Menu

Premium

Goedheid

Geloofstaal & cultuurtaal

In het huidige maatschappelijke debat gaat het vaak over waarden en normen. Centraal staat daarbij de vraag: wat is goed en wie zegt me dat? De kerk heeft daarin haar eigen bijdrage door te spreken over de ‘goedheid’ van God en de ‘goedheid’ van zijn geboden. Het is buitengewoon moeilijk om in een relativistische samenleving het evangelie als een beslissend woord te laten horen. Het is niet onmogelijk dat de wal het schip nog eens keert en dat we in de 21e eeuw in de impasse van onze onbeperkte vrijheid zullen gaan vragen naar richting en oriëntatie.

Woorden

Waar in onze vertalingen het woord ‘goed’ staat, heeft het Hebreeuws doorgaans tov. Een enkele keer is dit woord met ‘schoon’ vertaald (bijv. Ex. 2:2; Hos. 10:11). In het Nieuwe Testament staan verschillende woorden naast elkaar: agathos, kalos (dat ook ‘schoon’, ‘mooi’ kan betekenen) en chrèstos. Het laatste woord kan ook met ‘mild’ vertaald worden, bijvoorbeeld in Matteüs 11:30 waar Jezus dit woord gebruikt als typering van zijn ‘juk’. Aparte aandacht vraagt het Hebreeuwse woord dat moeilijk vertaalbaar is: chesed. De veelheid aan vertalingen maakt het probleem al duidelijk: de Statenvertaling gebruikt naast het woord barmhartigheid vaak de ouderwetse woorden goedertierenheid en weldadigheid. Latere vertalingen als de NBG-51 en de Willibrord geven onder meer de woorden: goedertierenheid, liefdedienst, trouw, genade, liefde. De GNB omschrijft het woord vaak, bijvoorbeeld: ‘dat u zo goed bent geweest’ (bijv. 2 Sam. 2:5). De veelheid aan vertalingen laat een probleem zien, dat nog aan de orde komt.

Betekenis in context

Oude Testament

God is goed en geeft het goede

Het behoort tot de kernbelijdenis van Israël dat God, de Here, goed is. Zijn goedheid bestaat hierin dat Hij zijn bevrijdende daden voor Israël doet. Als Jethro, Mozes’ schoonvader, hoort van de bevrijding uit Egypte verheugt hij zich ‘over al het goede dat de Here aan Israël gedaan had’ (Ex. 18:9). God spreekt het goede over Israël (Num. 10:29). Hij onthoudt Israël het goede niet (Ps. 84:12). Gods goede daden worden ook zichtbaar in het geschenk van het goede land (Deut. 1:25; 4:21; 8:7, 10; 9:6; Joz. 23:15). In de boeken Ezra en Nehemia lezen we vaak dat de goede hand van God met de teruggekeerde ballingen is, zodat hun werk slaagt (Ezra 7:9; 8:18, 22; Neh. 2:8, 18). Vanuit al deze ervaringen met God, de Here, durft Israël te zeggen dat Gods hele schepping goed is, ja ‘zeer goed’ (Gen. 1:31). Dat wil zeggen: aan God ligt het niet als er op deze aarde moord en doodslag plaatsvindt (Gen. 4). Hij heeft het anders bedoeld en anders gemaakt.

Om al dit goede dat God geeft, is het ook goed om God te prijzen (Ps. 147:1) en om bij God, dat is: in de tempel te zijn (Ps. 73:28). Daarom is het Psalmboek ook bij uitstek het boek waarin we de belijdenis van Gods goedheid vinden, soms zelfs als een refrein: ‘Looft de Here, want Hij is goed…’ (Ps. 118:29; 136:1; vgl. Ps. 73:1; 135:3).

In de crisis van de ballingschap heeft Israël het geloof in de goede God, het goede land en het goede leven hervonden. Dit geloof werd door het verblijf in den vreemde wel op de proef gesteld (Jes. 40:27), maar in de weg van berouw en bekering heeft Israël ontdekt dat het de ballingschap aan zichzelf te wijten had. Zo mocht het opnieuw Gods goede boodschap (Jes. 52:7) ontvangen over het geode leven (Jer. 32:37-44).

Gods goede geboden

Vaak komen we in het Oude Testament de uitspraak tegen dat Gods wet goed is. ‘Uw verordeningen zijn goed’ zegt Psalm 119:39. Hoewel het Oude Testament de geboden van God ook kent als een spiegel waar je in kijken kunt en waar je van schrikken kunt (2 Kon. 22:11v; Neh. 8:10), is de eigenlijke functie van de wet toch om Israël te leiden op het pad naar het goede leven in het goede land. Zoals al vaak gezegd is, kan het Hebreeuwse woord thora dan ook beter met ‘onderwijs’ dan met ‘wet’ vertaald worden. De wet is in het Oude Testament nooit een middel om Gods genade te verdienen, de wet veronderstelt juist de genade. De Tien Woorden beginnen dan ook met de proclamatie: ‘Ik ben de Here, uw God, die u uit het land Egypte, uit het diensthuis, geleid heb’ (Ex. 20:2).

Vandaar dat steeds weer de wet goed wordt genoemd. Als Mozes het volk op de wet wijst, zegt hij: ‘Zie, ik houd u heden het leven en het goede voor, maar ook de dood en het kwade…’ (Deut. 30:15). Het goede dat Israël aangeboden krijgt, vraagt dus wel om een keuze. De wet doen is doen ‘wat goed en recht is in de ogen van de Here, uw God’ (Deut. 12:28). In Micha 6:8 wordt het kernachtig onder woorden gebracht: ‘Hij heeft u bekendgemaakt, o mens, wat goed is en wat de Here van u vraagt: niet anders dan recht te doen en getrouwheid lief te hebben, en ootmoedig te wandelen met uw God’.

Gods solidariteit

Het bovengenoemde woord chesed is misschien het beste weer te geven met de begrippen ‘loyaliteit’ en ‘solidariteit’. De zaak waarom het gaat, heeft te maken met een relatie, die als een verbond kan worden aangeduid.

Dat geldt ook voor een relatie tussen mensen, bijvoorbeeld die tussen David en Jonathan (1 Sam. 20:8). Jonathan vraagt om Davids solidariteit (chesed) op grond van het verbond dat zij gesloten hebben (zie: verbond). Het gaat dus om iets waarop je rekenen mag en dat zich afspeelt in de bedding van beloften en afspraken. Toch is het onjuist om de chesed te zien als iets waar de verbondspartner vanzelfsprekend recht op heeft. Het feit dat Jonatan er zo nadrukkelijk om vraagt, bewijst dat er een element van vrijwilligheid in zit.

Ook in de verhouding tussen God en mensen geldt dat de chesed in de bedding van het verbond loopt: God houdt vast aan het verbond en de goedertierenheid (chesed) zegt Deuteronomium 7:9, 12. In Exodus 34:6 lezen we dat God royaal is in zijn chesed. Het woord staat hier naast een reeks andere typeringen van God, waaronder het woord ‘trouw’. Hosea 2:18 (GNB: 2:21) zegt dat God zijn bruid zal werven in ‘goedertierenheid (chesed) en ontferming’. Juist de context van Hosea maakt weer duidelijk dat het hier om onverdiende goedheid gaat. Dat God nog doorgaat met deze ontrouwe partner (zie Hos. 1-3) is eigenlijk niet goed te begrijpen. In het verband van de profetische heilswoorden krijgt chesed de klank van ‘genade’ in zich. In Jeremia 31:3 wordt het duidelijk dat de chesed van God aan het bestaan van Israël voorafgaat. Dat het niet om een vanzelfsprekend geschenk van God gaat, blijkt in Jeremia 16:5 waar staat dat God zijn chesed kan wegnemen van zijn volk. Dan houdt het verbond op, dan houdt Israël in feite op te bestaan.

Nieuwe Testament

God is goed

In Marcus 10:18 en Lucas 18:19 vinden we de oudtestamentische belijdenis dat God goed is terug: Jezus zegt tot de rijke jongeling dieHem met ‘goede meester’ aanspreekt: ‘Waarom noemt gij Mij goed? Niemand is goed dan God alleen’. Opvallend is hier wel dat Jezus zelf niet met ‘goed’ aangesproken wil worden. Terwijl het evangelie er toch vol van staat dat Jezus goed doet en goed is! Jezus wil hier blijkbaar het onderscheid tussen God en zichzelf beklemtonen. We moeten hier niet te snel het dogma van Jezus’ godheid tegenin brengen, maar dit bijbelwoord laten uitspreken. Het christologisch dogma is in sterke mate door de johanneïsche geschriften gestempeld, waarin de eenheid van de Vader en de Zoon benadrukt wordt. In de synoptische evangeliën ligt er meer afstand tussen Jezus, de Zoon, en God, de Vader (zie ook Mar. 13:32 en Mat. 24:36).

Het gebod is goed (Paulus over de wet)

Helemaal in overeenstemming met het Oude Testament zegt Paulus: ‘Zo is dan de wet heilig, en ook het gebod is heilig en rechtvaardig en goed’ (Rom. 7:12). Dat hij dit met zoveel nadruk stelt, is veelzeggend. De indruk was opgekomen dat Paulus de wet afwees als schadelijk en slecht. Zijn judaïserende tegenstanders maakten hem daarmee in Jeruzalem zwart bij Jakobus en Petrus. Paulus probeert in Romeinen een en ander recht te zetten. De wet is goed, maar sluit niet aan bij de ‘oude mens’, de ‘vleselijke mens’ (Rom. 7:14). Ze prikkelt juist tot zonde (Rom. 7:5) in plaats dat ze de mens tot het nieuwe leven voert. Dat ligt niet aan de wet, maar aan de mens. Er is een ingreep van hogerhand nodig om mens en wet op elkaar te laten aansluiten. Wat de wet niet kon, heeft God in Christus gedaan (Rom. 8:3). En zo gebeurt dan toch het ongelofelijke (maar via een omweg!) dat de mens de geboden van God gaat gehoorzamen. God heeft zijn Zoon gezonden ‘opdat de eis der wet vervuld zou worden in ons…’ (Rom. 8:4). Met andere woorden: opdat wij aan de wetzouden gehoorzamen. Wie een verhaal wil bij deze schijnbaar abstracte woorden, moet denken aan Zacheüs. Talloze malen was hij geconfronteerd met de geboden van God: gij zult niet stelen, enzovoort. Maar het haalde niets uit, hij werd er juist de verkeerde kant door opgedreven. Wat wel iets uithaalde, was dat God zijn Zoon naar Zacheüs zond en hem onverwacht en onverdiend zijn liefde en vergeving bood. Dat bewerkt bij de tollenaar de grote verandering. En wel zó, dat hij ook gaat doen wat de wet vraagt: het gestolene vergoeden (Luc. 19:8). Via de omweg van Gods liefde in Jezus Christus vervult Zacheüs de wet.

Het goede leven

Geheel in de lijn van het Oude Testament wordt in het Nieuwe gezegd dat het leven goed is omdat het uit de hand van de goede God komt. In de vroege Kerk is veel strijd gevoerd over de vraag of deze werkelijkheid wel als schepping van God mag worden gezien. Marcion en de gnostici ontkenden dat. De Katholieke Kerk heeft altijd aan de goede schepping vastgehouden. In het Nieuwe Testament tekent zich deze strijd al af, bijvoorbeeld in een late brief als 1 Timo-teüs. In hoofdstuk 4 wordt gesproken over dwaalleraars die het huwelijk verbieden en bepaalde spijzen, ‘welke God toch geschapen heeft’ (vs. 3). Het gaat hier om een ascetische stroming, die het lichaam blijkbaar als iets minderwaardigs zag. Het grote bijbelse verweer is: ‘… alles wat God geschapen heeft, is goed en niets daarvan is verwerpelijk… ‘ (vs.4) . Wel staat er een bepaling bij: als het met dankzegging aanvaard wordt’ (over het dankgebed voor de goede gaven, zie ook vers 4 en5) . In het gebed wordt God als de Schepper erkend en gedankt. Tevens is dit gebed een uitermate kritische instantie voor onze omgang met deze werkelijkheid. Als we God ergens niet voor danken en prijzen kunnen, is datgene dus wel verwerpelijk. Concreet: wie genoten heeft van een goed maal en van een goed glas wijn, kan God ervoor danken. Wie zich misselijk gegeten en bedronken heeft, kan dat zeker niet.

Kern

Boven stelden we dat de kerk een eigen inbreng heeft in het debat over waarden en normen. Daarbij moet ze het evangelie niet vergeten: de aanvaarding gaat aan de bekering vooraf (zie Zacheüs). Daarom moeten we niet spreken over ‘normen en waarden’, maar over ‘waarden en normen’, ook al kunnen we in de praktijk van het leven de waarde achter de norm niet altijd expliciet maken. Uit de Bijbel kunnen we leren dat een eenzijdig benadrukken van de normen ons niet veel oplevert. Alleen wanneer een mens zichzelf kan zien als een (door God en mensen) bemind mens, krijgt hij stuur en richting. Dat Zacheüs in Jezus’ ogen wat waard was, bracht hem tot de norm van de eerlijkheid. Ook voor de samenleving geldt: ‘Gods goedheid houdt ons staande, zolang de wereld staat’ (Ps. 107:1 ber.). Als de kerk in onze samenleving over goed (en kwaad) spreekt, moet dat hoorbaar worden. Mensen kunnen dan ontdekken dat ‘goed’ niet iets is dat nu eenmaal moet, maar dat ‘goed’ werkelijk goed is, heilzaam, helpend, reddend.

Verwijzing

Zie voor verwante en/of aanvullend te bestuderen woorden: wet, vervulling.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken