Het grote gebod en Jezus’ identiteit
6e zondag van de Herfst (Deuteronomium 6:1-9, Psalmen 1 en Matteüs 22:34-46)
Naarmate de kruisdood dichterbij komt, stuurt de evangelist Matteüs steeds meer aan op een beslissing: wie is die Jezus? De weg van de wettelozen loopt dood, waarschuwt Psalmen 1. Maar rekent men Jezus bij de boosdoeners, of bij de rechtvaardigen die zich verdiepen in Gods wet en daar vreugde in vinden?
‘Dit is het gebod!’ zegt Mozes tegen het volk (Deuteronomium 6:1). Het gebod dat zo belangrijk is dat enerzijds hij het moet leren aan het volk, en dat anderzijds door dat volk, mens voor mens, nageleefd moet worden, hun leven lang, niet alleen door henzelf maar ook doorheen de generaties. Mozes weidt uit: ontzag voor God drukt zich uit in het zich houden aan diens geboden. Het brengt bovendien zegen mee: een lang leven, welvaart in het Beloofde Land, en een toename van hun aantal.
‘Hoor, Israël!’
Mozes scherpt het belang van de geboden die hij nog zal geven verder aan: ze moeten steeds in hun gedachten zijn, en waar ze ook gaan of staan, van ’s ochtends tot ’s avonds, moeten ze besproken worden. Die geboden moeten op het lichaam gedragen worden, en waar men leeft en elke dag in- en uitgaat geschreven: op de deurpost en op de poorten van een stad. Tot op vandaag voeren joden dit ritueel uit. Het Sjema Israël (Hoor, Israël) is in de joodse traditie zo belangrijk geworden dat het elke dag gebeden wordt. De tekst kan op verschillende manieren gelezen worden: JHWH onze God is de enige, of JHWH is onze God, JHWH alleen, of JHWH onze God, JHWH is één. Het is de basis voor het liefhebben van God, met heel je hart, ziel, en al je krachten.
Mozes heeft het enerzijds over ‘het gebod’ en anderzijds over vele regels en richtlijnen. Je kunt er dus over discussiëren wat nu precies onder dat voornaamste gebod valt. Het klinkt voor buitenstaanders misschien als muggenzifterij, maar er staat veel op het spel. Ook voor joden en christenen in de eerste eeuw is de vraag brandend actueel: zij zijn hun Beloofde Land reeds kwijt aan een Romeinse bezetter. Hoop op het terug in vrijheid kunnen leven in dat land is gekoppeld aan het naleven van Gods geboden, en zeker dit voornaamste gebod.
De inzet van de farizeeën
De vraag naar het hoogste gebod heeft als context een toenemende afwijzing van Jezus door de leiders van het volk, en ook door de farizeeën. Zij herkennen zich immers in de gelijkenissen van Jezus als degenen aan wie het Koninkrijk van God ontnomen wordt om het te geven aan mensen die zij minachten, zoals hoeren en tollenaars (Matteüs 21:31). Het volk beschouwt Jezus echter als een profeet, en dat houdt hen tegen om Jezus zonder meer gevangen te zetten. Daarom overleggen ze hoe ze Hem een uitspraak kunnen ontlokken waarmee Hij in de val loopt (21:46; 22:15).
De eerste poging is de vraag rond het betalen van de gehate Romeinse belasting, gevolgd door de vraag van de sadduceeën over de verrijzenis. Als Jezus ook daar een antwoord op geeft dat zijn tegenstanders doet zwijgen en het volk versteld laat staan, is de volgende poging de vraag naar het eerste gebod (22:35-36). Hierop citeert Jezus niet enkel het ‘Heb JHWH, uw God lief’, maar voegt er ook een ander gebod aan toe, dat Hij hiermee gelijkstelt: ‘Heb uw naaste lief als uzelf’ (Leviticus 19:18). Beide geboden dragen niet alleen de wet, maar ook de profeten. Impliciet geeft Jezus zo aan waar de basis voor zijn optreden ligt, want het volk beschouwt Hem als een profeet. Tegelijkertijd daagt het de farizeeën uit: is voor hen naastenliefde wel even belangrijk als het liefhebben van God?
Jezus, de Zoon van David
Op zijn beurt stelt ook Jezus een vraag die zijn tegenstanders op de proef stelt. Het is een politiek gevaarlijke vraag: messiassen zouden met al hun volgelingen weleens het gezag van Rome kunnen ondermijnen, en daarmee ook een gewelddadige reactie van de Romeinen uitlokken. Een vraag naar de Messias is bovendien tegelijkertijd ook een vraag over Jezus’ identiteit. Door heel het Evangelie heen krijgen we immers te horen dat Jezus de Messias van Godswege is (Matteüs 1:16.17; 2:4; 11:2; 16:16.20). Jezus lokt dus een uitspraak over zichzelf uit. Het antwoord is vanuit de traditie vrij voorspelbaar: de Messias is een zoon van David. Naar de lezers en toehoorders toe bevestigen de farizeeën zo echter ook dat Jezus de Messias is. Telkens opnieuw is hij ‘Zoon van David’ genoemd (Matteüs 1:1.17; 9:27; 12:23; 15:22; 20:30.31; 21:9.15), tot grote ergernis van de joodse leiders.
Jezus gaat nog een stap verder. Aan David wordt een messiaanse psalm toegeschreven waarin JHWH tegen Davids heer zegt: ‘Zet je aan mijn rechterhand’ (Psalmen 110:1). Hiermee wordt de Messias als Gods rechterhand en heer van David geschetst. Hoe kun je tegelijkertijd nakomeling en heer zijn? Om hierop een antwoord te geven, moeten de farizeeën niet enkel kennis van de Schrift hebben, maar ook inzicht in Gods macht (vergelijk Matteüs 22:29), en erkennen dat in Jezus God aan het werk is. Dat kunnen en willen zij niet. Het is in de ogen van de leiders immers godslasterlijk, iets waar de doodstraf op hoort te volgen.
In Matteüs 26:63 ontlokt de tempeloverste van Jezus het antwoord waarmee hij in zijn ogen eindelijk ten val komt en ter dood veroordeeld kan worden: ‘Zeg ons of U de Messias bent, de Zoon van God!’ Waarop Jezus antwoordt: ‘U zegt het, maar Ik zeg tegen u allen hier: Vanaf nu zult u de Mensenzoon zien zitten aan de rechterhand van de Machtige en Hem zien komen op de wolken van de hemel.’
Deze exegese is opgesteld door Ine Van Den Eynde.