Bij Hooglied 5,2-8 en 1 Johannes 5,1-6De Hoogliedtekst begint en eindigt met ’ani, ‘ik’. Het in het Hebreeuws zelfstandige woord betekent een beklemtoond ‘ík’. Nog twee keer komt het in de tekst voor. Vier keer uitdrukkelijk ‘ik’: gesproken vol verwachting (5,2), gejubeld, vol lust (5,5), van streek, roepend (5,6) en vasthoudend aan het eigen ‘ik’, het eigen verlangen (5,8). In dit liefdeslied horen we een ‘ik’, waarin we misschien zoals in geen ander bijbelboek de stem van een vrouw horen.Ulrike Eichler, een Duitse theologe, vergelijkt de situatie van de vrouw uit het Hooglied met Genesis: ‘Op je man richt zich
Het volledige Premium-artikel lezen?
Dit artikel is voor Premium-leden.
Log in en lees onbeperkt alles op Theologie.nl. Nog geen lid?
Krijg toegang tot ruim 11.500 artikelen, waaronder verdiepende vakinhoud, preekschetsen, exegeses, kindermomenten en preekvoorbeelden.
Bekijk Premium >
InloggenLid worden