HIJ begon!
God en de geweldsspiraal in Genesis 4
Een hedendaagse strafpleiter zou ver kunnen komen met de bewering dat de Eeuwige zich bij herhaling aan uitlokking bezondigt: met de verboden vrucht, met zijn reactie op het offer van de eerste broers, en met de eerste vermenigvuldiging van het geweld. HIJ begon!
In Genesis 4 wordt verteld over de eerste doodslag, maar ook over het ontstaan van de geweldsspiraal, althans in verbale vorm. Aan het einde van het verhaal horen we Lamech plechtig verklaren dat wie hem iets aandoet, zevenenzeventigvoudige wraak over zich afroept. Wie hem een blauwe plek bezorgt, wordt morsdood geslagen. Zo dekt Lamech zich in tegen mensen die mogelijk een bedreiging voor hem vormen. Blijkbaar is hij in zijn beleving eerder omringd door ‘tegenmensen’ dan door medemensen.
Dat heeft hij van niemand vreemd, want hij is de zesde generatie van Kaïn, die eerder in het hoofdstuk uitriep: ‘Ieder die mij aantreft, zal mij doodslaan’ (vers 14). De Eeuwige reageert op die woorden door Kaïn te verzekeren dat degene die hem doodt, zevenvoudig gewroken zal worden. Het is die zevenvoudige wraak die, als de zevende generatie na Kaïn ter wereld is gebracht, door Lamech vermenigvuldigd wordt tot een zevenenzeventigvoud.
In de escalatie van het geweld heeft de Eeuwige zelf een belangrijke eerste stap gezet: hij heeft van de 1 een 7 gemaakt, die de opmaat werd tot de 77. De beweging waarmee het geweld zichzelf vermenigvuldigt, is door Gods eigen toezegging aan Kaïn ingezet – met de bedoeling om Kaïn veiligheid te garanderen, maar met dramatische gevolgen. Het is als met de wapenwedloop: als geweld bedwongen moet worden met de dreiging van een overmaat aan tegengeweld, wordt er een vernietigend potentieel opgebouwd en zal voortaan de angst regeren.
De escalatie van de geweldsdreiging is dus volgens Genesis 4 mede door de Eeuwige ontketend. Hoe moeten we dat gegeven duiden? Is het een van de goddelijke misrekeningen in de oergeschiedenis, zoals ook de zondvloed een misrekening lijkt te zijn (want direct na de vloed begint alle ellende van voren af aan)? Of is het een expressie van de idee dat God niet met schone handen buiten het drama van het menselijk leven staat?
Kaïn en Abel
In Genesis 4 gaat het om Kaïn. Hij is de eerste boreling, de zoon die Eva ‘verkreeg’ (qaniti) – zo wordt zijn naam verklaard (vers [1]). Hij werd met pijn en moeite maar ook met fierheid ter wereld gebracht. Zijn naam klinkt sterk, met een scherp randje, want het woord qajin kan ook ‘speer’ betekenen. Hij is degene met wie de Eeuwige in gesprek zal zijn, zowel voor als na de broedermoord, degene die zal moeten leven met de consequenties van het eerste geweld. Daarin is hij ons aller voorvader.
In dienst van dat dramatische verhaal speelt Abel slechts een bijrol. Zoals zijn naam is hij: een zuchtje (hevel), hij is er amper. De vermoorde onschuld, letterlijk – hij komt niet aan het woord, hij doet niets verkeerd. Hij is, net als Jacob, het broertje van de geweldenaar, maar hij krijgt geen eigen verhaal. Het verhaal gaat met Kaïn mee, en de lezer wordt uitgedaagd om zich niet met het slachtoffer te identificeren maar met de dader.
In sommige opzichten verloopt het verhaal parallel aan het vorige in Genesis 3. De Eeuwige creëert een uitgangssituatie die de mens op de proef stelt. In Genesis 3 was het de verboden boom, in Genesis 4 is het de aandacht die naar Abels offergave uitgaat en niet naar die van Kaïn. Er is dan, voorafgaand aan de noodlottige beslissing, een dialoog die zowel de hoofdpersoon als de lezer erbij bepaalt dat er werkelijk te kiezen valt, dat er sprake is van verantwoordelijkheid en vrijheid. In Genesis 3 is dat de dialoog tussen de vrouw en de slang, in Genesis 4 is het de Eeuwige zelf die Kaïn voorhoudt dat hetgeen te gebeuren staat niet onontkoombaar is: handel je goed, of handel je slecht? In beide gevallen gebeurt het dan toch: de vrouw plukt de vrucht, Kaïn slaat zijn broer dood.
Verantwoording en aandacht
In beide verhalen roept de Eeuwige vervolgens de dader ter verantwoording, met een vraag die uitnodigt om het zelf te vertellen – en in beide gevallen reageert de dader defensief, niet bereid of in staat om de schuld op zich te nemen. Er volgen woorden van vervloeking, waarmee vooral wordt gemarkeerd dat er een eind is gekomen aan de vanzelfsprekende geborgenheid, het thuis zijn op de aarde en onder de hemel. De voortvluchtigheid waartoe Kaïn wordt gedoemd, is een vervolgfase van de verdrijving uit het paradijs – en in beide gevallen wordt daarmee de condition humaine geschetst: dat we te leven hebben met de gevolgen van de keuzes van onszelf en van hen die ons voorgingen.
Toch vertellen beide verhalen ook dat de Eeuwige zich om die ontheemde mens blijft bekommeren. Hij biedt hem bescherming aan, in Genesis 3 door de naakte mens te omhullen, en in Genesis 4 door de dader een teken te geven dat hem in zekere zin tot beschermeling maakt: God zelf zal zevenvoudig wreken wie hem doodt. Zo is de Eeuwige intens betrokken in het gebeuren: HIJ begon, eerst met de proefopstelling en nu zelfs, om Kaïn een minimum aan vertrouwen mee te geven, met de geweldsspiraal. Het lijkt aan te geven dat betrokkenheid niet gaat zonder een vorm van medeplichtigheid.
Het drama van Genesis 4 ontvouwt zich deels in termen van aankijken, de blik neerslaan of opheffen, elkaar al of niet onder ogen komen. Kaïn komt in de gevarenzone als hij ‘het gelaat laat vallen’ (vers 5-6), als er geen open blik of uitwisseling van blikken meer is – als hij met neergeslagen ogen zich afsluit van de gemeenschap, zich opsluit in zichzelf. En als het kwaad geschied is, brengt hij zijn isolement beklemmend onder woorden door vast te stellen dat hij van ‘het gelaat van de grond’ wordt verbannen en zich voor het gelaat van de Eeuwige moet verbergen (14). In zijn beleving zien hemel en aarde hem niet meer staan, het grote wegkijken is begonnen. Begon het toen hijzelf in verbittering de blik neersloeg, of is ook in dit opzicht God zelf begonnen? Want alles begon ermee dat de Eeuwige geen oog had voor het offer van Kaïn terwijl hij wel keek naar dat van Abel (4-5).
Vanaf het begin is het probleem dat Kaïn zich niet gezien voelt, aandacht tekortkomt. Kaïns reactie onthult dat zijn offergave geen echt geschenk was, gericht op de ontvanger, maar een vraag om aandacht, gericht op de gever zelf. Moeten we de aandacht van de Eeuwige voor Abel, op dat moment ten koste van Kaïn, dan zien als een proefopstelling die de zwakte van de geweldenaar aan het licht brengt? In ieder geval: de Eeuwige laat zich vervolgens nadrukkelijk met Kaïn in, zowel voor als na zijn gewelddaad. Terwijl de mens in toenemende mate afgesloten raakt van zowel de hemel als de aarde, gaat God in toenemende mate op zijn situatie in, zelfs als dat betekent dat hij daarmee een aandeel neemt in de escalatie van het geweld.
Lamech en Noach
Lamech spreekt zijn woorden als de zevende generatie van Kaïn het levenslicht ziet – de eerste keer dat de stamboom uitwaaiert, met twee moeders en drie zonen, die bovendien gepresenteerd worden als een soort cultuurvaders of gildestichters. Deze uitwaaiering van een geslachtslijn tot een mensenwereld gaat gepaard met de aanzegging van verveelvoudigde wraak. Dat is niet zozeer een naargeestig verhaal, als wel een beschrijving van de toestand van de mensenwereld zoals we die aantreffen, onder het gezichtspunt van ‘de aanval als de beste verdediging’, een geweldsspiraal onder de voortekens van macht en angst.
Straks, in Genesis 5, zal een andere geslachtslijn worden opgesomd, eveneens eindigend met drie zonen. Daar zal de vader van de drie zonen niet een gewelddadige Lamech zijn, maar een rechtvaardige Noach wiens vader ook Lamech heet – zoals meer namen in de lijst verdacht veel lijken op de namen van Kaïns nazaten. De rechtvaardige Noach zweert geen gewelddadige eed, maar dat maakt weinig uit. In heel het lange verhaal over de grote vloed komt Noach slechts eenmaal sprekend ten tonele, helemaal aan het einde, en de enige uitspraak die we hem horen doen begint met ‘Vervloekt!’ Hij vervloekt de middelste van zijn drie zonen, maar ook in de zegen die de andere broers krijgen, ligt alle broedertwist van de mensheid opnieuw besloten (Gen. 9:25-27).[2] Niettemin wordt ook in dit verhaal duidelijk gemaakt dat de Eeuwige niet loslaat wat zijn hand is begonnen, en dat hij zich verbindt aan deze verre van voorbeeldige mensengeschiedenis.
Jezus
Het getallenspel van Genesis 4, waar het van 1 naar 7 naar 77 gaat, komt later terug in een passage in het Evangelie volgens Matteüs. In Matteüs 18:21-22 vraagt Petrus wat hem te doen staat als zijn broeder tegen hem zondigt. ‘Hoe vaak zal hij tegen mij zondigen en vergeef ik hem? Tot zeven maal?’ Het antwoord van Jezus luidt: ‘Ik zeg je, niet tot zevenmaal, maar tot zevenenzeventig.’ Het kan haast niet anders of deze overlevering speelt bewust met het gegeven uit Genesis 4. Wat hier wordt voorgesteld is immers de tegenbeweging, het tegengif dat de geweldsspiraal doet verdampen. Van Gods meegaan in de mensenbeweging, zo onrustbarend in Genesis 4, is Jezus de ultieme expressie. Hij pleit voor radicale deescalatie, consequente vergeving. Hij doet dat niet als buitenstaander, als alien, maar als gezondene van Degene die in Genesis 4 omwille van Kaïn niet met schone handen buiten het gebeuren bleef.