Menu

Premium

Gods onderneming

Bij Handelingen 5,12-25

Het lezen van Lucas’ bericht over de jonge kerk is steeds opnieuw een uitnodiging of uitdaging voor kritische zelfreflectie. Wat een elan, wat een moed en doorzettingsvermogen, wat een groei, wat een werk Gods! Ons scheiden weliswaar tweeduizend jaar, maar soms kijken we misschien net zo jaloers als de priesters (5,17). Naast onze gedachten over wonderen en tekenen, bepaalt het bij de integriteit van de kerk en de vraag hoe de mensen over haar denken. En niet te vergeten het thema tegenstand.

Handelingen 5,12-16 is Lucas’ derde samenvatting (na 2,42/4347 en 4,32-35). Samenvattingen dienen om de lezerhoorder belangrijke punten in te prenten. Al verschillen de drie samenvattingen op het eerste gezicht, dit is deels een kwestie van accent. De eerste en de derde samenvatting benadrukken het sterkst de interactie met de ‘buitenstaanders’, de toestroom van nieuwe gelovigen en het respect van het volk voor de groeiende ‘kerk’. De tweede samenvatting vermeldt slechts het getuigenis van de apostelen en benadrukt de zegen van God. Gods betrokkenheid uit zich in de andere twee samenvattingen in tekenen en (genezings)wonderen, respect van het volk dat God looft en in groei van de gemeenschap.

Onderricht en gemeenschap

Verder zijn er nog twee thema’s. Naast het onderricht van de apostelen is dat de gemeenschap, beschreven als eendracht, gedeeld bezit en bijeenzijn in gebed, onderricht en broodbreking.

Vgl. Maria A. Co, The major summaries in acts: Acts 2,42-47; 4,3235; 5,12-16. Linguistic and literary relationship. In: Ephemerides Theologicae Lovanienses 68 (1992/1), 49-85.

Deze twee thema’s zijn minder duidelijk in de derde samenvatting; misschien zijn ze in het eensgezinde samenzijn in Salomo’s zuilengalerij geïmpliceerd. Opvallend is echter, dat het thema van de gemeenschap, in het bijzonder van goederen, onderwerp is van de voorafgaande perikoop, de geschiedenis van Ananias en Saffira, en dat het getuigenis van de apostelen expliciet als opdracht klinkt in vers 20, waarbij de tempel als Salomo’s zuilengalerij geconcretiseerd kan worden. Opvallend is echter ook dat er na hoofdstuk 5 niet meer over goederengemeenschap gesproken wordt, alleen nog over delen (zoals in 6,1-7).

Groei?

Handelingen 5,12-16 is de laatste dergelijke samenvatting. Hierna volgen alleen nog samenvattende zinsneden die de groei van de gemeente en de verspreiding van de Paasboodschap vanuit Jeruzalem benadrukken (Hand. 6,7; 9,31; 12,24; 16,5; 19,20). Maar breidde hun aantal zich ook volgens deze derde samenvatting uit? Handelingen 5,13-14 toont in de NBV een interne spanning: niemand durft zich aan te sluiten, maar steeds meer mensen gaan geloven. Letterlijker vertaald: ‘Doch van de anderen durfde niemand zich bij hen aansluiten, maar het volk stelde hen hoog. En des temeer werden er toegevoegd, die de Here geloofden, tal van mannen zowel als vrouwen’ (SV). Vreemd genoeg lijken deze ‘anderen’ de rest te zijn ten opzichte van de later genoemden die in de Heer (gaan) geloven. Al is dit ‘geloof in de Heer’ te begrijpen als groei van het aantal leerlingen, het biedt ook een overgang naar de volgende verzen, waarin staat dat mensen bewogen werden om hun zieken en bezetenen door de apostelen te laten genezen.

Genezingen

De jonge christenheid had een unieke, revolutionaire bediening in genezingen: er was gratis (vgl. Mar. 5,26!) ‘gezondheidszorg’ voor iedereen, genezing van ziekte en bezetenheid. Het is bijzonder te lezen dat mensen genezen worden door de schaduw van Petrus. Hier gebruikt God blijkbaar zelfs Petrus’ schaduw ter genezing. Biedt Gods heilzame schaduw uit het Oude Testament, van zijn vleugels in de psalmen en van zijn hand in Jesaja 51,16, een betere parallel en wordt zo Gods werken onderstreept?

De heilige Geest en de engel van de Heer

Lucas lijkt in alles te benadrukken dat God aan het werk is en dat Hij de gemeente beschermt, motiveert en laat groeien. Dit blijkt uit de ‘vele tekenen en wonderen’, de overweldigende vernieuwing van ‘en allen werden genezen’ die met deze nieuwe gemeenschap gepaard gaat en het werk van de heilige Geest (4,31; 5,32; 6,3). Ook de engel van de Heer toont Gods actieve betrokkenheid. Hij bevrijdt uit de gevangenis zoals in Handelingen 12 en geeft een opdracht van God door zoals elders (Hand. 8,26; 10,3-4; 27,23). Engelen waren ook voor niet-joden/ christenen realiteit in persoonlijke vroomheid; deze bemiddelende hemelse wezens vormden onderdeel van de structuur van de kosmos. Voor de hedendaagse hoorder heeft deze verschijning misschien het meest de karakteristieken van een beschermengel. Hoe dan ook, ook de engel beweegt de apostelen om Gods werk voort te zetten: zij zijn opnieuw in de tempel te vinden (5,25).

Alleen maar positieve geluiden van Lucas? Moed is nodig, omdat er tegenstand is. God redt door zijn engel, omdat de apostelen in de gevangenis zijn gegooid. Er is tegenstand, maar ook het getuigenis dat God zijn werk voortzet. We kunnen denken aan Bonhoeffer die in de gevangenis met het gedicht Von guten Mächten zijn ervaring van Gods nabijheid door zijn engelen verwoordde. Hij kwam erop door een kinderliedje en benadrukt dat volwassenen engelen net zo hard nodig hebben: ‘Es ist ein großes unsichtbares Reich, in dem man lebt und an dessen Realität man keine Zweifel hat. Wenn es im alten Kinderlied von den Engeln heißt: ‘zweie, die mich decken, zweie, die mich wecken’ so ist diese Bewahrung am Abend und am Morgen durch gute unsichtbare Mächte etwas, was wir Erwachsenen heute nicht weniger brauchen als die Kinder.’

Vgl. Dietrich Bonhoeffer en Maria von Wedemeyer, Brautbriefe Zelle 92: 1943-1945. München 1992, 208-210. LB 398 voor een berijming.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken