Het klassieke kerkelijk jaar. Achtergrond en betekenis van het luthers leesrooster
Het klassieke kerkelijk jaar. Achtergrond en betekenis van het luthers leesrooster
In 2017 wordt het vijfde eeuwfeest van de Hervorming gevierd. Of minder triomfant: wordt de Reformatie herdacht. Ter gelegenheid daarvan geeft het Oecumenisch Leesrooster onder de rubriek ‘alternatieve lezingen’ de lutherse leesorde aan, een oud eenjarig rooster dat de West-Europese theologie, kunst en cultuur heeft gestempeld.
Luthers en anglicaans
Het lutherse leesrooster is echter niet luthers, maar van voorreformatorische origine, voormiddeleeuws zelfs. Achter deze omgang met de Schrift gaat ruim anderhalfduizend jaar christelijke spiritualiteit schuil: gebeden, liederen, verkondiging. Het is een goudgroeve waaruit lutheranen en anglicanen (Book of Common Prayer) hun schatten opdelven, tot op de dag van vandaag. Bach schreef zijn cantates op dit rooster, Kaj Munk bepreekte het, Luther zelf had er zijn bedenkingen bij: al die korte wisselende stukjes, onderbreken ze de verhaal- en betooglijnen niet te veel?
Rooms-Katholiek
De Contrareformatie – met het Concilie van Trente, Tridentinum (1545-1563) – nam de liturgie op de schop. De vernieuwingen van deze rooms-katholieke reformatiebeweging brachten ook enige verschuivingen in het leesrooster teweeg, zodat de Westerse leeswijze sindsdien twee parallelle sporen trekt: het voor-tridentijnse leesrooster, dat dus door lutheranen wordt gehonoreerd, en het na-tridentijnse leesrooster (1570), dat vier eeuwen lang in de Romana werd gevolgd, namelijk tot de liturgievernieuwing van het Tweede Vaticaans Concilie (1962-1965). Toen werd besloten tot de huidige driejarige ABC-cyclus (1969/1981) van Matteüs, Marcus en Lucas, waarbij het Johannesevangelie over de drie jaren verdeeld werd.
Dit lectionarium ligt ook ten grondslag aan het protestantse Common Lectionary (1983), dat in Nederland twee edities kent: het Oud-Katholiek Kerkboek (1993) en het protestantse Dienstboek (1998).
Gereformeerd protestantisme
De Dordtsche Synode van 1574 heeft ‘de Sondaechsche Euangelien die men int pausdom pleech te ghebruijcken’ (dat is dus het oude ‘lutherse’ rooster!) verboden. De gereformeerde dominees gaven de voorkeur aan een doorgaande lezing: ‘Dan sal men een boeck der H. Schriftuijre oordentlick na malcanderen wtlegghen.’
Maar het verbod stuitte op zo veel tegenstand dat vier jaar later de synode een gedoogbeleid afkondigde: ‘Ende in den plaetsen, daer de Sondaeghsche Evangelien noch ghebruyckt worden, salmen sulckes dulden ter tyt toe datmen het selfde bequamelick sal konnen af setten.’
Tot die afschaffing is het echter nooit gekomen, want de gemeenten waren aan de ‘evangelische dominicalen’ (zondagsevangeliën) gehecht als een onvervreemdbaar geestelijk bezit. Dus bepaalde de Kerkorde van de Staten van Utrecht (1590) dat de perikopen wél gepredikt zouden worden ‘ten dienste van den zwakken’.
Waarom het grondvlak van het gereformeerde protestantisme zo aan het ‘lutherse’ rooster verknocht was? Omdat de eenjarigheid met steeds weer dezelfde lezingen diep indaalt in hoe wij het leven ervaren: als lineair én cyclisch, als de jaarringen van een boom. Met de vreugde van de herkenning: ‘Het is weer de zondag van de Goede Herder!’
Gestalte van katholiciteit
Aangezien het ‘lutherse’ lectionarium een oud-kerkelijk rooster is, veronderstelt het een klassieke liturgie die voor de breedte van de actuele oecumene herkenbaar is. Anders gezegd: het ‘lutherse’ rooster is een gestalte van de katholiciteit van de kerk. Het ziet hemelsbreed en wereldwijd, met historische diepgang.
Deze verbondenheid met de Kerk van alle tijden en plaatsen staat in schril contrast met gemeenten die hun vieringen vooral zien als een vorm van religieuze zelfexpressie: ‘Bij ons in de gemeente…’ Als ik daar op een vrije zondag ter kerke tijg, weet ik niet wat ik kan verwachten. De liturgie biedt weinig herkenningspunten. Woord en Sacrament staan niet op zichzelf, ik moet mij eerst heenwringen door een socialiteit van mensen die het ongetwijfeld goed met elkaar menen. Liturgie is naar haar aard eigenlijk niets anders dan gebed. Maar wat hier gevierd wordt is veeleer variété, divertissement, voor elk wat wils. Het tegenovergestelde overkomt mij in de liturgie van de Syrisch-katholieke parochie: ik versta het niet, maar begrijp het wel.
Notities bij het gebruik
Antifoon
Niet de introïtuspsalm, maar de antifoon staat voorop. In de sterke tijden is de zondagsnaam veelal daaraan ontleend. De antifonen zijn niet slechts uit het psalter genomen, maar putten evenzeer uit profeten en apostelen. Nota bene: de aanduiding ‘psalm van de zondag’ is misplaatst; die betiteling geldt eerder de antwoordpsalm dan de psalm van de intocht.
Oude Testament, epistel, evangelie
Een van de ernstigste tekortkomingen van het protestantse Dienstboek (1998) is dat het de brieflezing grotendeels heeft uitgeroosterd. De apostel komt slechts tot spreken in de voorbereidingstijden en het feestgetij.
Ik ga slechts kort in op de systeemdwang die tot dit manco heeft geleid [noot 1]. Uitgangspunt is de joodse canon (TeNaCH), die zoals bekend uit een driedeling bestaat. Analoog daaraan werd ook in het Nieuwe Testament een geleding aangebracht. Als volgt:
Tora Jezus, de Tora in levenden lijve
Profeten Evangeliën
Geschriften Brieven
De kracht van deze canonsymboliek is dat die niet een boek, maar Christus zelf in het midden plaatst. Zoals de profeten Israël steeds weer bepalen bij de Tora, zo getuigen de evangeliën van Christus. Echter, om de canonsymbolische begroting kloppend te krijgen vormen de epistels de sluitpost, met alle gevolgen van dien.
Wie nu een jaar lang het ‘lutherse’ rooster gaat volgen, komt wel elke zondag een epistel tegen. Hoe met het ensemble van drie lezingen om te gaan? Ik stel een canonsymboliek voor waarbij ik mij door Augustinus heb laten inspireren, met name door zijn gedachten over tijd.
Hij neemt afstand van het gangbare – oneigenlijke – denken van de drie tijden: verleden, tegenwoordig en toekomstig, en zegt dat de theologische tijd altijd presentisch is (Conf. XI,13). Ik noem dat het liturgisch presens, de tijd van Christus’ tegenwoordigheid. Toegepast op het lectionarium komen wij in mijn optiek de tegenwoordige tijd van het verleden tegen in de oudtestamentische lezing. Denk aan het herhaaldelijke: ‘Tot op de huidige dag’. De tegenwoordige tijd van het tegenwoordige wordt verwoord in de brieflezing met die karakteristiek apostolisch parenetische wending: ‘Maar thans!’ En de tegenwoordige tijd van het toekomstige klinkt in het evangelie dat Gods heerschappij uitroept: ‘Het koninkrijk der hemelen is nabijgekomen.’
Antwoordpsalm
De antwoordpsalm is een gezongen lezing. Wie de psalmen zingt en bidt, doet dat met Jezus. In de evangeliën citeert Hij de psalmen vaker dan welk bijbelboek ook. Wij zingen dus geen psalmen omdat ze ons zo goed passen (vaker juist niet!), maar omdat ze ons hart verruimen tot de dimensies waarin wij Christus gaan verstaan.
Alleluia
Meteen aansluitend op de epistellezing (door de lector), roept de voorganger: ‘Evangelie van onze Heer Jezus Christus naar de beschrijving van …’ Dat is de cue waarop de gemeente gaat staan. Het Alleluia wordt ingezet, waarvoor het nieuwe Liedboek vele mogelijkheden biedt (270c, 338 – ook met reciteertonen). Daarna leest de voorganger het evangelie. Over de gang van zaken rond dit moment in de liturgie meer in het volgende artikel.
Klaas Touwen, luthers predikant te Arnhem, voorzitter Werkgroep Oecumenisch Leesrooster van de Raad van Kerken in Nederland, redactiesecretaris Tijdschrift voor Verkondiging.
[noot]
1. Geïnteresseerden kunnen een en ander nalezen bij Geurt Henk van Kooten, Het Oecumenisch Leesrooster (1977-2010): Geschiedenis, filosofie en impact, Netherlands Studies in Ritual and Liturgy 6, Groningen/Tilburg 2007, in het bijzonder p. 76v.