Haar
baard, snor, kaalheid, scheermes
Konden we vroeger van de haardracht enigszins aflezen welke levensstijl iemand aanhing of tot welke sociale groep hij of zij behoorde, tegenwoordig is dat minder duidelijk. Een enkele keer komt het nog voor dat de haardracht een bepaalde levensstijl of de verbondenheid met een groep verraadt, zoals bij bepaalde jongerengroepen, orthodoxe Joden of streng-orthodoxe protestantse vrouwen. Meestal wordt de keuze voor zeer uiteenlopende modellen en kleuren, bepaald op esthetische gronden: ‘Ik vind dit mooi’.
In Israël bestond minder variatie. Te midden van die eenvoud vielen verschillen meteen op en heel vaak sprak daar een diepere zin uit.
Grondtekst
De woordenschat van haar, baard, kaalheid en de daarbij behorende werkwoorden is vrij uitgebreid. De meest voorkomende woorden – zij bezitten dezelfde stam – zijn: se’ar, ‘beharing, haar’, 27x, waarvan 15x in Leviticus 13-14; sa’arah, de afzonderlijke ‘haar’ (Richt. 20:16; 1 Sam. 14:45; 2 Sam. 14:11; 1 Kon. 1:52; Job 4:15) of het collectivum (Ps. 40:13; 69:5); het Aramese se’ar, ‘(hoofd)haar’ (Dan. 3:27; 4:30; 7:9). Deze stam is verwant met het woord voor ‘geitenbok’, wat het beeld in Hooglied 6:5 – meisjeshaar lijkt op kudde geiten – sterker maakt. Een enkele keer heeft het woord rosj, ‘hoofd’, de betekenis van hoofdhaar (Lev. 14:9; 19:27; Num. 5:18; 6:9; Deut. 21:12; Jes. 7:20; Job 1:20). Eenmaal verschijnt dallah inde betekenis van ‘hangend haar’, in de liefdespoëzie van Hooglied (7:5[6]). De tsietsit (elders kwast van het kleed) wijst in Ezechiël 8:3 op de haarbos. Voor haarkrullen heeft het Hebreeuws miqsjèh (Jes. 3:24). Het woord voor ‘baard’, zaqan (19x), hangt samen met het werkwoord ‘oud zijn’. Met safat is het haar boven de bovenlip, de snor, bedoeld (Lev. 13:45; 2 Sam. 19:25[24]; Ez. 24:17,22; Mi. 3:7). Het woord qorchah, ‘kaalheid’, vinden we hoofdzakelijk bij de profeten (11x); het komt van qarach, ‘zich kaal (laten) scheren’ (Lev. 21:5; Jer. 16:6; Ez.27:31; 29:18; Mi. 1:16; vgl. galach, zich scheren’, 23x). Van dezelfde stam is qereach, ‘kaalhoofdig’ (kaal op het achterhoofd; Lev. 13:40; 2 Kon. 2:23), en qarachat, ‘kale plek’ (Lev. 13:42-55). Zie ook de namen Kareach (Jer.40:8) en Korach (Ps. 42:1). De ta’ar, ‘scheermes’, wordt zowel letterlijk als overdrachtelijk gebruikt (Num. 6:5; 8:7; Jes. 7:20; Ez. 5:1; Ps. 52:4). Het nieuwtestamentische thriks (14x), duidt meestal op menselijk haar; in Matteüs 3:4 en Marcus 1:6 is het kameelhaar. In 1 Korintiërs schrijft Paulus over de haardracht in de liturgie (11:6-15). Daar vallen de woorden komè, ‘haar’, komaoo, ‘lang haar dragen, het haar lang laten groeien’, en keiroo, ‘zich laten knippen’ (vgl Hand. 18:18).
Letterlijk en concreet
a.De bijbelse mens is zich bewust van de uitstraling van zijn haardracht. Zowel aan haar in het algemeen en aan bepaalde modellen of kleuren als aan het ontbreken ervan kent hij meerwaarde toe (zie beneden).
b.De haardracht van de vrouw is lang en eenvoudig samengebonden. Daarnaast komt het meer kunstige model voor. Soms proberen vrouwen, zoals koningin Izebel en de vrijheidstrijdster Judit, met hun tooi de mannen te behagen, en dat met een bepaald doel (2 Kon. 9:30; Judit 10:3). Als de joodse vrouw zich bij het opmaken te veel laat leiden door de buitenlandse vrouwen, kan er profetische kritiek losbreken (Jes. 3:17-24; vgl. 1 Petr. 3:3).
c.De man draagt doorgaans zijn haar niet lang en laat zijn baard en snor groeien. Baard en snor gelden als een sieraad en tonen zijn mannelijkheid. Er zijn situaties dat hiervan wordt afgeweken, bijvoorbeeld bij een bijzondere opdracht (Num. 6:5) of bij grote ontsteltenis en treurnis (Ezra 9:3). Wanneer Jozef de Egyptische cel verlaat om voor farao te verschijnen, moet hij – naar Egyptische gewoonte – eerst geschoren worden (Gen. 41:4). Zo lijkt hij op de Egyptenaren.
d.Voor het cultuspersoneel bestaan verschillende voorschriften over het knippen van het haar en het scheren van de baard. Ruwweg komt het hier op neer: het is verboden de baard en voor een deel het hoofdhaar weg te scheren (Lev. 19:27; 21:5; Deut. 14:1; Ez. 44:20). Vermoedelijk dient dit verbod om afstand te nemen van heidense rouwgebruiken en zich zo te onderscheiden.
Symboliek en beeldspraak
a.De kleur van het haar verbeeldt in de bijbel meestal een diepere gedachte. Zwart haar staat voor gezondheid, jeugd en vitaliteit (Hoogl. 4:1; 5:11). Wit of grijs haar roept eerbied op. Dit is vaak de haarkleur van de oudere mens die respect verdient, omdat hij de traditie heeft doorgegeven en een bron van wijsheid is; maar wit is eveneens de kleur van hemelse wezens (Lev. 19:32; 2 Makk. 6:23; Op. 1:14). Rossig haar staat samen met jeugdigheid voor opvallende schoonheid (1 Sam. 16:2) en purperkleurig haar geldt zelfs als ultieme schoonheid (Hoogl. 7:6[5]).
b.De mannen kennen het gebruik om elkaar bij de begroetingskus als teken van genegenheid aan de baard te trekken (2 Sam. 20:9). Het afscheren van de baard door tegenstanders beleeft de Israëlitische man als grove belediging. De man met afgeschoren baard verbeeldt de verachting en roept spot over zich af (2 Sam. 10:4). Het is vergelijkbaar met vrouwen die na de oorlog zijn kaalgeschoren. Voor Israël is het een schrikbeeld, wanneer de profeet aankondigt dat de Heer Israëls hoofd en benen zal scheren door Assyrië (Jes. 7:20; vgl. 2 Kon. 16:7-8). Dit beeld schildert de verachting die het volk zal ondergaan; alle waardigheid zal hen ontnomen worden. Later zien we eenzelfde gedachte, alleen sterker uitgewerkt, bij de profeet Ezechiël. Deze krijgt de opdracht haar van eigen hoofd en baard af te snijden, waarmee hij de verachting van Israël symboliseert. Het haar verdeelt hij in drieën; elk deel is nadere uitwerking van die vernedering (Ez. 5:1-4).
c.De haardracht in de bijbelse tijd onthult min of meer de identiteit van een persoon. Tot op zekere hoogte is die persoon zijn haar. Met dat inzicht valt er op het verhaal van de vrouwen die Jezus’ voeten afdrogen een ander licht (Luc. 7:36-50; Joh. 12:1-12). In de eerste plaats nemen de vrouwen met die daad een groot risico, omdat hier sprake moet zijn van loshangend haar. En juist dat was laakbaar. De traditie schrijft immers voor dat de vrouw enkel in de nabijheid van haar eigen man de haarwrong mag losmaken. Vrouwen met loshangend haar in het openbaar zijn daarom erotisch gezien verdacht. In de tweede plaats symboliseert de daad van het afdrogen met het haar hun volledige overgave aan Jezus. Met hun haar geven zij zichzelf over uit liefde voor de Heer. En daarom beelden zij uit wat Jezus in het licht van het kruis doet, namelijk zich overgeven uit liefde voor de wereld. Door het haar los te laten hangen, samen met de andere handelingen, spreken zij hun liefde voor Christus uit. Zij komen te staan in de verhouding bruid en bruidegom (vgl. Hoogl. 7:5[6]).
d.Op het hoofd van de nazireeër of nazir mag geen scheermes komen en geen wijn zal hij drinken, gebiedt de Tora (Num. 6:5). De nazireeër is een geroepene, iemand die in naam van God een missie van bevrijding heeft te vervullen. Israël herkent hem aan zijn lange haar. Samuël leeft als zodanig (1 Sam. 1:11) en Paulus neemt tijdelijk deze opdracht op zich (Hand. 18:18). Overbekend is Simsons nazireeërschap (Richt. 13:5). Het lange haar van de nazireeër symboliseert de kracht en de presentie van de Heer, die zichtbaar worden in de daadwerkelijke bevrijding van mensen, van Israël. Simson draagt het geheim van zijn kracht in zijn hart mee; het geheim is iets tussen hem en God. Echter, op een kwade dag ontfutselt zijn Filistijnse vrouw hem dit geheim. De gevolgen zijn voor Simson desastreus. De vijand knipt zijn haar en de goddelijke kracht en presentie verdwijnen uit zijn leven. (Richt. 16:15-22).
e.Zowel het beeld van de ene enkele haar als dat van alle haren samen treffen we meermalen aan. De hyperbolische uitdrukking ‘talrijker dan de haren van mijn hoofd’ doelt in Psalm 40:13 op de rampen en ongerechtigheden die de dichter overkomen, en in 69:5 op de lieden die hem haten. Hij zegt ermee: wat mij overkomt, is veel, té veel. Bijna niet om uit te houden. De uitspraak ‘en de haren van je hoofd zijn alle geteld’ (Mat. 10:30) brengt Gods aandacht voor en zorg over alles; niets valt daar buiten, ook het allerkleinste niet. Elke haar is geteld. Alles wat de mens meedraagt, is de moeite waard! Daarom zal geen haar van het menselijk hoofd teloorgaan. Niets bestaat voor niets, je mag er zijn voor Gods aangezicht (Luc. 21:38; Hand. 27:34). Deze zegswijze vindt haar basis in het Oude Testament, waar met ‘er zal geen haar van je hoofd ter aarde vallen’ wordt gezegd dat iemand niets zal overkomen, het zal hem goed gaan (1 Sam. 14:45; 2 Sam. 14:11; 1 Kon. 1:52).
f.Het fragment uit Paulus’ brief aan de Korintiërs over de haardracht van mensen en vrouwen heeft in de kerk, en daarbuiten, al heel wat stof doen opwaaien. Paulus pleit ervoor dat de mannen blootshoofds en met geknipt haar en de vrouwen met hoofddeksel en lang haar bidden en profeteren (1 Kor. 11:2-16). Er valt met zo’n gegeven alleen goed om te gaan, als we de symboliek daarin verstaan. De symboliek van het blote en kortgeknipte mannenhoofd is dat de nabijheidmet God sterker ervaren wordt; er tekent zich iets af van het ‘aangezicht tot aangezicht’, zoals dat op de dag van de Heer volledig werkelijkheid zal worden. De symboliek van het bedekte vrouwenhoofd met lang haar zinspeelt, naar het toenmalige beeld van de vrouw, op de eigenheid van de vrouw. Die eigenheid, haar vrouw-zijn wordt uitgedrukt in lang haar. Welnu, als we die voorschriften van Paulus alleen letterlijk verstaan, moeten we óf ons forceren dingen te doen die niet bij ons passen óf we moeten deze tekst als achterhaald bestempelen. Kijken we echter naar het beeld daarachter, dan behoudt deze tekst zijn actualiteit; dan vraagt hij nu: Hoe kan de man de beloofde toekomst van Gods sterke nabijheid in de liturgie optimaal weerspiegelen? Hoe kan de vrouw haar hedendaagse eigenheid vorm en inhoud geven in de liturgie en zo beter tot haar bestemming komen?
g.Kaalhoofdigheid is niet geliefd in de bijbel. Waarschijnlijk heeft dat te maken met de verbinding tussen kaalheid en melaatsheid (Lev. 13:3844). Mogelijk speelt eveneens de legende in 2 Koningen 2:23-25 een rol. Daar jouwen de kinderen de profeet Elisa uit voor kaalkop. Elisa’s reactie is scherp, hij vervloekt de kinderen met het gevolg dat ze door twee berinnen worden verscheurd. Het verhaal zit vol symboliek: Elisa’s hoofd (anders dan Elia, wiens harig uiterlijk opviel, 1:8) staat voor zijn profetische opdracht die bespot wordt; de tweeënveertig kinderen staan voor de machthebbers die de profetische boodschap negeren (vergelijk hetzelfde aantal handlangers van de dynastie 10:14!); de wilde dieren zijn beeld van vijandige machten die Israël doen ondergaan als het zich afkeert van de Heer. Toch komt ook bewust gekozen kaalheid in de bijbel voor. Het (gedeeltelijk) scheren van hoofd en baard of het bedekken van haar of het uittrekken van haar is symbool van grote treurnis (Ez. 7:18; Job 1:20; Ezra 9:3). De gedachte is deze: haar verbeeldt vitaliteit en levenslust. In dagen van verdriet en ontsteltenis vloeien de kracht en vreugde weg. Dät beeldt de rouwende uit.
Praxis
a.Liederen:
Liedboek: Psalm 23; 40; 113; 141; Gezang 13; 179; 249; 403; Bijbel I: 22; Evangelie III: 21; ZAD II: 27; Zingend VI: 2.
b.Poëzie:
Michel Coune, Bruidszang bij het Hooglied,Averbode/Kampen 1992, blz. 73: ‘Je lokken zijn als kudde geiten’. Judith Herzberg, 27liefdeslied-jes, Amsterdam 19867, blz. 35: ‘Wat is er voor bizonders…’. M. Vasalis, Vergezichten en gezichten, Amsterdam 1997, blz. 112: ‘Van hoofd naar schouder…’.
c.Verwerking:
De betekenis van haar en kaalheid kunnen we goed duidelijk maken door bij de hedendaagse haardrachten te starten. Waarom kiezen wij voor dit en dat model, voor deze en die haarkleur? Vandaaruit leggen we de verbinding met de bijbelse tijd. De volgende thema’s doemen bij het begrip haar op: liefde, eerbied, geweld, identiteit, navolging en de waarde van het allerkleinste in de ogen van God.
Verwijzing
Er lopen duidelijke lijnen van haargroei en kaalheid naar ‘kleding‘ en ‘naaktheid‘. Verder zien we raakvlakken met ‘hoofd‘, ‘gelaat‘ en ‘sluier‘.