Menu

Premium

Gods ogen rusten op ons

Bij Joël 2,12-19 en Matteüs 6,1-6.16-21

Beide bijbelgedeelten gaan over inkeer met heel je hart. Het gaat niet om uiterlijkheden, maar om het weten dat Gods ogen op ons rusten. De tekst uit Joël spreekt over wanhopige pogingen om Gods ogen weer op de mensen te richten, en de tekst uit Matteüs wijst erop dat Gods blik op ons belangrijker is dan het gezien worden door mensen.

Het boek Joël beschrijft met dreigende woorden hoe het volk Israël siddert voor een aanval van alles kaalvretende vijanden: waarschijnlijk een sprinkhanenplaag als straf van God voor het afdwalen van zijn wegen. De enige oplossing voor het volk is dit in te zien en zich tot God te bekeren. Mooi is de beeldspraak uit vers 13: het gaat om een innerlijke bekering en niet alleen om uiterlijke handelingen. Het hart is het centrum van oriëntatie van de mensen: het inzicht, de wil, het denken en ook het handelen zetelen hier. Het gaat dus niet om het gevoel, maar om denken en doen.

Vasten om Gods eer

Joël 2,14 schetst een beeld van God, die de mensen de rug heeft toegekeerd. Kunnen zij Hem nog laten omkeren, kunnen ze nog wat laatste restjes van zijn zegen opvangen? Gods zegen uit zich heel concreet in groei en vruchtbaarheid van het land. Als er weer offers zijn voor God, betekent dat dat er ook genoeg is voor de mensen om van te leven. In vers 15-17 wordt een vasten afgekondigd. De priesters smeken God om genade en doen daarbij een appèl op zijn eerzucht: laat Hij het werkelijk toe dat andere volken twijfelen aan zijn bestaan? Tolereert Hij het dat zijn volk uitgelachen wordt? Als het volk zich werkelijk omkeert, zal God zich zeker niet zo laten behandelen. Zijn eerzucht zal opvlammen en Hij zal zijn volk verdedigen. Hij zal de andere volken laten zien dat Hij bestaat (2,18-19) en zijn volk weer een vruchtbaar land geven om van te leven en Hem te offeren.

Het doen van gerechtigheid

Het tekstgedeelte uit het Matteüsevangelie maakt deel uit van de Bergrede. Het gaat over het doen van gerechtigheid om God te dienen, en niet om door mensen als vroom te worden beschouwd. De tekst bestaat uit drie gedeelten, die parallel zijn opgebouwd. Daartussen zijn enkele verzen over het Onze Vader opgenomen. Achtereenvolgens worden het geven van aalmoezen, het bidden en het vasten besproken. Deze religieuze uitingen gaan uit boven het ‘normale’ dat in de Tora geboden wordt. Aalmoezen geven is iets extra’s, dat je naast de normale armenhulp kunt doen. Bij het bidden wordt in de rabbijnse uitleg aanbevolen om je in een stil hoekje terug te trekken als de gebedstijd is aangebroken. Ook wordt gezegd dat je in het openbaar beter stil kunt bidden en niet hardop. Officieel hoef je in de joodse traditie alleen op Grote Verzoendag te vasten, maar er was een wijd verbreide gewoonte om ook op andere dagen te vasten. Het gaat bij alle besproken handelingen dus om gedrag waarvoor ‘bonuspunten’ bij God verwacht worden. Matteüs 6,1 is de introductie: dit vers geeft aan waar het in het hele tekstgedeelte om gaat. Een aardig detail is, dat een aantal handschriften dit vers alleen zien als introductie op het eerste deel en in plaats van ‘gerechtigheid doen’ ‘aalmoes geven’ schrijven. De (Herziene) Statenvertaling volgt deze vertaling. Het rondbazuinen (6,2) staat er letterlijk zo. Blijkbaar bestond er een gewoonte dat gulle gevers met bazuingeschal beloond werden. De huichelaar (Gr.: hypokritos) is letterlijk een toneelspeler, iemand die een publiek nodig heeft. Bij een hypokritos is het niet duidelijk of datgene wat hij doet samenvalt met wat hij werkelijk denkt.

De zinsnede ‘zij hebben hun loon al ontvangen’ (6,2.5.16) is ontleend aan de handel. Het betekent dat de koop is afgerond: er is betaald, de koopwaar is van eigenaar gewisseld en er is een bonnetje overhandigd. Het is dus een neutrale uitdrukking en wil vooral zeggen dat er niets extra’s meer te verwachten is. De handel is afgesloten.

‘Religieuze bonuspunten’?

De verzen 4, 6 en 18 hebben hetzelfde slot. Enige handschriften versterken deze zin nog door ‘in het openbaar’ toe te voegen: ‘Jullie Vader, die in het verborgene ziet, zal het jullie in het openbaar vergelden’, wat zoveel betekent als: jullie triomf komt nog wel. Maar ook zonder deze toevoeging is het duidelijk dat de beloning die we van God verwachten kunnen, veel wenselijker is dan de beloning die we krijgen doordat de mensen ons bewonderen. Het alternatief voor het zoeken van aandacht en bewondering van het publiek, wat de hypokritos doet, is tamelijk radicaal. ‘Laat je linkerhand niet weten wat je rechterhand doet’ (6,3) – een fysiek onmogelijke opgave. ‘Ga in je binnenkamer (letterlijk de voorraadkamer), doe de deur op slot en bid’ (6,6) – maak je volledig onzichtbaar voor de buitenwereld in je religieuze handelen. Wordt hiermee de kerkelijke viering niet buitenspel gezet? ‘Was je gezicht en wrijf je hoofd in met olie’ (6,17) – doe alsof je feestviert, terwijl je eigenlijk vast.

Voor God is het genoeg, als je zo handelt – maar of het voor mensen ook genoeg is, is maar de vraag. In elk geval nodigt dit tekstgedeelte uit om erover na te denken of ons religieuze handelen werkelijk alleen voor God is, of dat we daarmee ook onze eigen behoeftes bevredigen. Iets wat overigens niet verkeerd is, maar we hoeven daarvoor niet bij God ‘religieuze bonuspunten’ te verwachten. De verzen 19-21 gaan verder op dit thema – verzamel je schatten daar, waar het bestendig is. Het gaat niet om lof en bewondering van de mensen, maar om het leven met God. Deze woorden vormen zo een goed begin van de Paastijd.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken