Menu

Premium

Gelijk hebben en liefde

Bij 1 Korintiërs 8

Geloof betekent niet voor iedereen hetzelfde. De een zal benadrukken dat hij door tot geloof te komen, ontsnapt is aan allerlei bedreigende machten die vat op hem wilden krijgen. De ander viert het door het geloof gewonnen inzicht dat er naast de ene God geen andere goddelijke realiteit bestaat. Terwijl deze volmondig andere uitingsvormen van religiositeit als abracadabra afdoet, vreest gene hun vermogen om hem van het geloof te doen afvallen. Beide ‘geloofstypes’ – en nog veel meer – maken deel uit van hetzelfde lichaam van Christus.

Sociale organisatievormen zoals families of collegia (een soort gilden of genootschappen) kwamen voor maaltijden in tempels bij elkaar. De god van de tempel werd uitgenodigd om aan de maaltijd deel te nemen; hij was zowel gast als gastheer. Dergelijke maaltijden hoorden bij het alledaagse leven van toen, niet anders dan vandaag het bedrijfsuitje of het ledendiner van een vereniging.

Door geestelijk inzicht de wereld onttoveren

Een aantal gemeenteleden in Korinte participeerde in dergelijke sociale verbanden, ook na hun toetreding tot de gemeenschap van Christus-gelovigen.[1] In hun visie botsten de tempelmaaltijden niet met de principes van de nieuwe geloofsleer. ‘Wij allen bezitten kennis’, aldus hun argument. De inhoud van deze kennis: er is maar één God en één Heer. Afgoden bestaan niet, achter hen staat geen goddelijke realiteit. Geen noodzaak dus om de banden te verbreken met de sociale groepen waarbij men hoorde. Je kon best blijven meedoen bij de maaltijden in tempels, want deze ‘goden’ waren toch helemaal geen concurrentie voor de ene God. Vanuit het geloof in de ene God met een rationele benadering de wereld desacraliseren – dat is één mogelijkheid om het geloof vorm te geven, toen en vandaag. Maar lang niet iedere gelovige zal deze benadering omarmen.

Paulus en de kennis

De waarde die Paulus zelf aan kennis hecht, valt nauwelijks te onderschatten. Alles waarop hij in zijn leven trots had kunnen zijn, zijn afkomst, zijn theologische roots, zijn onverstoorbare geloofspraktijk – dit alles is hij als schade gaan beschouwen omdat de kennis van Christus alles te boven gaat (Fil. 3,5-8). Uitspraken van kennis horen voor Paulus bij de gaven die de Geest de gelovigen geeft ‘tot welzijn van allen’ (1 Kor. 12,7-8). Tegen deze achtergrond dient onze tekst te worden gelezen. Het is dus niet zo dat Paulus het principieel niet op prijs stelt als gemeenteleden ‘kennis’ als argument gebruiken. Wel plaatst hij enkele kanttekeningen bij het onderwerp. Want hoewel hij eerst lijkt in te stemmen met de uitspraak dat allen de genoemde kennis bezitten (8,1), is hij zich er wel van bewust dat feitelijk deze kennis niet voor allen dezelfde unieke rol speelt. Voor sommigen botst de (ongetwijfeld juiste) kennis met hun gewoonte (8,7).

De zwakken

Deze groep noemt Paulus ‘de zwakken’. De zwakken zijn geen specifiek verschijnsel in de gemeente te Korinte. Ook de Tessalonicenzen vermaant Paulus voor de zwakken op te komen (1 Tess. 5,14) en de gelovigen in Rome spoort hij aan: ‘Aanvaard ieder die zwak is in het geloof zonder zijn opvattingen te betwisten’ (Rom. 14,1). Overal lijkt Paulus dezelfde types van gelovigen te zien: mensen die overtuigd zijn bepaalde dingen wel te mogen doen, en anderen die met betrekking tot dezelfde dingen twijfels hebben. Toch is dit geen specifiek Paulinische indeling. ‘De zwakken’ zijn een sociologisch concept dat vooral in filosofische groepen gehanteerd werd. Het Griekse woord asthenèsdat niet alleen ‘zwak’ maar ook ‘ziek’ betekent, beschrijft in dit geval mensen met een ‘ongezonde’ gesteldheid ten opzichte van mogelijk conflicterende overtuigingen en waardeoordelen. Er is iets mis met het inschattingsvermogen van ‘zwakke mensen’: ze beschouwen dingen als waard om ernaar te streven die dit bij nuchter nadenken helemaal niet zijn. En zij geloven andere dingen te moeten vermijden, hoewel dit helemaal niet hoeft. Uiteraard is het doel in de stoïsche filosofie om te genezen van het zwakke of zieke inschattingsvermogen. En misschien geldt dat ook voor gemeenteleden op lange termijn. Maar een puur rationele argumentatie met geestelijke inzichten (‘kennis’) zou averechts kunnen werken.

Wie één van hen doet struikelen …

Paulus’ vertrekpunt is de gemeenschap van de gelovigen. De ‘zwakke’ is niet in eerste instantie iemand met een andere geloofsovertuiging of een gebrek aan inzicht en kennis, maar vooral een ‘broeder’, een medechristen. Want ook voor hem is Christus gestorven (11). Het mag zo zijn dat zijn geloofsopvatting door meer aarzelingen gekenmerkt is. Hij zal instemmen met de belijdenis dat er maar één God is, maar kan daaruit niet concluderen dat je zonder meer aan maaltijden in een godentempel mag deelnemen. Een felle reactie hierop onder verwijzing naar ‘kennis’ zou volgens Paulus onverantwoord zijn. Een ongevoelige omgang met een zwakke zou het beginnende geloof kunnen afbreken. In zijn onvermogen tempelmaaltijden en geloof in Christus samen te brengen, zou hij door het al te zelfbewuste gedrag van anderen die dat wel kunnen van de wijs kunnen raken. Maar dit is niet de bedoeling van de christelijke gemeenschap. Het kan niet zo zijn dat de sterken nietsontziend hun ‘kennis’ omzetten in de praktijk. Het basisbeginsel van hun handelen moet veranderen van ‘wat mag’ in ‘wat mijn “broeder” helpt’. In de gemeente telt liefde meer dan ‘kennis’. En meer zelfs dan gelijk hebben. Want zij geeft ruimte voor groei.

Volgens Paulus is de sterkte van de sterken sterk genoeg om af te zien van individualistische en elitaire conclusies uit de kennis (zie ook Rom. 15,1-3). Helaas reflecteert hij nergens over mogelijke grenzen van deze houding. Het is aan ons om te bepalen wanneer – in alle liefde en met het oog bovenal op de gemeenschap – tegen de ‘zwakken’ moet worden gezegd dat het een of ander wél kan.

Wellicht ook interessant

Bernd Hirscheldt
Bernd Hirscheldt
Basis

Korte Metten: Wondertjes

Een van de mooiste kanten aan het vak van predikant is dat je nooit kan bepalen met wie je in contact zal komen. Dat klinkt misschien wat vreemd. Maar het is een voorrecht om met mensen te kunnen omgaan die je niet zelf hebt uitgekozen, omdat ze precies dezelfde interesses hebben of omdat ze het roerend met je eens zijn. Of omdat je een gemeenschappelijk verleden met elkaar deelt. Dat alles geeft een gevoel van vertrouwelijkheid, maar een nieuwe ontmoeting met een onbekende, iemand die in een heel andere wereld leeft, blijkt vaak veel boeiender te zijn.

Nieuwe boeken