Menu

Premium

(het) Kwaad, boze

Geloofstaal & cultuurtaal

Het boek Als ‘t kwaad goede mensen treft was lange tijd een bestseller. Het kwade is dan: ziekte, leed, erge tegenslag of een ramp. Dit overkomt blijkbaar mensen die op zichzelf goed zijn en dus dit kwade niet verdienen. De vraag rijst dan waarom een goede God dat alles toestaat. Wanneer mensen boos of kwaad zijn op elkaar, komt een andere betekenis van het woord naar voren: een negatieve beoordeling en de bijbehorende emoties. Tevens kennen we morele beoordelingen: daden kunnen ‘goed’ of ‘kwaad’ zijn; daarbij gaat het om meer dan ‘kattenkwaad’.

Woorden

‘Het kwaad’ wordt in het Hebreeuws aangeduid met de woorden ra en rad. In het Grieks wordt meestal kakos en ponèros gebruikt.

Betekenis in context

Oude Testament

Genesis 2 en 3

In het paradijs maakte God ‘de boom van kennis van goed en kwaad’ (Gen. 2:17). Van deze boom mochten Adam en Eva niet eten. Zij kenden reeds enig onderscheid tussen goed en kwaad door het verbod. Het verkeerde bestaat in de eigenmachtige beslissingen om uit te maken wat goed en wat verkeerd is (morele autonomie). Deze beslissingen heeft God niet overgedragen aan de mens, maar zichzelf voorbehouden. Door te eten van de verboden vrucht, dus door het kwade te doen in plaats van het goede, leerde de mens het kwade ook door bittere ervaringen kennen: moeite in zwangerschap, zwoegen op de aardbodem en uiteindelijk de dood. Het kwade (zonde) brengt dus ook kwade gevolgen met zich mee. In de eerste hoofdstukken van Genesis blijkt dat er een slang is die ‘het kwade’ vertegenwoordigt en de mens verleidt tot zonde. In latere bijbelboeken vernemen we meer over de kwade macht die hierachter zit. Het Oude Testament heeft geen omvattende theorie over het kwaad. Duidelijk is wel dat het geen volstrekt dualisme kent: de macht van het kwade is niet gelijkwaardig, maar ondergeschikt aan God. De duivel is een afgevallen schepsel en kan niet meer doen dan God toelaat.

In het boek Koningen staat als een refrein dat de mensen deden wat kwaad was in de ogen van de Here. Hiermee wordt bedoeld dat ze ingaan tegen zijn geboden. De verkeerde daden roepen Gods toorn op, maar in de gangbare bijbelvertalingen wordt niet gezegd dat God ‘kwaad’ of ‘boos’ is op de mensen.

Onheil

Sommige uitspraken lijken ‘monistisch’ te zijn, alsof God de oorzaak is van zowel het goede als het slechte. Zo heeft de SV in Amos 3:6 ‘Zal er een kwaad in de stad zijn dat de Here niet doet?’ Maar ‘kwaad’ heeft hier de betekenis van: straf of leed. Terecht vertaalt de NBG-51: ‘Geschiedt er een ramp in een stad, zonder dat de Here die bewerkt?’ Dat God het kwade zendt, in de zin van rampen en straffen, komt vaak voor (Joz. 24:20; 2 Sam. 12:5). Naomi klaagt, na het overlijden vanhaar man en haar zoons, dat de Almachtige haar kwaad aangedaan heeft (Ruth 1:21). In veel gevallen heeft de NBG-51 vertaald met ‘onheil’, terwijl de SV ‘kwaad’ heeft (bijv. Deut. 31:29). In dat geval is het kwade de straf of het onheil dat God over de mensen brengt. Hij is niet de oorzaak van het kwade in de betekenis van ‘zonde’. Zo moeten we ook Jesa-ja 45:7 opvatten. Met name het boek Spreuken lijkt herhaaldelijk de gedachte te verwoorden dat het kwaad zichzelf straft (Spr. 11:19; 13:21). Dat God hierbij niet vermeld wordt, betekent niet dat zijn betrokkenheid ontkend wordt; het heeft eerder te maken met de puntige formuleringen die kenmerkend zijn voor dit bijbelboek.

Mensen kunnen elkaar kwaad aandoen, in de zin van ‘leed berokkenen’ (Gen. 19:7; 26:29). Door het kwade te doen, maken mensen slachtoffers. Zo hebben Jozefs broers hem geheel verkeerd behandeld. Toch heeft God in deze bijzondere situatie het kwade laten meewerken voor zijn goede doel. Wanneer later de broers erkennen dat zij kwaad hebben gedaan, antwoordt Jozef: ‘Gij hebt wel kwaad tegen mij gedacht, maar God heeft dat ten goede gedacht’. Doordat de broers Jozef naar Egypte verkocht hebben, kon hij daar later onderkoning worden en zo zijn familie van eten voorzien (50:17-20). Het woord ‘kwaad’ is hier zowel de slechte bejegening van de ander als zonde tegen God. Meestal blijven mensen echter slachtoffer van het aangedane leed.

Moeiten

Het woord ‘kwaad’ kan ook in algemene zin gebruikt worden voor de moeiten en zorgen van het leven, ongeacht wie dat aangedaan heeft (Gen. 47:9). Psalmisten bidden om bescherming en pleiten op Gods beloften. David belijdt God als Herder. ‘Zelfs al ga ik door een dal van diepe duisternis, ik vrees geen kwaad, want Gij zijt bij mij’ (23:4). En in Psalm 121 belijdt de dichter dat zijn hulp van ‘de Bewaarder van Israël’ is. ‘De Here zal u bewaren voor alle kwaad, Hij zal uw ziel (= leven) bewaren’ (vs. 7).

Toch overkomt ‘het kwade’ heel wat gelovigen. Daar is niet altijd een concrete oorzaak voor aan te wijzen. Veel behoort bij deze onvolmaakte wereld. Toch rijst meer dan eens de vraag of de moeitevolle omstandigheden een straf van God zijn. De vrienden van Job proberen hem te overtuigen dat persoonlijke zonde de oorzaak moet zijn van al het kwade dat hem treft. Job weet dat dit niet het geval is en hij vertrouwt zijn zaak aan God toe. Dezelfde God die hem heeft getroffen, zal uiteindelijk recht verschaffen (Job 19:21-25). Het lijden dat een gelovige overkomt, is tot diens welzijn. ‘Zie, welzalig de mens, die God kastijdt; versmaad daarom de tucht des Almachtigen niet (…). In zes noden redt Hij u, en in zeven treft het kwaad u niet’ (Job 5:1719). In aanvechting en nood zoekt de gelovige steun in gebed bij zijn God.

Toekomst

Er is veel kwaad in deze wereld, maar God zal daarin eenmaal verandering brengen. ‘De wolf en het lam zullen tezamen weiden en de leeuw zal stro eten als het rund, en de slang zal stof tot spijze hebben; zij zullen geen kwaad doen noch verderf stichten op gans mijn heilige berg, zegt de Here’ (Jes. 65:25; vgl. Zach. 8:14-15). Het vrederijk van de Messias kent andere verhoudingen dan onze wereld. Soms straft het kwaad zichzelf nu reeds (Spr. 11:19; 13:21), andere keren blijft het nog ongestraft, maar eenmaal zal God recht verschaffen.

Nieuwe Testament

Jezus’ oordeel over het kwade

In de evangeliën heeft Jezus een discussie met de Farizeeën over rein en onrein. Hij stelt in dat verband: ‘Want van binnenuit, uit het hart der mensen, komen de kwade overleggingen’ en dan noemt Hij zaken als hoererij, diefstal en onmatigheid (Mar. 7:21-22). Dus het kwade komt uit de mens voort en resulteert in verkeerde daden. Jakobus noemt op een soortgelijke wijze de tong die door geen mens bedwongen kan worden. ‘Zij is een onberekenbaar kwaad, vol dodelijk venijn’ (Jak. 3:8).

Jezus geeft aan de duivel de benaming ‘de boze’ en Hij leert zijn volgelingen te bidden ‘Leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de boze’ (Mat. 6:12). Daarmee geeft Jezus aan wat de (morele) aard is van de duivel en welke invloed hij uitoefent.

Strijd tegen het kwade

In de eerste hoofdstukken van de brief aan de Romeinen tekent Paulus de verkeerde natuur van de mensen. Daarom verdienen zij de dood en niet het leven. Verlossing is alleen mogelijk door Jezus Christus. Vanuit het geloof in Hem moet een christen vervolgens het kwade nalaten. De praktijk is echter weerbarstig en het kwaad zit diep in de mens. ‘Immers, het wensen is wel bij mij aanwezig, maar het goede uitwerken, kan ik niet. Want niet wat ik wens, het goede, doe ik, maar wat ik niet wens, het kwade, dat doe ik’ (Rom. 7:18-19). De zonde in hem brengt dit steeds weer teweeg. Zo vindt hij dan deze regel: ‘als ik het goede wens te doen, is het kwade bij mij aanwezig’ (vs. 21). Wie zal hem, ellendig mens, verlossen? ‘Gode zij dank door Jezus Christus, onze Here!’ (vs. 25) Door Gods genade komt er kracht tot een strijd tegen het kwade. Het is belangrijk ons lichaam aan God over te geven en vernieuwd te worden (12:1-2). Daaruit kan de aansporing voortkomen ‘Weest afkerig van het kwade, gehecht aan het goede’ (vs. 9), waarna concrete voorbeelden volgen. ‘Vergeldt niemand kwaad met kwaad; hebt het goede voor met alle mensen’ (vs. 17). Dat betekent zelfs: je vijand te eten geven. Daarna sluit Paulus af met ‘Laat u niet overwinnen door het kwade, maar overwin het kwade door het goede’ (vs. 21).

Gods bescherming

Een christen leeft in een wereld waarin het kwaad, als verzet tegen God, volop aanwezig is. Maar Jezus Christus heeft zichzelf gegeven voor onze zonden, ‘om ons te trekken uit de tegenwoordige boze wereld’ (Gal. 1:4). Gods genade beschermt de gelovigen en geeft ook kracht tegen de zonde te strijden. Hoewel de boze meer dan eens daadwerkelijk invloed uitoefent in het leven van de gelovigen, krijgt hij nooit helemaal vat op hen (1 Joh. 5:18-19). Mensen komen met het kwade in aanraking en worden op die manier verzocht. God kan verzoekingen toestaan, zodat hun geloof gelouterd en beproefd wordt. Van Gods kant is het nooit de bedoeling mensen te verzoeken zodat ze zullen zondigen (Jak. 1:13).

In de toekomst zal ieder rekenschap moeten afleggen van de daden die hij in dit leven gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad (2 Kor. 5:10). De gelovige mag uitzien naar die toekomst, omdat hij door genade en vergeving altijd bij God mag zijn.

Kern

Het kwaad kan vaak gelijkgesteld worden met de zonde. Dat is in deze wereld gekomen en gaat in tegen Gods bedoeling. Daarop volgt vaak Gods reactie, waarbij Hij mensen kwaad of onheil laat overkomen. Het kwade is ook schadelijk voor de mens. Jezus Christus is in deze wereld gekomen om mensen te verlossen van het kwade en boze in alle betekenissen van het woord.

Verwijzing

Zie voor verwante en/of aanvullend te bestuderen woorden: beproeving, duivel, gezalfde, oordeel, wederkomst.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken