale onderdelen van het geloof schrappen. Zo begint de kerk uiteen te vallen; het middelpunt valt weg. Paulus heeft het vaak aan de stok gehad met mensen die de kerk wilden ‘verjoodsen’. Het radicaal doorslaggevende van Jezus Christus wordt dan verdonkeremaand. Later kwam de gnostiek: Jezus is in een schijnlichaam verschenen; aardse materie past immers niet bij God. Daarna kwam Arius (256-336): Jezus is het hoogste schepsel, maar is niet God. De kerk heeft daar tegenover gezet: Jezus is waarlijk God en waarlijk mens. Hij verbindt hemel en aarde. Zijn komst luidt het ‘laatste der dagen’ in. Deze belijdenis is het waard om voor te strijden. Bij alle nadruk op respect en dialoog zou je het haast vergeten: kerkleiders zijn ervoor verantwoordelijk dat ze de hele waarheid over God onvervalst doorgeven.

Tot slot gaat Paulus in gebed (vs. 36). Wat hij zei vernemen we niet. Wel wat Jezus sprak toen Hij in gebed ging.

In de wereld

Komt het gevaar bij Paulus vooral van de wolven ‘uit eigen kring’, in Johannes 17 is het gevaar ‘de wereld’ waarin Jezus zijn leerlingen achterlaat. De wereld is het voorwerp van Gods liefde:‘Want God had de wereld zo lief…’ (Joh. 3,16). Maar deze liefde betekent geen onvoorwaardelijke acceptatie van de wereld. Eerder is het een aanbod aan wereldlingen om kinderen van God te worden. De kinderen Gods worden ‘uit de wereld’ aanJezus gegeven (17,6). De wereld als zodanig blijft machtsgebied van de ‘heerser van deze wereld’ (12,31). Gods kinderen worden daaruit geroepen. ‘De wereld haat hen, omdat ze niet bij de wereld horen’ (17,14).

Voor de jaren ’60 wist vrijwel elke christen: de wereld hoort thuis in het rijtje met de drie doodsvijanden, namelijk de duivel, de wereld en het vlees. De wereld is gevaarlijk terrein. Vanaf de jaren ’60 is deze visie verlaten. De kerk trad de wereld voortaan aanvaardend tegemoet, in de hoop die te ontwapenen. Het is valse hoop gebleken. De kerk is gedecimeerd, werelds geworden, het geloof is verdampt, de overdracht van generatie op generatie is gestokt. De wereld daarentegen is geen cent religieuzer geworden, ook al zijn er slaapwandelaars die mompelen van wel. Het is tijd om ons begrip ‘wereld’ opnieuw te ijken aan het spraakgebruik van de heilige Schrift. Wie heeft nog niet door dat deze wereld met zijn drukte, alomtegenwoordige media, porno, koopprikkels, ideologie, amusement en hysterie het geloof verstikt?

Jezus bidt niet voor niets voor de achterblijvers. ‘Ik ben al niet meer in de wereld, Ik ga naar U toe, maar zij blijven wel in de wereld. Heilige Vader, bewaar hen door uw naam’ (vs. 11). Bewaring betekent: niet verdwijnen in ongeloof, moedeloosheid, wereldsgezindheid en onverschilligheid, maar bij ‘Gods gemeente’ blijven (Hand. 20,28). Jezus’ gebed moet ons eigen gebed worden: Vader, bewaar ons bij U. We willen leven naar Gods wil, niet volgens de onbewuste dwangpatronen van deze tijd.

Soms voelt het als vechten tegen de bierkaai. Menig ouder voelt zich machteloos en ontmoedigd. We redden het als kerk niet. Maar heeft Jezus in de voorgaande hoofdstukken (14–16) niet steeds gesproken over de parakleet, de almachtige Helper? Als we onszelf onvoorwaardelijk aan deze Helper toevertrouwen, blijven we onszelf midden in deze vijandige wereld. Sterker nog, de wereld komt zelf in het defensief. We zullen butsen en teleurstellingen oplopen. Maar we zullen als kinderen van God bewaard blijven door de Naam waarin we gedoopt zijn: Vader, Zoon en Heilige Geest, HIJ DIE IS.

Vervuld van vreugde

Dat is meteen de bron van de vreugde waarmee de evangelielezing eindigt (17,13). De vreugde heeft een bovennatuurlijke bron en is onafhankelijk van elke omstandigheid. Het is een weten dat je deelt in het eeuwige leven van God drie-enig. Wat deze wereld ook aan comfort en genot te bieden heeft, de vreugde kent ze niet. Want alle vrolijke kleuren staan op een donker doek: men is uiteindelijk zonder God en zonder hoop in de wereld. De vreugde daarentegen is het watermerk van Gods kinderen.

Deze exegese is opgesteld door Wouter van Voorst.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken