Menu

Premium

Het grote zoenoffer

Bij Hebreeën 13,9-21 en Lucas 24,13-35

In de Hebreeënlezing op de eerste zondag van Pasen staat het offer centraal. In het boek Leviticus staat beschreven dat van de dieren die door het volk worden geslacht, door de priesters een deel aan de Heer moet worden geofferd (Leviticus 17). Met name het bloed van het dier mag niet worden gegeten. Van alle vlees vormt bloed een eenheid met de ziel die daarin is. De ziel van alle vlees zit in het bloed en vraagt om verzoening (17,11.14).

De hogepriester heeft de bijzondere taak om jaarlijks op de Grote Verzoendag met het bloed van een jong rund en een ram het binnenste van de woning van de Heer te besprenkelen. Dat binnenste is ‘achter het voorhangsel’ (Lev. 16,2.15). Vanwege de ongerechtigheden van het volk mag niemand daar binnengaan, behalve de hogepriester. Maar zelfs voor de hogepriester gelden beperkingen. Hij mag alleen binnengaan met die twee dieren en gekleed in linnen kleren. Wie zich daar niet aan houdt, zal sterven, zegt de Heer, zoals de zonen van de hogepriester Aäron gestorven zijn (10,1-2; 16,1-2). Het binnengaan van de hogepriester in het binnenste van het heiligdom staat gelijk aan zijn verschijning voor het aangezicht van de Heer. Alles moet daarbij gericht zijn op het vragen aan de Heer om verzoening voor het volk.

De zondebok

Niet alleen het sprenkelen van bloed van een jong rund en een ram dienen hiertoe, maar ook het wegzenden van een tweede ram in de woestijn waarop door de hogepriester ‘de zonden van het volk’ zijn gelegd. Hij legt daartoe zijn beide handen op de kop van de ram. Terwijl de ene ram wordt geslacht tot verzoening, wordt de andere dus weggezonden (16,20-22). Aan een ram wordt kracht toegeschreven. Het wegzenden van de ram heet dan ook Azazel, in het Hebreeuws: az’azel, wat betekent: ‘kracht die verdwijnt’ (16,8). Deze twee handelingen strekken dus samen tot verzoening. Het naderen van de Heilige met de vraag om het volk te zuiveren van de smet van ongerechtigheden uit het verleden moet gepaard gaan met het wegdoen uit de samenleving van de kracht die het volk ertoe brengt om opnieuw te zondigen. Het een kan niet zonder het ander.

Verzoening: van binnen naar buiten

In het binnenste van het heiligdom verricht de hogepriester het offerritueel dat dient tot verzoening. Achter het voorhangsel sprenkelt hij wat bloed over ‘het deksel’ van de ark des verbonds (Leviticus 16,14). Weliswaar mag alleen de hogepriester daar binnengaan, de verzoening gaat het gehele volk aan. Niet minder belangrijk dan wat de hogepriester in het binnenste van het heilige verricht, is wat er staat beschreven over wat daarbuiten gebeurt. Er wordt – weliswaar nog steeds in de woning van de Heer – ook bloed gesprenkeld over het ‘gouden altaar’ (16,18, zo genoemd bij Rasji). Nog verder daarbuiten, in de voorhof, staat ook een altaar. Daarop offeren de priesters van het vet en het vlees van de dieren. En nog weer verder daarbuiten, zowel binnen als buiten de legerplaats, kunnen de zonen van Israël hun dieren slachten. Door zo te offeren is het gehele volk betrokken bij het verzoeningsritueel. En je zou zelfs de woestijn als buitenste gebied nog kunnen zien als plek die betekenis heeft vanwege de kracht die daarheen wordt weggezonden. Omwille van de vrede is het het beste dat die kracht verdwijnt.

Geheiligd door Christus’ bloed

Door de overeenkomst van Christus die ‘buiten de stadspoort’ heeft geleden met de lichamen van de dieren die bij het offer ‘buiten de legerplaats’ werden verbrand, benadrukt de brief aan de Hebreeën hoe het bloed van Christus net als dat van de offerdieren dient om het volk te heiligen (Hebreeën 13,11-12). Aangezien de brief aan de Hebreeën het bloed noemt waarmee de hogepriester het binnenste betreedt, moet met name gedacht worden aan het bloed van het jonge rund en de ram: de dieren die door loting zijn aangewezen om te dienen als offer voor de Heer tot verzoening van allen (Leviticus 16,8).

Jezus het offerlam

In wat de Emmaüsgangers (Lucas 24,13-35) vertellen aan de vreemdeling die zich onderweg bij hen voegt, is geen direct verband te zien tussen het sterven van Jezus en het offer van het bloed van de dieren waarvan de ziel om verzoening vraagt. Maar dit verband is er wel degelijk. Want wat zeggen zij eigenlijk als ze vertellen dat hogepriesters en leiders Jezus van Nazaret hebben overgegeven tot terdoodveroordeling en Hem hebben gekruisigd (24,20)? Het woord ‘overgeven’ (Gr.: paradidoomi) verwijst naar een tekst van Jesaja waarin het ene schaap wordt geslacht vanwege de ongerechtigheden van alle andere schapen die dwaalden als schapen zonder herder. Wij allen dwaalden, omdat ieder van ons zijn eigen weg ging. De man van smarten is het schaap aan wie de Heer de zonden van ons, alle andere schapen, heeft ‘overgegeven’ (Jesaja 53,6). Zoals een lam dat ter slachting wordt geleid, deed Hij zijn mond niet open (53,7). In wat ‘onze hogepriesters en leiders’ hebben gedaan, zeggen de Emmaüsgangers eigenlijk dat Jezus van Nazaret als offerdier is geslacht ‘voor de ongerechtigheden van ons allen’.

De gedachten aan het lijden en sterven van Christus mogen met Pasen niet leiden tot treurige gezichten, zoals onderweg bij de Emmaüsgangers. Hun ogen waren ‘gegrepen’ door wat er was gebeurd (Lucas 24,16). Maar hun ogen gaan open (24,31) als zij ‘het binnengaan van Jezus’ (24,29) in de plaats waar zij overnachten verbinden met ‘het binnengaan van de Christus in zijn heerlijkheid’ (24,26), waarover Jezus sprak toen Hij hun onderweg de Schriften opende (24,32). Na ‘alles wat gebeurd is’ (24,14) met Hem – overgegeven als offer – doen wij er het beste aan om ónze offers te brengen: van lofprijzing, weldadigheid en gemeenschappelijkheid (Hebreeën 13,16).

Bij Hebreeën 13:9-21 en Lucas 24:13-35

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken