Het Woord met de daad
13e zondag van de zomer (Jesaja 45,20-25, Psalm 116,1-9, Jakobus 2,1-18 en Marcus 9,14-29)
Woorden en daden: een lastige combinatie. Woorden waar geen daden op volgen, we horen ze bijna iedere dag. ‘Geen woorden maar daden’ dan? Goed voor de voetbalwereld misschien, maar in het algemeen? En een mooi woord, als belofte of aanbeveling, waar een slechte daad op volgt? We maken het al te vaak mee. Het valt daarom op dat het Hebreeuwse ‘dabar’ zowel ‘woord’ als ‘daad’ betekent, maar wel in een heel bijzondere samenhang en met een unieke inhoud.
Een profeet van de Eeuwige, zoals Jesaja, is geen waarzegger of toekomstvoorspeller. Het Griekse prosfèmi, waarvan het woord profètès, ‘profeet’, is afgeleid, betekent ‘spreken namens’. Jesaja, geroepen als profeet van de Eeuwige, spreekt namens de Eeuwige. Het woord van de Eeuwige geschiedt al vanaf de eerste scheppingsdag (Gen. 1,3) en door het steeds herhaalde ‘Ik ben de Eeuwige, er is geen ander’ (Jes. 45,14.18.19.21.22) onderstreept Jesaja dat nog eens voor wie het vergaten en laat hij de dwaasheid van de afgoderij zien, waar van alles wordt voorgespiegeld, maar niets wordt waargemaakt. Alleen een toekeren naar deze God brengt redding uit ballingschap en vervreemding, en terugkeer naar waar je thuishoort. Hier gebeurt die terugkeer door de tussenkomst van Cyrus, die Babel verslaat. Psalm 116 reageert dankbaar: blijven vertrouwen op de Eeuwige en zijn Woord ook doen, helpt je door de diepste duisternis heen.
Volledige overgave
In het Marcusevangelie wordt het mandaat van Jezus om op te treden als ‘spreker namens de Eeuwige’ op de berg bevestigd door de Vader, met Petrus, Jakobus en Johannes als getuigen (Marc. 9,7). Maar waarom konden de achtergebleven leerlingen – toch ook Jezus’ volgelingen – de jongen die tijdens Jezus’ afwezigheid bij hen gebracht werd, dan niet bevrijden van zijn kwelgeest (9,14-18)? Zijn vader kwam voor Jezus, maar omdat Jezus er niet was, klopte hij aan bij de leerlingen. Dat was toch een blijk van vertrouwen. De mislukking is koren op de molen van aanwezige schriftgeleerden. De ontstane discussie en de vijandige sfeer vormen een anticlimax na de ervaring op de berg.
Jezus is duidelijk teleurgesteld, zowel in de onmacht van de leerlingen – terwijl zij toch eerder van Jezus de macht kregen over onreine geesten (6,7-13) – als in het gedrag van de omstanders. Wanneer de vader Jezus om hulp vraagt, stelt Jezus een voorwaarde: redding en bevrijding zijn alleen mogelijk voor wie vol overgave vertrouwt op het Woord van de Eeuwige. Daarop volgt de ontroerende reactie van de vader, dat hij dat doet, maar dat hij twijfelt aan zijn vermogen om daarin nooit tekort te schieten. Hij vraagt om Jezus’ hulp daarbij. Dan volgt de genezing na een formeel bevel van Jezus, zoals in 1,25-27, en neemt Jezus de jongen bij de hand om een nieuwe weg te gaan.
Later, in de beslotenheid van een huis, krijgen de leerlingen als les voorgehouden dat alleen volledige overgave aan en vertrouwen op het Woord van de Eeuwige de reddende Daad mogelijk maakt (8,8-29). Er moet nog veel gebeuren voor de leerlingen zonder Jezus’ aanwezigheid zijn weg kunnen voortzetten!
Werkelijk goed samenleven
Wie de schrijver is van de Jakobusbrief, is niet met zekerheid te zeggen. Was hij de Jakobus die met Jezus op de berg was, of misschien een naamgenoot uit een latere tijd? Als hij de Jakobus was die bij Jezus op de berg was, zal hij ook getuige geweest zijn van de genezing van de jongen. In dat geval mogen we dit deel van de brief (Jak. 2,1-18), met zijn aanwijzingen over het onderhouden van de Tien Woorden, misschien wel lezen als een bevestiging van de impact die die gebeurtenis heeft gehad op zijn leven. Het is veelzeggend dat zoveel uit dit deel van de brief nog zo herkenbaar is in onze tijd. Neem de rijke die met alle égards ontvangen wordt, terwijl de arme op de grond mag zitten (2,2-3).
We leven in een tijd waarin rijken worden ontzien en allerlei voordelen genieten, terwijl degenen die van een minimum moeten rondkomen blootstaan aan de beschuldiging van oplichting, terwijl hen ook nog eens het weinige waar zij recht op hebben wordt afgenomen. Ons hele systeem is gericht op het vergroten en concentreren van macht en bezit – de twee afgoden van onze tijd – in de handen van weinigen. Die ‘Tien Woorden’ zijn niet alleen gegeven aan het Joodse volk om tot een heilige natie te worden als ze ook worden gedaan, en ook niet alleen aan christenen, maar aan ons allemaal. Ze zijn een voorwaarde, een conditio sine qua non, om tot een werkelijk goed samenleven te komen, zowel op kleine schaal in de eigen kring, als mondiaal ter voorkoming van oorlogen en volkenmoord.
Je hart geven
‘Geloven’ is in de eerste plaats vertrouwen hebben in het Woord van de Eeuwige. Maar dan moet je er ook naar leven, zoals samengevat in dat grote Woord: ‘Heb je naaste lief.’ Laat je hart naar hem/haar uitgaan: dat is ‘geloven’, dat is daadwerkelijk helend. Het Latijnse cor dare is ‘je hart geven’, is credere: geloven, vertrouwen op de Weg waarop Jezus ons voorging. Wij zijn mensen zoals de vader van de jongen uit het Marcusevangelie: wanneer wij ons onvermogen erkennen, maar toch blijven vertrouwen op Gods Woord en daar naar beste vermogen naar leven, zal er genezing volgen.
Waar het uiteindelijk om gaat is een verbetering van relaties op alle niveaus. De Jakobusbrief laat ons erover nadenken dat we ons vaak christen noemen zonder het ook daadwerkelijk te zijn. Hij doet dat heel nadrukkelijk met veel imperatieven, aan de hand van voorbeelden die ook in onze tijd actueel zijn – en niet alleen voor christenen. Het Woord moet gevolgd worden door de daad waar het Woord om vraagt.
Deze exegese is opgesteld door José Vos.