Menu

Premium

God overwint de dood

Bijbelwetenschappen

1e van Pasen (Jesaja 25:6-9, Psalmen 118:15-24 en Johannes 20:1-18)

Na de kruisdood staan de volgelingen van Jezus voor de moeilijke opdracht om naar anderen toe te verwoorden hoe dit toch niet het einde is, omdat God sterker is dan de dood. Het christelijke getuigenis van de verrijzenis bouwt verder op de joodse ervaring dat God een toekomst schept voor zijn volk, ondanks oorlog, verwoesting, ballingschap en (martel)dood.

Doorheen zijn geschiedenis heeft het volk Israël telkens opnieuw oorlog, verovering door wereldrijken en de daarmee gepaard gaande verwoestingen en slavernij meegemaakt. Als de bovenlaag van de bevolking in Babylonische ballingschap is gevoerd, ziet de toekomst er wel erg somber uit. Toch klinkt ook dan een hoopvolle profetische boodschap. God, die trouw was in het verleden, zal dat ook nu en in de toekomst blijven. De machtigen krijgen niet het laatste woord. Voor alle volkeren zal duidelijk worden wie God is en hoe God handelt.

Leven na de dood?

In beeldrijke taal geeft Jesaja 25 aan hoe het volk zich terugkijkend kan verheugen, omdat God zowel de sluier die de naties bedekt als de dood verslindt. Zo wist God de tranen en de vernedering van zijn volk uit. Dit beeld hoeft niet noodzakelijk het geloof in een persoonlijk verder leven ondanks de dood in te houden, maar de negatieve gevolgen van de dood worden wel tenietgedaan. In de oudtestamentische visie ligt de nadruk op het leven voor de dood. God is degene die de rechtvaardige behoedt voor de ontijdige dood en hiervoor geloofd wordt (zie bijv. Psalmen 118:17-18). De dood is de grote gelijkmaker: ook de onrechtvaardige wacht uiteindelijk de dood. Maar wat als de dood zelf zoveel zwaarder gemaakt wordt voor de gelovige vrome dan voor de onrechtvaardige goddeloze? Het is in de context van de martelaren ten tijde van de Makkabeeën dat het idee van een persoonlijk goddelijk oordeel na de dood duidelijk tot uiting komt. Zo spreken zeven zonen, die één voor één doodgemarteld worden, hierin gevolgd door hun moeder, hun hoop uit dat God, die barmhartig en rechtvaardig is, hun het leven zal teruggeven, maar de goddeloze zal bestraffen (2 Makkabeeën 7).

De dood: geen definitieve grens

De evangelist Johannes bouwt zijn verhaal over Jezus zo op dat de verrijzenis niet als een volslagen verrassing komt. Zowel in de verkondiging van Jezus als in zijn handelen blijkt de grens tussen leven en dood niet absoluut te zijn. Wie gelooft in de Zoon zal eeuwig leven, verklaart Jezus (3:36). Hij geneest het stervende kind van een hoveling (4:46-54) en geeft aan dat de Zoon levend maakt zoals de Vader doden tot leven wekt (5:21). Wie gelooft in God, die Jezus gezonden heeft, heeft eeuwig leven (5:21). Er komt een tijd, kondigt Jezus aan, dat alle doden e stem van de Mensenzoon zullen horen en opstaan (5:28-29). Het is de wil van de Vader dat wie in de Zoon gelooft eeuwig leven heeft, en dat Jezus hem op de laatste dag tot leven zal wekken (6:40). Dat is ook wat Marta belijdt als haar broer Lazarus overleden is: dat hij bij de opstanding op de laatste dag zal opstaan (11:24). Jezus wekt Lazarus echter nu tot leven, tot grote ergernis van de hogepriesters, die met lede ogen aanzien dat de uit de doden opgewekte Lazarus veel mensen aantrekt die tot geloof in Jezus komen.

Maria Magdalena

In het verhaal van Johannes komt Maria van Magdala voor het eerst voor als een van de vrouwen onder het kruis (19:25). Bij de begrafenis zijn volgens Johannes vervolgens geen vrouwen aanwezig. Al zijn er meerdere vrouwen getuige van Jezus’ dood, Maria Magdalena is de enige die naar het graf gaat. Zij is dan ook de eerste die de Verrezene ontmoet. In tegenstelling tot in de andere Evangeliën reageert zij niet met angst (als enige in het Johannesevangelie!) en voert zij ook Jezus’ opdracht uit. Zij is ook de enige in verrijzenisverhalen die volgens Johannes zelf het woord neemt.

Eerste getuige van Jezus’ opwekking

Johannes laat in het midden waarom Maria van Magdala naar het graf trekt. Niet om Jezus te balsemen, want dat is reeds gebeurd door Nikodemus en Jozef van Arimatea. Zij is hoe dan ook degene die ontdekt dat het graf leeg is. Hieruit volgt nog niet dadelijk het inzicht in het gebeuren: ze vraagt zich af waar
het lichaam dan wel gelegd is. Ook Simon Petrus en de geliefde leerling stellen vervolgens vast dat het graf leeg is. Ook al hadden zij nog niet het inzicht op basis van de Schriften dat Hij uit de doden zou opstaan, toch komt de geliefde leerling tot geloof. Beiden keren echter naar huis terug zonder de verrezen Christus te ontmoeten.

Maria blijft aan het graf staan huilen. In haar grote verdriet dat het lichaam weggehaald is, verbaast zij zich niet over de plotse aanwezigheid van twee mannen in het graf, herkent evenmin Jezus die haar aanspreekt, maar blijft focussen op haar verlangen het lichaam terug te krijgen. Pas als zij door Jezus bij haar naam aangesproken wordt, herkent ze Hem en reageert als leerling: ‘Rabboeni!’

Jezus’ antwoord is doorheen de tijd heel verschillend geïnterpreteerd: van het afstandelijke ‘Raak Mij niet aan’ tot het meer persoonlijke ‘Houd Mij niet vast’. Het verbod is niet absoluut. De reden bevat de notie van ‘nog niet’: Jezus is nog niet opgestegen naar de Vader. Bovendien krijgt ze een specifieke opdracht. Maria keert niet gewoon terug naar huis, zoals Simon Petrus en de geliefde leerling. Zij is de eerste getuige van de verrijzenis die namens de Verrezene verkondigt dat Jezus opstijgt naar zijn Vader en God, en dat Jezus’ Vader ook hun Vader is, Jezus’ God ook hun God.

Deze exegese is opgesteld door Ine Van Den Eynde.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken