Het werk van de pottenbakker
Alternatief bij 2e zondag van de Veertigdagentijd (Jeremia 18,1-12; 19,1-2.10-13)
In de teksten uit Jeremia 18 en 19 staat op twee verschillende manieren het werk van de pottenbakker centraal. In de eerste tekst gaat het om de actie in de werkplaats: klei die zich onder de handen van de maker vormt op de draaischijf, in de tweede tekst gaat het om een eindproduct waar niets meer aan te veranderen valt, een aardewerken fles of kruik die demonstratief wordt stukgeslagen.
Het zijn beklemmende taferelen waaruit op het eerste gehoor een archaïsch godsbeeld spreekt: God kan het leven van volkeren maken en breken, God grijpt vormend of vernietigend in waar het Hem niet zint. Ik zie er tegenop om kerkgangers van nu dat beeld mee te geven, want het strookt totaal niet met onze wereldervaring en ons rechtsgevoel. Maar kruip je dieper in de beelden, dan klinkt er meer goddelijke wanhoop dan goddelijke almacht in door.
Als de klei weigert
In hoofdstuk 18 gaat de profeet naar de werkplaats van een pottenbakker. Hij observeert wat daar gebeurt en krijgt daarbij een boodschap van de Eeuwige door die hij moet verkondigen: ‘Jullie zijn in mijn handen als klei in de handen van een pottenbakker.’ Het is letterlijk een plastisch beeld: de pottenbakker laat de soepele klei op de schijf onder zijn boetserende handen omhoogkomen, en telkens als het niet helemaal gaat zoals hij wil, drukt hij de klei weer ineen en begint hij opnieuw – totdat het een vorm geworden is die hem bevalt.
In de Godswoorden die Jeremia spreekt, is Israël een maaksel op de schijf, de Eeuwige is de pottenbakker. Het is alsof God zegt: Ik zit niet aan jullie vast; Ik kan er op elk gewenst moment een klap op geven en opnieuw beginnen. Je kunt dat gemakkelijk opvatten als een expressie van goddelijke almacht, maar zo lijkt het toch niet bedoeld. Misschien moet je keramist zijn om het helemaal na te voelen: er is sprake van samenspel tussen de pottenbakker en de klei, want klei is responsieve materie, het kan beter of minder goed meewerken. In de woorden van Jeremia 18 is niet alleen de klei kneedbaar, maar ook het lot: als Israël zou meebewegen met de vingers van de Boetseerder, zou alles nog goed kunnen komen. Niets ligt onherroepelijk vast, alles kan zich nog vormen.
Of is het al te laat? In vers 12 wordt ‘voorspeld’ dat Israël negatief zal reageren. Het volk is niet van plan de kruik te worden die de Schepper voor ogen heeft. De klei weigert het samenspel met de vingers van de pottenbakker aan te gaan. In dat geval is het einde verhaal voor het werkstuk, met een kleine handbeweging wordt het weer een ongevormde kleiklomp op de schijf. Maar het laat de pottenbakker ook niet onberoerd, want die is niet alleen met zijn vingers maar ook met zijn ziel bij het werk van zijn handen. Dus zo definitief als het er staat, kan het niet bedoeld zijn. Zo gaat het vaak op het wanhopige uiteinde van een relatiecrisis: er wordt voldongen taal gesproken, maar het is bedoeld als een laatste middel om het onomkeerbare te voorkomen.
De moed der wanhoop
Wat er in hoofdstuk 18 nog was aan relationele intimiteit in het beeld van klei en handen, is volstrekt afwezig in hoofdstuk 19. Jeremia gaat met vertegenwoordigers van volk en priesters naar een van de zuidelijke stadspoorten die uitkomen op het Hinnomdal. Hij heeft een terracotta fles gekocht, een baqbuq (dat woord komt verder slechts eenmaal in de Bijbel voor, en men denkt dat het woord het klokkende geluid nabootst van een fles die leeggegoten wordt). Hier is vooral de locatie veelzeggend, en die locatie is meervoudig verweven met de pottenbakkersthematiek.
Het Hinnomdal staat bekend als de plek waar onder andere kinderoffers werden gebracht aan de Kanaänitische god Moloch (2 Kron. 28,3; Jer. 32,35). Uit diverse bijbelse teksten moeten we afleiden dat ook Israëlieten telkens weer aan deze lokale cultus hebben meegedaan. Tofet schijnt de benaming te zijn van de offerplaats. Vanuit het ‘humanisme’ van de mozaïsche godsdienst is het offeren van mensenlevens aan de viriele machten van de vruchtbaarheid een absolute gruwel. Dát is de grote strijd waarom het in deze profetie gaat: eerbied voor weerloos leven tegenover leven met de macht van geweld.
Stel je voor dat die Tofet-offerplaats zich onder de muur van Jeruzalem bevindt, op een steenworp afstand van de tempel voor de Eeuwige waarvan gezegd wordt dat die staat op de plek waar Abraham bijna zijn kindoffer had gebracht. Blijkbaar hielden Judeeërs graag beide opties open: offeren aan de God van Isaak én aan de goden die kinderen verslinden.
Het Hinnomdal kennen we in het Nieuwe Testament als het Gehenna: de Jeruzalemse vuilstort waar het altijd smeult en dampt. De Schervenpoort heette daarom later de Mestpoort of Afvalpoort: hier werd alle vuil de stad uit gekruid. Maar in het Hinnomdal bevond zich ook het ‘pottenbakkersveld’ dat we kennen uit Matteüs 27,7, de plek waar de pottenbakkers hun klei haalden. Het is mogelijk dat de pottenbakker zijn werkplaats dicht bij die Schervenpoort had. Door die poort ging kneedbare klei de stad in en werden de scherven eruit gegooid.
Daar dus heft Jeremia zijn nieuw gekochte baqbuq op en slaat hem stuk, met de toelichting: zo gaan jullie eraan, dit is hoe het afloopt. Je zult in je eigen onmenselijkheid ten onder gaan. Maar ook hier geldt dat de sterke taal en het wrange beeld bedoeld zijn om door te dringen tot de harde koppen van de mensen tegen wie Jeremia het heeft. Het is dezelfde moed der wanhoop die je ook vindt bij hedendaagse demonstranten met hun tekenhandelingen: onder de boze boodschap dat het allang te laat is, leeft een diep verlangen naar een gezamenlijk nieuw begin.
Deze exegese is opgesteld door Piet van Veldhuizen.