Menu

Premium

Gezalfde, Christus, Messias

Hebreeuwse tekst die wordt uitvergroot met een loep

Geloofstaal & cultuurtaal

Bij het woord ‘zalf’ denken de meeste mensen aan een product van de apotheek, bedoeld voor de huidverzorging. In de Bijbel wordt zalf (of zalfolie) ook gebruikt om mensen te wijden voor een bepaalde taak. ‘Gezalfde’ iseen aanduiding voor iemand die koning of priester is, of zal worden. Hoewel ‘Christus’ de vertaling is van ‘gezalfde’ leeft bij ons die betekenis niet zo; ‘Christus’ is meer een eigennaam geworden. Hetzelfde geldt voor ‘christenen’ die letterlijk ‘gezalfden’ zijn. De aanduiding wordt tegenwoordig vooral verstaan in brede zin, ter onderscheiding van de aanhangers van andere godsdiensten. Ter verduidelijking gebruiken christenen toevoegingen als ‘reformatorisch’, ‘gereformeerd’, ‘katholiek’, ‘evangelisch’. De Heidelbergse Catechismus, een van de gereformeerde belijdenisgeschriften, benoemt de oorspronkelijke betekenis: Zoals Christus gezalfd is tot profeet, priester en koning, hebben christenen hun roeping te vervullen (Zondag 12).

Woorden

Het woord ‘Christus’ komt van het Griekse woord chriein, ‘zalven’. Het woord ‘messias’, dat dezelfde betekenis heeft, komt van het Hebreeuws woord masjiah en geeft iemand aan die ceremonieel gezalfd is voor een bepaald ambt. In het Grieks betekent het werkwoord aleiphein eveneens: ‘zalven’ (Luc. 7:38 en Mat. 6:17). Chriein wordt meer gebruikt in symbolische zin, in het bijzonder ten aanzien van de zalving met de Geest. De betekenis van beide Griekse woorden overlapt elkaar. Voor niet-christenen in de Griekse wereld zal de betekenis niet direct duidelijk zijn geweest.

Betekenis in context

Oude Testament

Priesters, koningen en profeten

In het Oude Testament is van twee soorten ambtsdragers bekend dat ze gezalfd worden: de priesters en de koningen. Leviticus 8 geeft aan hoe Aäron en zijn zonen gewijd wordenals priesters. Nadat eerst de tabernakel gezalfd is, giet Mozes zalfolie op het hoofd van Aäron om hem te heiligen (vs.12; vgl. Ps. 133:2). De zoons van Aäron worden ook gezalfd (Ex. 40:15; Lev. 4:3; Num. 3:3).

In het boek 1 Samuël staat vermeld dat eerst Saul (10:1) en later David (16:13) gezalfd worden tot koning. Het is mogelijk dat ook profeten gezalfd werden, maar dat is niet zeker. De profeet Elia krijgt opdracht Hazaël en Jehu tot koning te zalven, en in datzelfde verband staat ‘en Elisa (.) zult u zalven tot profeet in uw plaats’ (1 Kon. 19:15-16). Moeten we deze uitdrukking letterlijk nemen, of is de spreekwijze beïnvloed door het verband? De tweede tekst die aangevoerd kan worden ten gunste van een zalving van profeten is Jesaja 61:1 ‘De Geest des Heren Heren is op mij, omdat de Here mij gezalfd heeft; Hij heeft mij gezonden om een blijde boodschap te brengen’. Het is mogelijk dat profeten gezalfd werden, maar omdat we er nergens over lezen (ook niet in de aanstelling van Elisa in 1 Kon. 19:19-21), is het denkbaar dat het woord ‘zalven’ hier overdrachtelijk gebruikt wordt, in de betekenis van ‘in dienst nemen’. Een soortgelijk gebruik merken we in Jesaja 45:1, waar de heidense koning Kores Gods ‘gezalfde’ genoemd wordt, terwijl hij toch niet letterlijk door een Israëlitische profeet gezalfd is.

Geest en toerusting

In het citaat uit Jesaja 61 blijkt de verbinding tussen de Geest van God en de zalving. Door de zalving krijgt de boodschapper de Geest die hem in staat stelt zijn werk te doen. Die samenhang komt ook in de geschiedenis van de zalving van Saul naar voren (1 Sam. 10:67). En bij de zalving van David staat: ‘Van die dag af greep de Geest desHerenDavid aan’ (1 Sam. 16:13). De aanwezigheid van de Geest van God komt ook naar voren bij de zeventig oudsten van Israël in de tijd van Mozes (Num.11) en bij Gideon wanneer hij zijn taak als richter moet volvoeren (Ri. 6:34), al lezen we in deze gevallen niet van een zalving. Mensen kunnen niet in eigen kracht, maar slechts door Gods kracht hun werk verrichten. Omdat niet het volledige werk van de Geest beschreven wordt, valt te overwegen of David in Psalm 51:13 vooral de Geest bedoelt die hem in staat stelt koning te zijn. De samenhang tussen olie en Geest is ook duidelijk in Zacharia 4. Daar ziet de profeet in een visioen een kandelaar, die door olijfbomen van olie wordt voorzien. De betekenis ervan is: ‘Niet door kracht noch geweld, maar door mijn Geest’ (vs. 6).

Regering

De verwachting van een heilsbrenger, een messias, is in het Oude Testament vooral gekoppeld aan de koning. Jakob geeft op zijn sterfbed aan Juda de volgende zegen mee: ‘De scepter zal van Juda niet wijken, noch de heersersstaf tussen zijn voeten, totdat Silo komt, en hem zullen de volken gehoorzaam zijn’ (Gen. 49:10). Hoewel de verklaring van het woord ‘Silo’ moeilijk is, is er wel een duidelijke samenhang tussen de stam van Juda en het regeerambt. In David, koning uit die stam, gaat deze tekst in vervulling. David krijgt te horen dat zijn nageslacht altijd zal mogen regeren (2 Sam. 7:11-16). Bij de profeten groeit deze verwachting uit tot een heerlijke toekomst. Jesaja profeteert over een Kind dat geboren zal worden en Wonderbare Raadsman zal zijn. ‘Groot zal de heerschappij zijn en eindeloos de vrede op de troon van David en over zijn koninkrijk, doordat hij het sticht en grondvest met recht en gerechtigheid, van nu aan tot in eeuwigheid’ (Jes. 9:6). Twee hoofdstukken verder spreekt Jesaja over de Geest des Heren die op de nieuwe koning zal rusten. Hij zal zorgen voor rechtvaardige verhoudingen in het land, maar ook op aarde (11:4). In teksten als Psalm 72 en Ezechiël 37:24-28 wordt die toekomstverwachting verder uitgewerkt.

Priester als Melchizedek

Deze Messias is niet alleen koninklijk, maar ook priesterlijk. Terwijl bij de omringende volken de koning meestal ook priesterlijke bevoegdheden had, was dat in Israël niet zo. De koning mocht niet ‘het heilige’ en ‘het heilige der heiligen’ van de tabernakel of tempel binnengaan om te offeren. Er was scheiding van bevoegdheden. De koning was uit het geslacht van Juda en de priester uit het geslacht van Levi (en Aäron). Deze tegenstelling door geboorte kon niet overwonnen worden. De koning was afhankelijk van de dienst der verzoening door de priesters. In Genesis 14 komen we iemand tegen die zowel koning als priester is, namelijk Melchizedek, koning van Salem (het latere Jeruzalem; Ps. 76:3). In Psalm 110 wordt tot de koning van Israël gezegd: ‘Gij zijt priester voor eeuwig, naar de wijze van Melchizedek’. David zal geweten hebben van de voorrechten van zijn voorganger uit vroeger tijden. Vermoedelijk is Mel-chizedek zowel koning als priester geworden door installatie (‘eedzwering’) en niet door erfopvolging, want Hebreeën 7:1 geeft aan dat hij niet de vereiste afstamming had. (De uitdrukking ‘zonder vader, zonder moeder’ geldt niet in biologisch, maar alleen in ambtelijk opzicht.) In dat hoofdstuk wordt gezegd dat Christus de grote Hogepriester is, maar niet naar de ordening van Aäron, want dat is onmogelijk; Hij komt niet uit het geslacht van Levi. Hij kan wel Hogepriester zijn naar de ordening van Melchizedek: afkomstig uit de stam van Juda (vs. 14) kan Hij door eedzwe-ring en installatie zonder erfrecht priester worden. Zo worden in Jezus beide lijnen samengevoegd.

Lijden

De meeste teksten waarin sprake is van ‘gezalfde’ spreken over Gods kracht en zegeningen. Toch blijken die zegeningen niet altijd gerealiseerd te worden. Psalm 89 begint met een opsomming van de beloften van God en zijn grote macht. Dan volgt een herinnering aan David: ‘met mijn heilige olie heb Ik hem gezalfd’ (vs. 21). Hoewel de dichter zich bewust is van Gods straf bij overtredingen (vs. 31-33), weet hij ook dat Gods trouw en goedertierenheid blijven (vs. 34). Juist daarom is het voor hem zo moeilijk te aanvaarden wat hij in zijn dagen ziet: ‘Toch hebt Gij verstoten en versmaad… zijn kroon ter aarde toe ontwijd’ (vs. 39-40). Hij roept het uit: ‘Gedenk, Here, de smaad, uw knechten aangedaan… waarmee zij smaden de voetsporen van uw gezalfde’ (vs. 51-52).

In het bijzonder in de liederen van de Knecht des Heren in Jesaja 42-53 komen we de lijn van vernedering tegen. Het is waar dat hier het woord ‘gezalfde’ niet gebruikt wordt, maar zowel in joodse als christelijke kring is de overtuiging aanwezig dat de Knecht, als vertegenwoordiger van zijn volk, een heilbrenger en messiaanse gestalte is. Deze Knecht is door God gesteld ‘als een verbond voor het volk (Israël), tot een licht voor de natiën’ (42:6). Die tweevoudige taak, voor Israel en de volken, komt ook naar voren in 49:6. Het wordt steeds duidelijker dat deze Knecht zal lijden. ‘Hij was veracht en van mensen verlaten, een man van smarten en vertrouwd met ziekte, ja, als iemand, voor wie men het gelaat verbergt; hij was veracht en wij hebben hem niet geacht’ (53:3). Dit lijden is plaatsvervangend: ‘Maar om onze overtredingen werd hij doorboord, om onze ongerechtigheden verbrijzeld; de staf die ons de vrede aanbrengt, was op hem, en door zijn striemen is ons genezing geworden’ (vs. 5). En: ‘Om zijn moeitevol lijden zal hij het zien tot verzadiging toe; door zijn kennis zal mijn knecht, de rechtvaardige, velen rechtvaardig maken, en hun ongerechtigheden zal hij dragen’ (vs. 11). De oudste getuigenissen uit het jodendom geven aan dat deze teksten op de Messias betrokken werden, maar in later tijd is daar verandering in gekomen. In reactie op de christelijke uitleg is naar alternatieven gezocht en betrekt men het lijden bijvoorbeeld op het eigen volk. Ook wordt dit hoofdstuk niet meer voorgelezen in de synagoge. Het jodendom had al vroeg de voorstelling dat er twee messiassen zullen komen: een messias, zoon van David, die zal heersen in glorie en daarnaast een messias, zoon van Jozef, die zal lijden.

De Profeet

In Deuteronomium 18 wijst Mozes allerlei occulte praktijken af. De heidenen gebruiken die methoden om de toekomst en de wil van de goden te weten te komen. Of ze nu werken of niet, die methoden zijn in Israël niet toegestaan; ze zijn ‘een gruwel’ voor God. Hij geeft zijn volk een andere wijze van communicatie: Hij schenkt hen profeten die zijn woord zullen spreken. Hoewel hier het enkelvoud ‘profeet’ gebruikt wordt, is vanuit het verband duidelijk dat een categorie profeten aangeduid wordt. De Israëlieten moeten immers onderzoeken of de profeet werkelijk Gods woorden spreekt. Toch is vanuit deze tekst ook de verwachting opgekomen dat er een bijzondere Profeet zal opstaan. Te denken valt aan de boven geciteerde tekst uit Jesaja 61 over de gezalfde profeet. In Maleachi 4:5 staat: ‘Zie, Ik zend u de profeet Elia, voordat de grote en geduchte dag des Heren komt’. Wanneer Johannes de Doper bezig is met zijn werk, komen er boden uit Jeruzalem. Zij vragen hem eerst of hij de Christus is. En dan: ‘Bent u Elia?’ en: ‘Bent u de Profeet?’, maar hij ontkent het (Joh. 1:20-22). Indirect merken weaan deze vragen welke verwachting er bij het volk leefde.

Nieuwe Testament

Jezus de Christus in de evangeliën

Het woord ‘messias’ wordt weergegeven met ‘Christus’ in het Nieuwe Testament. Vaak met lidwoord: ‘de Christus’, zoals in de belijdenis van Petrus (Mat. 16:17), maar het woord kan ook tot een eigennaam worden, zonder lidwoord (1 Kor. 15). Te midden van allerlei messiasfiguren in die tijd (waarvan de latere Bar Kochba de bekendste is geworden) is Jezus de ware Messias. Hoewel Jezus niet letterlijk gezalfd is met olie, wordt Hij de Gezalfde genoemd op grond van de komst van de Heilige Geest toen Hij gedoopt werd door Johannes. Toen werd zichtbaar ‘hoe God Hem met de Heilige Geest en met kracht heeft gezalfd’ (Hand. 10:38). De Geest rust Hem toe met kracht voor de taak die wacht in de komende jaren in Israël.

Wanneer Jezus in gesprek raakt met een Sama-ritaanse vrouw zegt ze: ‘Ik weet, dat de Messias komt, die Christus genoemd wordt’. Daarop geeft Jezus onomwonden tot antwoord: ‘Ik, die met u spreekt, ben het’. Daarop laat de vrouw haar kruik staan en vertelt aan haar stadsgenoten dat ze de Christus ontmoet heeft. Die gaan naar Hem toe en erkennen Hem als de Heiland der wereld (Joh. 4:25-42).

