Het lied van Debora
Bij Rechters 5
De ‘historische’ achtergrond van het lied van Debora vormt het laatste gewapende conflict met de grote Kanaänitische enclave in het dal Jizreà De Kanaänieten zijn goed getraind en bewapend, met meer strijdwagens dan farao indertijd, tegenover de Israëlitische boeren: bang, slecht bewapend en ongeoefend (Re. 4,3; vgl. Ex. 14,7). Het verhaal (Re. 4) geeft achtergrondinformatie die in het lied (Re. 5) niet voorkomt. Het lied op zijn beurt nuanceert het verhaal, door bijvoorbeeld de stammen te noemen die meevechten. Het zijn de stammen die blootstaan aan de aanvallen van de Kanaänieten en die van het gebergte Efraïm die solidair zijn met Debora, die daar geboren is. Het is onduidelijk welke de originele tekst is en welke het commentaar, welke ouder is en welke jonger. De redactie van de Hebreeuwse bijbel heeft ze bij elkaar gezet, omdat zij elkaar aanvullen en het conflict uit verschillende invalshoeken beschrijven. Het verhaal gaat meer over het menselijke handelen en het lied meer over de goddelijke achtergrond.
De taal van het lied maakt impliciet duidelijk wat expliciet in het verhaal staat: Debora is de hoofdfiguur en Barak is van haar afhankelijk: ‘Debora zingt en Barak (…)’ (Re. 5,1). Zij begint kort en krachtig met: bifroaperaot (…) (5,2). FaRA betekent: vrijlaten, loslaten, zich van iets ontdoen.
Me’am Lo’ez[1] geeft drie interpretaties: 1) de mensen hebben zich van de Tora ‘vrijgemaakt’; 2) de Israëlieten werden wild en wetteloos, beïnvloedden de buurvolkeren en werden door hen weer aangevallen (vgl. 4,1-3); 3) God zette de Kanaänieten hun gruwelijkheden betaald, Hij ‘ontdeed zich’ van hen. Het vervolg van de zin beschrijft de oplossing van het probleem: de omkeer van de Israëlieten, waardoor God gezegend wordt.
Kronkelpaden
Het lied is aan machthebbers van buiten gericht: er zijn nog geen koningen in Israël. Debora spreekt tegen dat zij vooral zichzelf zou prijzen. Zij zingt voor de Eeuwige, wat niet wegneemt dat zij in het lied zeer zelfbewust optreedt. Vervolgens herinnert zij aan het verbond van de Eeuwige met Israël (5,3). Uit Seïr, uit Edom komen (5,4), betekent van de nakomelingen van Esau afstammen. Volgens de midrasjbood God alle volkeren de Tora aan, ook de Edomieten, maar niemand wilde haar, tot Israël, nakomeling van de jongere broer van Esau, bij de Sinaï ‘ja’ tegen haar zei.[2] De hier beschreven reactie van de natuur, zelfs van de Sinaï, herinnert aan de gave van de Tora tóén (5,4-5). Debora wijst daarmee op het verbond en de verantwoordelijkheid die het volk toen op zich heeft genomen. Debora’s voorganger, Sjamgar (5,6; zie 3,31), kon de mensen niet terugbrengen op de rechte weg van de Tora, er waren alleen nog kronkelpaden. Toch waren er leiders onderweg die mensen ondanks de onderdrukking hielpen op die weg. Ter illustratie van hun moed rijden zij op opvallende, witte ezels (5,10). Jaël wordt in een adem met Sjamgar genoemd, alsof zij ook rechter was (5,6). Volgens Me’am Lo’ez wordt over drie soorten in deze situatie moedige geleerden gesproken (5,9-10): leraren die op hun ezels de Tora naar de mensen brengen, rechters die zitten en rechtspreken en leerlingen op weg die over de Tora discussiëren. Dan is het tij gekeerd en zijn de Israëlieten vrij om God hardop te prijzen (5,11). Daarvoor lagen zelfs tussen de waterplaatsen sluipschutters om hen te doden (vgl. 5,11 NB).
De verkrachter verkracht
Het meest intrigerende is de moordscène (5,24-27). Tenachon beschrijft haar als een ‘dynamisch crescendo van splijten, verbrijzelen, doorboren (…) felle contrasten, neergezet in robuuste lijnen’. De daad van Jaël wordt gedetailleerd beschreven: ze gaat bijna professioneel, zonder aarzeling te werk. In het verhaal (4,17v) ontmoeten wij een moederlijke en tamme Jaël die strategisch de moord voorbereidt. De tekst overstelpt ons met seksuele connotaties, waarin Sisera de indruk wekt ‘thuis’ te zijn in de tent van Jaël, de vrouw van een vooraanstaande man. Zij is geen hoer die een man uitnodigt binnen te komen. Het in ‘haar tent willen binnengaan’, ‘dorst hebben’ en ‘water willen drinken’ zijn eufemismen voor geslachtsgemeenschap. Jaëls reactie en de moord laten zien dat er meer aan de hand is. Niemand heeft haar de opdracht gegeven om Sisera te vermoorden. Gezien het fallische karakter van het moordwapen, komt het idee op dat Sisera haar daarvoor vaker verkracht heeft. Nu grijpt zij de gelegenheid aan om zich ‘vrij te maken’ van haar kwelgeest: de verkrachter verkracht.[3]
Deze interpretatie maakt aannemelijk waarom Jaël in het lied zo hard overkomt: de moord is een omkering van wat hij haar aangedaan heeft. Zoals hij bij haar is binnengedrongen, zo dringt zij met de tentpin bij hem binnen. Hij valt tussen haar voeten alsof zij hem uit haar verwijdert. Het lijkt op een geboorte. En direct daarna komt contrasterend de echte moeder (5,28), die passief, als het ware gekluisterd, op haar zoon zit te wachten die niet thuis zal komen. Zij weet wat er met vrouwen gebeurt die in een oorlog buitgemaakt worden en lijkt het niet erg te vinden.
We zouden hier met een stuk vrouwenliteratuur in de bijbel te maken kunnen hebben.[4] Debora, de rechter – als enige in het boek ‘rechtsprekend’ opgevoerd, de andere sjofetimzijn bestuurders, leiders, aanvoerders – de profetes, de bevelhebster van een leger, zelfbewust, ziet Jaël als gezegend. Niet omdat zij een moord begaat, maar omdat zij voor zichzelf opkomt en vooral omdat zij, de vreemdelinge, partner van God blijkt te zijn: zij brengt tot een einde wat Hij begonnen is (4,15).