Goddelozen zjin ordeverstoorders
Psalmen reciteren heeft weinig tot niets van doen met wat Renate Rubinstein ooit eens noemde: ‘God als rustige gewoonte’. Het woelt en deint vervaarlijk in de ene psalm na de andere, nog wel het meest in de eerste verzamelingen van het psalmboek. Veel van die deiningen en woelingen worden veroorzaakt door vijandige lieden die de zanger bedreigen. Ze worden meer dan twintig keer aangeduid als ‘goddeloze(n)’. Dat althans is de klassieke weergave van het woordje rasjaa, door Buber steevast vertaald met ‘Frevler’, in de NBV vaak weergegeven als ‘wetteloze’, in de Naardense Bijbel als ‘boze’. Maar het woordveld dat dit type mensen beschrijft, is nog heel wat breder. De meer algemene term ‘zondaar’ komt voor, of ook wel ‘zwetser’, en niet te vergeten zeker vijftien keer ‘werkers der ongerechtigheid’; die laatsten zou ik zelf eerder ‘gruwelbedrijvers’ noemen, of ook wel ‘bewerkers van onheil’.