Menu

Premium

Gelaat (aangezicht, gezicht)

In het lied ‘Delf mijn gezicht op’ met het prachtige refrein Delf mijn gezicht op,maak mij mooi, brengt Huub Oosterhuis het verlangen naar ontmaskering onder woorden.

Vanwaar dit verlangen? Wel,

Wie ontmaskerd wordt wordt gevonden
en zal zichzelf opnieuw verstaan,
en leven bloot en onomwonden
aan niets en niemand meer ten prooi (in: Aandachtig Liedboek, Baarn 1983).

De dichter ziet achter het gezicht een ander gezicht, het ware: jij zoals je bent gegeven en bedoeld. Het menselijk gezicht in zijn ware gedaante drukt het ik uit, maar soms zit dat ik diep verscholen. Zou dat het onderscheid zijn tussen gelaat en gezicht, dat het gelaat vooral uitdrukking is van binnenkant, terwijl het gezicht meer aan de buitenkant blijft? We zullen dadelijk zien dat het gelaat in de bijbelse verhalen niet alleen frequent voorkomt, maar ook van grote invloed is op de theologie en geloofsbeleving van Israël en de gemeente.

Grondtekst

Niet minder dan ruim 2100x verschijnt paniem in het Oude Testament, een van de meest voorkomende woorden. Ruwweg kunnen we onderscheiden tussen paniem als zelfstandig naamwoord en als onderdeel van een voorzetselconstructie. In de eerste betekenis komt het ongeveer 400x voor; om en nabij de helft daarvan doelt op het gelaat van de mens (Gen. 9:23; Jes. 38:2) of het dier (Ez. 1:10; 10:14), de andere helft betreft het gelaat van God/de Heer (Deut. 31:17; Jes. 63:9). Het komt nogal eens voor dat paniem als zelfstandig naamwoord onvoldoende tot uiting komt in vertalingen. Dat is jammer, omdat het aspect van het ‘gelaat’ in een betreffende perikoop van gewicht kan zijn. Neem bijvoorbeeld Deuteronomium 4:37 waar staat: ‘Hij zelf heeft u met zijn grote kracht uit Egypte geleid’ (NBG-1951); ‘hij heeft jullie zelf.’ (Groot Nieuws); ‘Hij heeft u in eigen persoon.’ (Willibrord). De Statenvertaling, Oussoren in zijn Tora-vertaling en Buber hebben respectievelijk’Hij heeft u voor Zijn aangezicht.’, ‘hij leidt je met zijn aanschijn…’ en ‘führte dich mit seinem Antlitz.’. Nog vijfmaal treffen we in dit hoofdstukpaniem aan (vs. 8,10,32,38,44). Voor het geheel is het beter het steeds met ‘gelaat’ te vertalen (uitgezonderd misschien vs. 32, voorzetsel). Onze voorkeur gaat ernaar uit het zelfstandige naamwoord overwegend met ‘gelaat’ (‘gezicht, aangezicht’) te vertalen. De context bepaalt de nuance, zoals ‘persoon’ (Ps. 17:13; Spr. 6:15), ‘voorkant’ van iets (Ez. 41:14; Joël 2:20), ‘oppervlakte’ (Gen. 2:6; Ps. 104:30). Ook ‘appajim, letterlijk ‘omgeving van de neus’, duidt wel het gelaat aan; van de mens (Gen. 3:19), van de aarde (Gen. 19:1), van God (Klaagl. 3:43). Tweemaal vinden we het Aramese ‘anaf, ‘gelaat, aangezicht’, hier van Nebukadnessar (Dan. 2:16; 3:19).

Het nieuwtestamentische equivalent van paniem is prosoopon (76x, waarvan 12x in 2 Kor.): ‘aangezicht, gelaat’, met de nuances ‘oppervlakte’ (Luc. 21:35) en ‘aanzien’ (Mat. 16:3).

Letterlijk en concreet

Het gelaat met zijn ogen, voorhoofd, mond en neus is het sprekendste en meest in het oog springende lichaamsdeel van de mens. Zonder iets te zeggen, spreekt de persoon door zijn gelaat. De gelaatsuitdrukking bepaalt in hoge mate de communicatie tussen mensen. Doorgaans is de eerste stap in de communicatie het moment waarop de partners elkaar aanzien. Het verbaast ons daarom niet dat het gelaat zeer frequent in de bijbel is te vinden. Het aangezicht komt begrijpelijkerwijs bijna steeds in een relationele context voor. Aan de gezichtsuitdrukking ontwaart de bijbelse mens – en niet alleen hij – de gemoedstoestand van die persoon. Het gelaat kan getekend zijn door vrolijkheid (Spr. 15:13), voorspoed (16:15), een overrompelende ervaring (Ex. 34:29), schaamte (Ps. 44:16), verdriet (1 Sam. 1:18; Job 9:27) en angst (Op. 6:16). Wat er van binnen leeft, tekent zich min of meer af op het gelaat. Van daaruit is het begrijpelijk dat dit lichaamsdeel zo vaak deel uitmaakt van beeldspraak en symboliek.

Beeldspraak en symboliek

a.De bijbel bevat tal van verhalen en gedichten waarin die diepe betekenis van het gelaat – buitenkant weerspiegelt binnenkant – naar voren komt. Niet alleen bepaalt het gelaat zulke teksten, door de plaats die het gelaat in een perikoop inneemt wordt het woord zelf ook weer nader gekleurd. In het gelaat tekent zich vaak een diepere werkelijkheid af. Veelal hangt die diepe werkelijkheid samen met de werkelijkheid van Gods gelaat. Het voert te ver om al die teksten te bespreken. In dit verband willen we erop wijzen dat het de lezer kan verrijken om het woord in de totale context te zien. We noemen een paar voorbeelden waar dit speelt: Genesis 32-33; Exodus 33-34; Numeri 6:22-27; 32; Deuteronomium 4; 1 Samuël 1:12-22; Psalm 42-43; 68; 102 ; Matteüs 17:1-13. Op sommige van deze teksten komen we nog terug.

b.Kan de mens Gods gelaat zien? Laat God zijn gelaat aanschouwen door zijn schepselen? Deze vragen doemen telkens op. Van Mozes wordt verteld dat hij met God sprak van gelaat tot gelaat (Ex. 33:11). Even later horen we de Heer tot Mozes zeggen, dat de mens Gods gelaat niet kan zien, ‘want geen mens kan Mij zien en leven’ (vs. 20). Ligt daarin geen tegenstelling? Het zal duidelijk zijn dat we hier niet met letterlijk zien van doen hebben. Dit spreken over de ontmoeting tussen God en mens zit vol symboliek, zonder dat we daar volledig zicht op hebben. Het blijft met geheimenis omgeven symboliek. Van gelaat tot gelaat spreken wil zeggen dat hier een ontmoeting plaatsvindt tussen partners die diep met elkaar zijn verbonden, die om elkaar geven en aan elkaar gehecht zijn. God wendt zijn gelaat tot Mozes (33:14-15), dat is: Hij wendt zich in tederheid en genade tot hem. Het is de bewogen kant van God die de mens ruimte geeft om op weg te gaan en te leven. Zonder het zich toewenden van de Eeuwige bestaat er geen ‘verder’. Niet dat Hij zich volledig onthult. Hij geeft alleen het deel van zijn wezen prijs dat nodig is om Mozes en zijn volk in beweging te zetten en tot bevrijding te brengen. Meer hebben zij niet nodig, meer kunnen zij niet aan. In het toegewende gelaat opent zich het geheim dat – hoe vreemd! – tegelijkertijd geheim blijft. Voor dit geheim bestaan onvoldoende woorden en beelden. De enige helderheid is dat de mens ontwaart, wat God met hem en de wereld wil. Mozes’ gelaat straalt na het aanschouwen van Gods gelaat dat zich tot hem wendt. Voor het volk valt dat niet te vatten. Het stralende gelaat zou hen in verwarring kunnen brengen; daarom verhult hij het (Ex. 34:29-35). Dit verhaal haalt Paulus aan in zijn brief aan de gemeente van Korinte. Moest Mozes zijn gelaat bedekken voor de Israëlieten omdat de glans te fel was en was die heerlijkheid van tijdelijke aard, de volgelingen van Christus mogen met onbedekt gelaat de glans van God aanschouwen. Althans, een aanschouwen als een kijken in een spiegel. De aanschouwer wordt getransformeerd naar hetzelfde beeld van lichtglans tot lichtglans naar de Geest van Christus (2 Kor. 3:12-18). Zie ook ‘sluier’, B-f.

c.De ontmoeting tussen de broers Jakob en Esau trilt van spanning en is vol ontroering (Gen 32-33). Jaren geleden zijn de twee uit elkaar gegaan; twee mensen, twee volken – vervreemd van elkaar. Weldra zullen hun wegen elkaar kruisen. Jakob is bang voor dat moment. Hij weet maar al te goed wat hij zijn broer indertijd heeft aangedaan. De auteur verhaalt: ‘Jakob zei bij zichzelf: Laat ik zijn gelaat bedekken met het geschenk dat voor mijn gelaat uit gaat. Daarna zal ik zijn gelaat zien. Misschien verheft hij mijn gelaat. Zo trok het geschenk aan zijn gelaat voorbij. (Gen 32:20-21). Vijfmaal verschijnt het woord gelaat, met verschillende facetten: het gelaat bedekken is metafoor voor verzoening teweegbrengen; het gelaat van de ander willen zien, is metafoor voor de hoop op de goedgunstigheid van de ander; het gelaat van iemand verheffen geldt als een metafoor voor het aanvaarden van die persoon, het schenken van vergeving. Het zijn facetten die elders in de bijbel meer dan eens zijn te vinden. Hiermee is echter het verhaal van de ontmoeting nog niet afgelopen. Op de grens van het beloofde land vindt er een hevige strijd plaats tussen Jakob en een onbekende man. Aan het slot van de nachtelijke strijd belijdt Jakob dat hij God heeft gezien van gelaat tot gelaat (Gen. 32:30). Jakob heeft God gezien en is in leven gebleven. God heeft hem gezien, bewaard, aanvaard. Het betreft hier geen zintuiglijk zien, maar een innerlijke ervaring van de goddelijke aanwezigheid in de man tegenover hem.

Deze ervaring vormt de brug naar de ontmoeting met zijn broer. De reactie van Esau bij het zien van Jakobs gelaat is vergelijkbaar met de reactie van God bij het zien van Jakobs gelaat, en andersom: de ervaring van Jakob bij het zien van Gods gelaat wordt weerspiegeld in zijn ervaring met het zien van Esau’s gelaat (Gen. 32:10 en 33:10). Ook Esau straalt goedheid uit. Jakobs leven is gered; hij mag opnieuw het beloofde land ingaan.

d.In de ballingschap, weg van huis en haard, van tempel en cultus, klinkt bij herhaling het verlangen naar het zien van Gods gelaat. De dichters verwoorden dat sterk: Wanneer zal ik voor Gods gelaat verschijnen (Ps. 42-43)? Waarom verbergt Gij uw gelaat voor mij (88:15)? Met het beeld van het gelaat dat zij willen zien, drukken zij hun verlangen uit naar Jeruzalems heiligdom – Gods liefde en genade -dat via de liturgie tot de mensenkinderen komt. Gods verhulde of verborgen gelaat symboliseert de afwezigheid van heil en vrede (Ps. 13:2). De sfeer van de ballingschap treffen we eveneens aan in het bekende verhaal van Kaïn en Abel in Genesis 4. Vijfmaal horen we het woord gelaat. Als Kaïn merkt dat de Heer zijn blik – Gods actieve gelaat – wel op het offer van zijn broer en niet op dat van hem richt, wordt hij woedend en betrekt zijn gelaat (vs. 3-4). Letterlijk staat er dat Kaïn zijn gelaat laat vallen. Wie zijn gelaat laat vallen, geeft te kennen de ander niet te willen ontmoeten; hij wil degene tegenover hemniet aanzien. In wezen bestaat die niet meer, is deze persoon tegenover hem dood. De stap van figuurlijke dood naar letterlijke dood is maar klein. De vervreemding van zijn broer leidt ook tot Kaïns vervreemding van de aarde en zijn vervreemding van God (vs. 14: gelaat van de aarde, gelaat van God; vgl. Sef. 1:2-3). Deze drie – mens, aarde, God – staan in een innige relatie. Waar deze relatie wordt verstoord, ontstaat ontheemding. Kaïn gaat dan ook als zwerver en vreemdeling zijn weg verder. Kaïn verwordt tot balling.

e.Voor Gods gelaat treden is symbolisch God zien. Dit zegt heel veel over de eigenheid van Israëls godsdienst. Te midden van volkeren die tastbare goden aanbidden en letterlijk hun gelaat kunnen aanschouwen, is het eigene van Israël om Gods gelaat in ‘verbeelding’ te zien. Soms komt het volk in de verleiding om concrete beelden te scheppen om die letterlijk te kunnen aanschouwen. Het is een subjectief aanschouwen, wat niet toelaat dat hetgeen aanschouwd is als normatief voor anderen wordt getypeerd.

f.Gods gelaat kan als een stralend licht de mens genadig treffen. Het duidt de ervaring van de aanvaarding door God. Vrede en heil is dan het deel van degenen over wie Hij zijn gelaat verheft (Num. 6:25-26). Het gelaat van de Eeuwige kan de mens echter negatief treffen. In dat geval keert zijn gelaat zich tegen de mens. We zagen al dat het gelaat de spiegel is van iemands gevoel en aard. Welnu, Gods gelaat kan vervuld zijn van boosheid. Deze boosheid komt uit zijn binnenste en is veroorzaakt door het kwaad dat mensen doen. God verdraagt geen onrecht en goddeloosheid. Zij zullen struikelen en vergaan door dit gelaat (Ps. 9:4; 34:17). Petrus onderstreept de noodzaak om het goede te doen en het kwade te weren door het laatste psalmvers te citeren (1 Petr. 3:12). Ook de gemeente van Tessalonica krijgt deze boodschap voorgehouden: de onderdrukkers en zij die zich niet aan het evangelie houden zullen voor Gods gelaat geen stand houden; een woord dat beoogt mensen kritisch te laten nadenken over de keuzes die mensen maken (2 Tess. 1:9). Hoe angstaanjagend Gods gelaat is als reactie op onmenselijkheid, vertelt Johannes in zijn visioen: de geweldenaars zijn liever dood dan dat zij voor Gods gelaat moeten treden (Op. 6:16).

g.Het verlichte gelaat bij mensen symboliseert de aanraking door God èn legitimeert hetgeen de aangeraakte uitdraagt. Met de aanraking gaat een openbaring gepaard en daar vloeit een opdracht uit voort. De glans is een teken van Gods aanwezigheid in deze mens. We zagen daarnet al het gelaat van Mozes en de christenen in Korinte. We noemen verder Stefanus bij zijn verhoor door het Sanhedrin (Hand. 6:15), Jezus bij de verheerlijking op de berg (Mat. 17:2) en de engel in Johannes’ visioen (Op. 10:1). Hun gelaat is verlicht, Gods licht is op hen overgegaan. Over engelen gesproken: Jezus houdt een warm pleidooi om kinderen en allen die klein zijn – armen, verdrukten – hoog te houden (Mat. 18:1-11). Zij staan hoog aangeschreven bij God. De engelen van deze kleinen zien voortdurend het gelaat van God, dat wil zeggen, hun vertegenwoordigers staan in nauwe relatie met God (vs. 10).

h.Wanneer de bijbelschrijvers willen beschrijven dat mensen contact met elkaar hebben, dan spreken zij van het zien van elkaars gelaat. Het gelaat staat voor ontmoeting en onderlinge aanwezigheid. Soms valt het gelaat samen met de persoon achter het gelaat. Zie onder meer in Handelingen 20:25,38 en Galaten 1:22. Hetzelfde geldt voor de relatie tussen God en mens. Wie verlangt naar het zien van Gods gelaat, verlangt naar een ontmoeting met Hem in het aardse heiligdom (Jes. 1:12; Ps. 95:2). Christus verschijnt niet in een aards maar in een hemels heiligdom voor het gelaat van God (Hebr. 9:24), alwaar Hij de namen van mensenkinderen met zijn Vader verbindt. Ook is er in de bijbel een eschatologische lijn: eens zullen wij zien van gelaat tot gelaat. Er komt een dag dat de relatie tussen God en mens volmaakt zal zijn (1 Kor. 13:12; Op. 22:4).

i.Telkens zien we in de bijbel dat iemand zich met het gelaat ter aarde buigt of zich op zijn gelaat werpt. Met dit gebaar drukt het subject zijn ontzag en eerbied uit voor degene die voor hem of haar staat of zit. Soms gaat de ter aarde werping gepaard met vrees. De mindere brengt zijn gelaat naar de aarde voor de meerdere. Lot buigt voor de engelen (Gen. 19:1); Jakobs zonen voor hun broer Jozef (42:6); David voor koning Saul (1 Sam. 24:9); de koningen der aarde voor het uit de ballingschap teruggekeerde Israël (Jes. 49:23); de melaatse voor Jezus (Mat. 5:12; 17:16); Jezus voor zijn hemelse Vader, net voor zijn stervensuur (26:39); de vrouwen bij het zienvan de lichtende gestalten bij het graf (Luc. 24:5); allen die rondom de troon van God zijn verzameld (Op. 7:11). Uit al die voorbeelden spreekt vooral de overgave van de buigende voor de meerdere; veelal vloeit er voor de mindere bevrijding uit voort.

Praxis

a.Liederen:

Liedboek: Psalm 17; 18; 27; 31; 38; 42-43; 44; 80; 85; 119: 40, 51, 54; 130; 139; Gezang 12; 25; 93; 153; 167; 327; 372; 378; 430; 437; 447; 456; Bijbel III: 86; Evangelie I: 12; Liturgie: 426; Zingend III: 54; V: 2; 5; VI: 13; 55; 85; 86; 88; 89; 109.

b.Poëzie:

Gerrit Achterberg, Verzamelde gedichten, Amsterdam 19848, blz. 325: ‘Gelaat’. Hans Bouma, Mijn God, Kampen 1977, blz. 17: ‘Het gewoonste. Hans Bouma, Mens in weer en wind, Kampen 1998, blz. 83: ‘En schrijf’. Jan Willem Schulte Nordholt, Verzamelde gedichten, Baarn 19962, blz. 220-222: ‘Gedaanten van Jezus’. M. Vasalis, Gedichten, Amsterdam 1997, blz. 84: ‘Je gezicht.’.

c.Verwerking:

Het bijbelse woord gelaat laat zich kleurrijk inleiden door het bezichtigen van schilderijen. In menig portret spréékt het gelaat. De schets van het gezicht van een persoon laat zien wie deze persoon is. Op nog een andere manier kunnen we het gelaat ter sprake brengen, namelijk door de bekende zegenspreuk uit Numeri 6:2227. Deze spreuk wordt vaak aan het slot van kerkdiensten uitgesproken. Wat betekent deze zegen voor mensen? Welke rol speelt daarin het gelaat van God? Wat ervaren wij daarbij? Tot slot noemen we enkele thema’s die het woord gelaat oproept: aanraking en aanvaarding, genade en goedheid, eerbied en ontzag, roeping en overgave, ballingschap en verlangen.

Verwijzing

Het gelaat maakt deel uit van de omgeving van de voorzijde van het hoofd. Het heeft dan ook raakvlakken met ‘hoofd‘, ‘voorhoofd‘, ‘neus‘ en ‘oog‘.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken