Goed leiderschap
5e zondag van de zomer (Psalm 23, Jeremia 23,1-6, Marcus 6,30-44 en Efeziërs 2,11-22)
In de Bijbel komen we overal herders en schapen tegen. Dat is niet verwonderlijk. In het Midden-Oosten van die tijd waren schapen en herders immers deel van het alledaagse leven. Wij daarentegen komen herders en hun schapen misschien in een openluchtmuseum tegen, of hier en daar op de heide, maar zeker niet elke dag en overal. Ook wereldwijd komen herders en schaapskuddes zoals de bijbelschrijvers die kenden, zeker niet overal voor.
Psalm 23 schetst God als een herder die over zijn kudde waakt en voor zijn schapen zorgt. Een herder die zijn schapen langs veilige paden naar de rust van grazige weiden en vredig water leidt. Die, wanneer de weg door een donker dal gaat, met zijn stok en zijn staf zijn schapen blijft beschermen en richting geven. De psalm schetst het beeld van een tafel die wordt aangericht met een overvloed aan eten en drinken, waar God met geurige olie vermoeide en door het leven getekende mensen nieuwe moed en kracht geeft. Hun een thuis biedt waar genade en geluk tot in lengte van dagen te vinden zijn. Het is een van de meest bekende en geliefde bijbelteksten die we kennen. Zelfs waar herders en schapen geen deel uitmaken van onze dagelijkse ervaring is het een beeld dat spreekt. Ook bij mensen die niet gelovig zijn.
Geen witte wollige knuffels
Soms, omdat we er in onze context niet dagelijks mee vertrouwd zijn, kunnen we vergeten – of ons niet genoeg realiseren – hoe zwaar en moeilijk het bestaan van een herder was, en zeker dat van een goede herder. Er kwam heel wat meer kijken bij schapen hoeden dan wat ontspannen rondhangen in een groene wei, aan de oever van een kalm kabbelend beekje met wat witte wollige knuffels om je heen. Schapen zijn bijna nooit echt wit, of zacht en wollig; sterker nog, ze stinken, ze mekkeren en hebben constant aandacht nodig. Ze lopen weg, verdwalen, raken in moeilijkheden, struikelen, vallen en worden ziek. Er zijn roofdieren die hun leven en dat van de herder bedreigen.
De grond in het Midden-Oosten was vaak stenig en droog, de ravijnen diep en de paden smal. Een herder moest continue op zijn qui-vive zijn om ongelukken te voorkomen. Overal lagen rovers en roofdieren op de loer. Het beeld dat Psalm 23 schetst, was eerder uitzondering dan regel.
De bijbelschrijvers en hun eerste lezers zullen dat geweten hebben. Wanneer de Bijbel spreekt over God als goede herder, of over mensen die door God tot herderschap, tot leiderschap geroepen zijn, zal dat als vanzelfsprekend op de achtergrond hebben meegeklonken. Een goede herder heeft alles voor zijn schapen over, zelfs zijn leven. Een goede herder herken je aan de toewijding en de zorg die hij heeft voor zijn kudde. En aan het welzijn en de zegen die hij zijn schapen brengt, de vrede, de veiligheid, de overvloed die hun deel zijn.
Slechte herders
Dat niet alle herders goede herders zijn, dat niet alle leiders het welzijn van hun schapen voorop stellen, weten we allemaal. Zelfs al portretteren ze zichzelf als goede herder, zoals machthebbers in het Midden-Oosten van die tijd dat graag deden, het harde werk en de zelfopoffering die van goede herders gevraagd wordt, krijgt in de praktijk lang niet altijd gestalte. In de lezing uit Jeremia 23 horen we over herders/leiders die hun schapen – de mensen die aan hun zorg zijn toevertrouwd – in het verderf storten en verstrooien. En we horen over Gods boosheid wanneer dat gebeurt. Hoe God ze de wacht aanzegt, deze slechte herders, en belooft hen te straffen en andere herders aan te stellen die wél recht en gerechtigheid zullen handhaven en wél goed voor de schapen zullen zorgen.
Dit is een intens politiek beeld waar we, als we het in de prediking gebruiken, niets van mogen afdoen. Goed leiderschap in de Bijbel weerspiegelt Gods leiderschap zoals dat onder andere in Psalm 23 geschetst wordt. Het brengt overvloed en zegen, vrede en gerechtigheid. Niet aan de herders, maar aan de kudde.
Overvloed voor allen
In het evangelie zien we een voorbeeld van hoe Jezus dat leiderschap in zijn leven gestalte heeft gegeven. Wanneer Hij met zijn discipelen rust zoekt, wachten hem vijfduizend hongerige mensen op. In plaats van ze naar huis te sturen of zelf rechtsomkeert te maken, vraagt Hij zijn vrienden om te zien wat de mensen bij zich hebben en dat te verdelen. Hij werkt met wat er voorhanden is, en met slechts vijf broden en twee vissen creëert Hij een overvloed waarmee iedereen gevoed kan worden. Er zijn zelfs twaalf manden over om verder van te delen. Waar Jezus, de goede herder, de leiding neemt, krijgt Psalm 23 gestalte en gebeuren wonderen in overvloed.
Het is trouwens prachtig hoe het verhaal met getallen speelt. Vijf, twee, tien, zeven en twaalf. De vijf boeken van de Wet, de twee geboden waaraan de Wet hangt en de tien die dat verder invullen, de volheid van het getal zeven, het hele volk vertegenwoordigd in de twaalf stammen. De getallensymboliek verdiept en verbreedt het verhaal voor wie het kan horen. Waar de Tora geleefd wordt, waar God en de naaste worden liefgehad, waar Gods aanwijzingen voor een goed leven ter harte worden genomen, daar is overvloed voor het hele volk en alle mensen. Daar wordt Psalm 23 realiteit.
Het tekstgedeelte uit Efeziërs gaat nog een stap verder. Niet alleen Israël, maar de hele wereld wordt geroepen tot die overvloed en dat leven – wordt geroepen om Gods mensen te zijn, verzoening te zoeken en te bouwen op het fundament van de Herder die zijn leven heeft gegeven voor vrede en verzoening tussen alle volken in de wereld.
Deze exegese is opgesteld door Anneke Oppewal.