Geestelijke lichamelijkheid
Bij 1 Korintiërs 15,39-44
Het is wel apart om op de veertigste Paasdag, gevierd als Hemelvaart van de Heer, dit gedeelte uit de brief van Paulus te lezen. Immers, Paulus kende de traditie van de veertig dagen niet. Voor hem waren dood, opstanding en verhoging/verheerlijking van Jezus Christus één en dezelfde beweging. De tekst uit Handelingen 1,1-11 is na-paulinisch. Bij Paulus lezen wij er niets over dat Jezus na zijn dood en opstanding nog eens veertig dagen rondgelopen heeft om zijn leerlingen te onderwijzen over al wat het Koninkrijk van God betreft.
Paulus spreekt in ons gedeelte over de glans van de hemelse lichamen, die anders is dan die van de aardse lichamen. Glans (Gr.: doxa) is het woord dat hij hier kiest om de eigen aard van de hemelse lichamen aan te duiden. In dit tekstgedeelte gaat hij verder met zijn beeld over de korrel (zie de lezing van zondag 5 mei). Zoals gezegd is elke korrel anders en volgt uit elke korrel een ander lichaam. Wij zijn allemaal verschillend; wij zijn allemaal een andere gestalte van een korrel. Ons lichaam is een aards lichaam. En ons hele leven is een prachtig, maar soms ook moeilijk groeiproces, waar moed en doorzettingsvermogen voor nodig is.
Gods goedheid in ons gezaaid
Paulus speelt hier met het symbool dat hij gebruikt. Wij zijn zelf een korrel, maar in ons, als mensen, wordt ook gedurende ons hele leven gezaaid. Niet alleen is het leven als die korrel die uitgroeit tot zijn uiteindelijke lichaam; ook het lichaam is als de aarde waarin gezaaid wordt: ‘het zaad der goedheid Gods’ (Gezang 223, LB). In de korrels die tot wasdom komen drukt ons leven zich uit. Hierin verkrijgen wij onze glans in het leven. Soms is die glans des te zichtbaarder wanneer het opstaan uit een moeilijke periode betreft.
Gezaaid in zwakheid (15,43): is het niet zo dat zij die zwak zijn (lees: kwetsbaar) onrecht scherper aanvoelen dan zij bij wie het leven gewoon wel veilig reilt en zeilt? Gezaaid in zwakheid, opgewekt in kracht: doodsbenauwd zijn en toch doen. Opgewekt worden is je gedragen weten en vanuit die wetenschap opstaan.
Gezaaid in oneer (15,42): Paulus zelf was eerst een vurig vervolger, niet iets waar hij zich eervol op wil beroepen. Om die reden noemt hij zichzelf de geringste van de apostelen (1 Kor. 15:9). Gezaaid in oneer, opgewekt in heerlijkheid: opstaan, over je eigen hachje heen, gaan staan voor iets wat groter is dan jij.
Een geestelijk lichaam opgewekt uit het natuurlijke
In het leven wordt een natuurlijk lichaam gezaaid. Met dit vergankelijke lichaam leven wij ons leven, staan wij op en stellen wij onze daden. De betekenis die uit en boven deze daden uitstijgt, is het geestelijke lichaam, geeft ons onze glans van het Koninkrijk van God.
Zodra wij die glans, die betekenis als een product van onze eigen daden beschouwen, ontnemen we het zijn glans. Zij is vrucht van Gods Geest. Het geestelijke lichaam heeft een andere kwaliteit, het is niet hetzelfde vlees en bloed, want ‘vlees en bloed kunnen het Koninkrijk van God niet beërven’ (15,50).
De uitdrukking ‘geestelijk lichaam’ ervaren wij als een contradictio in terminis. Over dit geestelijke lichaam zegt Henk Jan de Jonge: ‘Voor Paulus ligt hier geen tegenstelling. Hij stelde zich Jezus’ opstanding in de hemelen als lichamelijk voor, maar die lichamelijkheid is van geestelijke aard. Het hemelse lichaam moet hij zich voorgesteld hebben als van heel fijne, lichte en lichtgevende materie.’[1]
In de doop verrezen
Deze voorstelling zullen hedendaagse mensen niet gemakkelijk kunnen overnemen. Dat is ook niet nodig. Elders, bijvoorbeeld in Romeinen 6, ontwikkelt Paulus een gedachtegang waar wij vermoedelijk gemakkelijker aansluiting bij kunnen vinden: de gedoopte gemeente als het verheerlijkte lichaam van de opgestane Heer. Bij het doopvont in de Paasnacht wordt terecht geroepen: ‘De Heer is waarlijk opgestaan!’ Dit doopvont is het open graf. De dopeling wordt met Christus bekleed. Zo ontvangt Christus een nieuwe lichamelijkheid. In en door de doop wordt midden in onze wereld steeds opnieuw de opstanding van Christus beleden, en zo wordt betuigd en beleefd dat God niet laat varen het werk van zijn handen.
Zoals Huub Oosterhuis verwoordde in Gezang 347 (LB):
Geroepen en verzameld
uit dood en slavernij,
gedoopt in wolk en water, –
dat volk van God zijn wij.
Wij werden nieuw geboren,
toen de mens Jezus kwam,
die als een slaaf de zonde
der wereld op zich nam.
Met Hem in geest en water
tot zoon van God gewijd,
zijn wij met Hem begraven,
verrezen voor altijd.