Tegen de verwachting van veel joden in gaat Jezus een weg van lijden en vernedering. Ze willen Hem soms koning maken, maar Hij weet dat de weg naar Golgotha leidt (vgl. Luc. 24:26). Mogelijk gebruikt Jezus daarom de aanduiding ‘Messias’ niet veel, om verkeerde associaties te vermijden. Hij gebruikt zelf meer de uitdrukking ‘Zoon des mensen’.

Jezus de Christus in de brieven

Paulus beschrijft de gehele weg die Jezus gegaan is: de geboorte, de gestalte van een dienstknecht, gehoorzaamheid zelfs tot in de dood aan het kruis. Daarna de verhoging door de opstanding. Straks zal alle knie zich buigen en belijden: ‘Jezus is Here!’ (Filp. 2:5-11). Ook elders schrijft hij dat door de opstanding duidelijk is geworden dat Jezus de Messias is, Gods Zoon (Rom. 1:1-4). Door het lijden en sterven van Jezus worden zondaren verzoend met God de Vader. Eigenlijk wordt heel het heilswerk samengevat in de namen Jezus Christus. Daarom is geloof en vertrouwen in Hem nodig om in de rechte verhouding met God te komen en vergeving van zonden te ontvangen (Rom. 4-6). Die boodschap roept bij velen ergernis op en wordt beschouwd als dwaasheid (1 Kor. 1:18-31).

Openbaring

Johannes begint zijn boek Openbaring met de vermelding dat Jezus Christus ‘de getrouwe getuige, de eerstgeborene uit de doden en de overste van de koningen der aarde’ is (1:5). Hij komt eenmaal terug met de wolken en dan zal elk oog Hem zien (1:7). Verderop in dit boek wordt Hij aangeduid met zowel de woorden ‘Lam (offerlam) dat geslacht is’ als ‘Leeuw’ (5:5-6). Zo is Hij de Messias. Hij zal uiteindelijk afrekenen met alle kwade machten en zijn Koninkrijk vestigen. In de Grieks-sprekende wereld heeft de titel ‘Christus’ meer en meer plaatsgemaakt voor ‘Kurios’ (Here) en ‘Zoon van God’.

Zalving

Het woord ‘zalven’ wordt gebruikt in Jakobus 5:14 ten behoeve van zieke gemeenteleden. Daarbij is de zalfolie in de opvatting van de vroege kerk geen primitief geneesmiddel, maar – evenals in het Oude Testament – een symbool van het werk van de Heilige Geest. De betekenis van beide Griekse woorden voor ‘zalven’ overlapt hier elkaar, omdat de uiterlijke handeling en de geestelijke betekenis verbonden worden.

Paulus legt een verbinding tussen de Gezalfde en de zalving van de gelovigen: ‘Hij nu, die ons met u bevestigt in de Gezalfde en ons heeft gezalfd, is God, die ook zijn zegel op ons gedrukt en de Geest tot onderpand in onze harten gegeven heeft’ (2 Kor. 1:21-22). Johannes schrijft in zijn eerste brief dat de gemeenteleden ‘een zalving van de Heilige’ hebben, waardoor zij onderwijs ontvangen (2:20, 27). De volgelingen van Christus werden voor het eerst in Antiochië christenen genoemd (Hand. 11:26). De betekenis ‘zalving’ staat hier enigszins op de achtergrond. De bedoeling is meer: volgelingen van (Jezus) Christus. Waarschijnlijk is de benaming denigrerend bedoeld geweest (vgl. ‘de braven’, ‘de fijnen’), maar door de christenen zelf als erenaam opgevat.

Kern

In het Oude Testament wordt het woord ‘gezalfde’ vooral bij priesters en koningen gebruikt. Daarnaast mogelijk bij profeten. De zalving betekent een officiële installatie in het ambt en tevens de toerusting met de Geest van God om in staat te zijn het werk te verrichten. Langzamerhand wordt steeds meer uitgezien naar de komst van de Messias. Hij verenigt in zich allerlei zaken die in Israël met verschillende personen verbonden waren. Behalve glorie en heerlijkheid brengt zijn taak ook lijden met zich mee. Deze verwachting komt tot vervulling in Jezus de Christus. Zijn ambtsnaam wordt steeds meer een eigennaam. Naar Hem mogen ook zijn volgelingen ‘christenen’ heten.

Verwijzing

Zie voor verwante en/of aanvullend te bestuderen woorden: ergernis, kruis, Heer.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken