Menu

Premium

Herstel van het verleden

5e zondag van de Herfst (Ezra 3:10-4,5(7) en 4:24-5,5a)

De tweede tempel moest op bevel van de Perzische koning Cyrus op de plaats worden gebouwd waar vóór de ballingschap de eerste tempel had gestaan. De tweede tempel zal waarschijnlijk zijn gegrondvest boven op de oude fundering die er nog lag (Ezra 3:10). Zo luidde immers het bevel: ‘De fundamenten moeten dezelfde blijven’ (6:3 –NBV). Beter is het dan ook niet te spreken van de bouw van de tweede tempel, maar van de herbouw van de eerste tempel.

De bouwers stellen de priesters en de Levieten op om muziek te maken en God te loven naar de aanwijzingen van David, Israëls koning. David had namelijk aanwijzingen gegeven voor muziek die in de eerste tempel werd uitgevoerd. Ze zingen in beurtzang, in twee koren (10,11). Zo wordt in steen en hout én in muziek en zang voortgebouwd op de tijd van voor de ballingschap, beide bij koninklijk besluit, naar het bevel van Cyrus en de handreikingen van David. Deze besluiten vormen de grondslag. Ook het besluit van Cyrus om de gouden en zilveren voorwerpen die Nebukadnessar uit de tempel had geroofd en naar Babel gebracht, terug te brengen naar de tempel in Jeruzalem (6:5), is met het oog op het herstel van het verleden.

Feestvreugde

De grondvesting wordt een groot feest vanwege de aansluiting met de tijd van voor de ballingschap. Niets lijkt de bouwers af te houden van de gedachte dat het verleden voortleeft in het heden. Zodra de priesters en Levieten zingen op de wijze van David, barst het volk uit in gejuich. Psalmen 136 (Ezra 3:11) gaat over de uittocht van het volk uit Egypte naar het Beloofde Land door de woestijn. Het zingen van deze psalm betekent dat het volk in zijn terugkeer uit de ballingschap naar Jeruzalem een parallel ziet met deze uittocht eertijds uit Egypte. Het zingen van het keervers ‘Want voor eeuwig is zijn vriendschap’ (NB) geldt net zo goed voor de verlosten uit Egypte als voor de ballingen die terugkeren. Bij herhaling wordt Gods ‘vriendschap’ (Hebr.: chèsèd) bezongen, keer op keer. De conclusie van het volk na het horen van die beurtzang kan er maar één zijn: God is goed. Dat blijkt uit zijn trouw in alle omstandigheden waarin wij hebben verkeerd. Reden om de lier niet langer in de wilgen te hangen (Psalmen 137:2).

Luid geween

Op een feest hoort er naast vreugde ook plaats te zijn voor verdriet. Juist op het moment dat aansluiting wordt gezocht en gevonden bij het verleden blijkt namelijk het verschil van nu met toen. De ouderen kennen nog de tijd van voor de ballingschap (Ezra 3:12). Zij wenen luid om de tijd die zij hebben meegemaakt. Zij hebben de eerste tempel nog voor ogen, en nu zien zij slechts grondvesten. Het beeld van het verleden hindert hun blik op de toekomst. Zij kunnen zich niet voorstellen dat het huis net zo mooi kan worden herbouwd als weleer. Niemand kan hun luide geween echter onderscheiden van het gejuich (3:13). Want terwijl de ouderen met weemoed terugzien, kijken de jongeren vooruit vol geloof en hoop op wat de toekomst brengen gaat. Geween en gejuich horen bij elkaar. Gehecht zijn aan een glorieus verleden en vurig vertrouwen stellen in de toekomst moeten samenklinken op een feest waar ouderen en jongeren elkaar treffen. Want het zijn twee vormen van dezelfde liefde. Wie zich alleen richt op het verleden, rekent buiten wat God voor groots in petto heeft. Zoals te lezen is bij de profeet Haggai (2:9): ‘Groter wordt de toekomstige glorie van dit huis dan de eerdere, heeft gezegd de Ene, de Omschaarde, – en in dit oord zal Ik vrede geven, is de tijding van de Ene, de Omschaarde!’ (NB).

Overlast en tegenwerking

Al die trompetten en cimbalen, dat zingen, juichen en wenen van het volk, het moet een enorm lawaai zijn geweest. Zozeer dat het van verre te horen was (Ezra 3:13). De Samaritanen − diegenen die na het wegvoeren door Assyrië van de stammen van het noordrijk daar kwamen wonen (7e eeuw v.Chr.) − moeten gealarmeerd zijn door dit lawaai. Want ze komen naar de bouwers en vragen de stadhouder Zerubbabel om te mogen meebouwen aan de tempel. Deze houdt echter de boot af. De Samaritanen offerden namelijk niet alleen aan dezelfde God − waarop zij zelf wijzen om te mogen meebouwen − maar ook aan andere goden. Inclusiviteit, ook in de kerk, is niet altijd goed. Niet iedereen die zegt dezelfde God te aanbidden, kan namelijk meebouwen
aan het huis van de Heer. Soms moet je zeggen: ‘Nee, wij alleen zullen dat bouwen’ (4:3). Er wordt diplomatiek verwezen naar het bouwbesluit van koning Cyrus. Maar in feite gaat het om voor wie zij bouwen: niet zomaar ‘G/god’, maar ‘de Ene, Israëls God’. Met het feest bij de grondvesting vieren zij niet alleen het herstel van de tempel, maar ook dat van de band met deze God. De unieke band van God met dit volk laat geen andere goden toe. De ballingen die zijn teruggekeerd, hebben geleerd niet meer de fout te maken die hen in de ballingschap deed belanden: het offeren aan andere goden. De offers die zij zullen brengen in de herbouwde tempel moeten zuiver zijn. De ballingschap heeft welbeschouwd een louterende werking gehad op het volk.

De weigering zorgt voor tegenwerking, ontmoediging van de bouwers, zelfs een bouwstop. Totdat de profeten Haggai en Zacharia de bouwers moed inspreken (5:1vv.). Dan kunnen zelfs de aanklacht die de Samaritanen bij de Perzische koning indienen en het onderzoek dat daarop volgt hen er niet meer van afhouden om het huis af te bouwen, wat bereikt zal worden met de voltooiing van het ‘houten beschot’ (Aramees: ’oesjran – 5:3).

Deze exegese is opgesteld door Henk Schoon.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken