Menu

Basis

Hogepriester en Sanhedrin

Het establishment van Jeruzalem en de dood van Jezus

De figuur van de hogepriester is de christelijke bijbellezer misschien wel het bekendst uit de lijdensgeschiedenis van Jezus. In alle vier de evangeliën speelt de hogepriester een belangrijke rol en in deze bijdrage kijken we naar een aantal details uit dit materiaal.

Bert Jan Lietaert Peerbolte is hoogleraar Nieuw Testament aan de Vrije Universiteit Amsterdam.

In de eerste eeuw is het ambt van hogepriester niet meer wat het geweest was.

Opvallend is, dat de hogepriester in de brief aan de Hebreeën een soort model wordt voor het verstaan van de betekenis van Jezus. De cultische middelaar tussen God en mens, de persoon die gaat over het heiligdom van de tempel en die op Grote Verzoendag als enige het offer mag brengen waarmee Jhwh zich verzoent met Israël, wordt daar gezien als model voor het middelaarschap van Jezus. In de evangeliën is het zover nog niet. Daar staan Jezus en de hogepriester tegenover elkaar.

Machthebbers in Jeruzalem

In de eerste eeuw van onze jaartelling is het ambt van hogepriester niet meer wat het geweest was. In de Tora is vastgelegd dat het telkens voor een jaar bekleed zou moeten worden door een van de nazaten van de priester Sadok, de sadokieten (zie onder andere 1 Koningen 1,8.34.38-39; 1 Kronieken 5,34.38; 29,22). Ten tijde van de Makkabese opstand werd dit principe losgelaten en werd de hogepriester aangesteld op basis van politieke intriges en steekpenningen. In Rome had Augustus als eerste keizer de alleenheerschappij verworven en het is tekenend dat hij niet alleen de politieke, maar ook de religieuze macht claimde: hij benoemde zichzelf tot pontifex maximus, de hoogste priester, die de eindverantwoordelijkheid had voor alle religieuze zaken in Rome en bovendien als rechter mocht optreden (dezelfde titel is nu overigens nog steeds in gebruik voor de paus, maar dat terzijde).

Op vergelijkbare wijze claimde de hogepriester in Jeruzalem alle macht, zowel in politieke als in religieuze zin. Hogepriesters wisselden elkaar niet meer jaarlijks af, maar bleven soms voor langere periodes in functie. De drie hogepriesters die in het Nieuwe Testament genoemd worden zijn Annas (Ananus) de zoon van Sethi, Jozef Kajafas en Ananias zoon van Nedebaeus. Annas regeerde van 6 tot 15, Kajafas van 18 tot 36 en Ananias van 47 tot 59. Annas bleef na zijn aftreden een invloedrijke figuur, zeker toen zijn schoonzoon Kajafas het ambt bekleedde. Ananias, die genoemd wordt in Handelingen 23,3 en 24,1 als degene bij wie Paulus terecht staat, werd in 59 tot aftreden gedwongen en was dermate impopulair, dat hij bij het begin van de joodse oorlog tegen Rome (66-70) meteen door de opstandelingen vermoord werd, zeven jaar na zijn aftreden.

De hogepriester werd in zijn taken ondersteund door het Sanhedrin. Dit college bestond volgens de misjna (traktaat Sanhedrin 1,5-6) uit 71 leden. Dit aantal gaat vermoedelijk terug op de instructie door Mozes in Numeri 11,16 (70 oudsten), met bij dat college opgeteld de figuur van Mozes zelf. Er is de nodige onduidelijkheid over de exacte samenstelling van het Sanhedrin, maar naar het zich laat aanzien was de hogepriester er lid van, waren voormalige hogepriesters lid en bestond het college verder uit vooraanstaande figuren uit de priesterklasse zoals bijvoorbeeld de seganim. Een sagan (enkelvoud) was de tweede rang van priesters, in het Nieuwe Testament aangeduid als de ‘tempelwachters’ (bijvoorbeeld Lucas 22,4.52). Hiernaast waren er tenminste drie andere priesterorden in de tempel, los van de Levieten, die wel gezien worden als tempelpolitie.

Hoe kan het dat er diverse vermeldingen zijn in de evangeliën van de ‘hogepriesters’ in het meervoud en wie was de ons verder onbekende Skevas, die in Handelingen 19,14 vermeld wordt als ‘een joodse hogepriester’? Vermoedelijk gaat het bij het meervoud om een generieke aanduiding van de hoogste priesterklasse en behoorde deze Skevas tot die klasse. Duidelijk is dat er maar één formele hogepriester was in Jeruzalem en dat hij in de kleine joodse stadstaat politiek én religieus de touwtjes in handen had. Al was hij natuurlijk vooral een vazal van de Romeinen.

Verdeel en heers: Romeinse politiek en de speelruimte van de hogepriester

In de periode waarin Jezus optrad, speelde Rome al geruime tijd een belangrijke rol op het wereldtoneel. De tactiek van verdeel en heers was voor de Romeinen een vanzelfsprekende manier van omgaan met geopolitieke belangen. Dit punt is misschien wel het beste zichtbaar rondom de opstand van de Makkabeeën. Rome oefent op de achtergrond invloed uit op wat er in Palestina gebeurt, omdat de Romeinen het machtsstreven van de Seleucidische koning Antiochus IV, Epifanes beschouwden als een risico. Zij steunden dan ook de opstandelingen en maakten aan de Ptolemeeën in Egypte duidelijk geen interventie van hun kant te accepteren. De dynastie van de Hasmoneeën, die vanaf de opstand heersten over Jeruzalem, onderhield nauwe betrekkingen met Rome, toen in 63 voor Christus Pompeius de Grote zijn afgezant naar Syrië zond, het rijk van de Seleucieden, om het gebied in te lijven. De laatste twee Hasmoneeën, Aristoboulos II en Hyrcanus II, vochten om de macht en Aristoboulos riep de Romeinen te hulp. De interventie pakte anders uit dan gehoopt, want vanaf dat moment werd Judea een Romeins protectoraat. Na een periode van politieke instabiliteit regeerde Herodes de Grote over Jeruzalem, van 37 tot 4 voor Christus. Hij was semi-onafhankelijk van de Romeinen, maar toen zijn gebied na zijn dood uiteenviel, plaatsten zij Jeruzalem uiteindelijk onder direct Romeins gezag. Van 6 tot 41 na Christus heersten diverse Romeinse prefecten, onder wie Pontius Pilatus (26–36) over Jeruzalem. Van 41 tot 44 berustte het gezag bij koning Herodes Agrippa I en daarna volgde een lange lijst van Romeinse procuratoren (tot 70) en legaten (van 70 tot 135). De politieke context waarbinnen de hogepriester moest opereren was er dus één van direct of indirect Romeins gezag. De hogepriester was weliswaar in naam verantwoordelijk voor alle politieke en religieuze processen in Jeruzalem, in feite was hij schatplichtig aan Rome. Zijn politieke speelruimte was dus beperkt: hij moest balanceren tussen de belangen van de Judeeërs en de inwoners van Jeruzalem, de wensen en eisen van de Romeinen en zijn eigen particuliere belangen. De combinatie met een door de Romeinen aangestelde machthebber kan eenvoudig de misvatting doen rijzen dat het zou gaan om een scheiding van kerk en staat: de hogepriester verantwoordelijk voor religieuze zaken, de door de Romeinen aangestelde machthebber verantwoordelijk voor politiek. Dat was niet het geval. De hogepriester claimde onverminderd het hoogste religieuze én politieke gezag in Jeruzalem te hebben, maar moest alleen een door de Romeinen aangewezen toezichthouder naast of boven zich dulden.

Marcus: de hogepriester als speelbal in Gods plot

In het evangelie naar Marcus is het de hogepriester die Jezus ten slotte ter dood veroordeelt (14,55-65). Allereerst beschrijft Marcus hoe ‘de hogepriesters en het hele Sanhedrin’ zochten naar valse getuigen tegen Jezus, zodat zij hem konden veroordelen. Het lukt niet, omdat de verklaringen niet overeenkomen. Dan spreekt de hogepriester, wiens naam door Marcus niet genoemd wordt, Jezus aan en vraagt hem waarom hij niet antwoordt. Op zijn zwijgen reageert hij vervolgens door een stap verder te gaan: ‘Bent u de Messias, de Zoon van de Gezegende?’ Eindelijk spreekt Jezus dan: ‘Dat ben ik, en u zult de Mensenzoon aan de rechterhand van de Machtige zien zitten en hem zien komen op de wolken van de hemel’ (Marcus 14,62 NBV). De hogepriester scheurt zijn kleding, spreekt uit dat dit godslastering is en legt het besluit bij de rest van het Sanhedrin neer in wat we vandaag een gesloten vraag zouden noemen: ‘U hebt de godslastering gehoord; wat is uw oordeel?’ (vers 64).

De scene met de hogepriester is de climax van het mysterie rond Jezus’ identiteit in Marcus. Vanaf het begin van zijn optreden probeert Jezus te voorkomen dat in brede kring bekend wordt wie hij is: de Zoon van God. Bij zijn doop spreekt God tot Jezus in een visioen (1,11), maar alleen de lezer hoort dat spreken, de omstanders niet. Desgevraagd bevestigt Petrus Jezus’ identiteit als de messias (8,27), maar instrueert Jezus hem om daarover niets te zeggen. Vervolgens richt God zich tot de kring van meest vertrouwde leerlingen van Jezus, Petrus, Jakobus en Johannes. Jezus verandert van gedaante en staat ineens op een berg omringd door Mozes en Elia. God bevestigt nu zijn identiteit als Zoon van God (9,7) ten overstaan van de leerlingen. Vanaf dit punt weten de lezer en de leerlingen wie Jezus is, alleen heeft de hogepriester geen deel aan deze kennis. De veroordeling door de hogepriester heeft dan ook een paradoxale lading. Hij zal ervan overtuigd geweest zijn dat Jezus godslastering bedreef met zijn claim, terwijl de lezer snapt dat Jezus nu moet sterven om wie hij is. De hogepriester is aldus een soort speelbal in een goddelijk complot. Hij vermag niet te zien wat straks de Romeinse hoofdman bij het kruis na het sterven van Jezus zal uitspreken: ‘Werkelijk, deze mens was Gods Zoon’ (15,39).

Het is duidelijk in Marcus dat de hogepriester een machtige figuur is. Hij heeft dienaren die helpen bij Jezus’ arrestatie (vgl. 14,47) en zijn ‘huis’ is een bastion waar het Sanhedrin bijeenkomt (14,53). Het heeft zelfs een min of meer publieke ‘binnenplaats’ waar Petrus zich tijdens de beschreven gebeurtenissen kan ophouden (14,66). Het is de plek van zijn verloochening van Jezus.

Het verhaal gaat door met een beschrijving van hoe Jezus door het Sanhedrin werd overgebracht naar Pilatus. Het establishment in Jeruzalem heeft besloten dat Jezus een godslasteraar is en levert hem uit aan de Romein, zodat deze hem ter dood kan brengen.

Het religieuze establishment in Jeruzalem heeft besloten dat Jezus een godslasteraar is en levert hem uit aan de Romeinen.

Matteüs en Lucas: accentverschuivingen

Matteüs en Lucas hebben allebei Marcus bij het schrijven van hun teksten als bron gebruikt. Dat betekent dat we hun versies van het evangelie direct met die van Marcus kunnen vergelijken en dat we de verschillen mogen interpreteren als bewuste accentverschuivingen. Zo valt dan direct op dat Matteüs in 26,1-3 iets anders doet dan de brontekst (Marcus 14,1-2): bij Matteüs komt ineens ‘de hogepriester, Kajafas’ binnen in het verhaal. Marcus spreekt over ‘de hogepriesters en schriftgeleerden’, maar Matteüs vindt het van belang Kajafas expliciet te noemen. Hetzelfde gebeurt in 26,57, waar Matteüs ‘het huis van de hogepriester’ van Marcus concreter maakt: Jezus wordt voorgeleid ‘aan Kajafas, de hogepriester’. Bovendien laat Matteüs het meervoud uit Marcus vallen: ‘alle hogepriesters, oudsten en schriftgeleerden kwamen daar bijeen’ (Marcus) wordt hier ‘Kajafas, de hogepriester, bij wie de schriftgeleerden en oudsten bijeengekomen waren’ (Matteüs). De ondervraging loopt in Matteüs overigens op dezelfde wijze af als in Marcus, met eenzelfde beschrijving van de aanklacht van de hogepriester aan het adres van Jezus. Dit element neemt Matteüs duidelijk wel over. De twee belangrijkste wijzigingen die Matteüs dus aanbrengt in het marcaanse materiaal over de hogepriester zijn het feit dat Matteüs aan deze hogepriester een naam geeft (Kajafas) en dat hij het meervoud van Marcus (‘hogepriesters’), waarvan we al zagen dat het een problematische aanduiding is, wegschrijft uit zijn verhaal.

Hoe is dit alles bij Lucas? Het eerste wat bij Lucas in het oog springt, is dat de figuur van de hogepriester veel eerder in het verhaal geintroduceerd wordt. Lucas laat zijn evangelie beginnen in de tempel in Jeruzalem, een plek die tot aan het einde van zijn dubbele compositie, Lucas-Handelingen, een prominente rol zal spelen. Het is daar dat Zacharias te horen krijgt dat zijn vrouw Elizabet een zoon zal krijgen, die bekend zal worden als Johannes de Doper. Aan het einde van het evangelie krijgen de discipelen niet, zoals in Marcus en Matteüs, de opdracht naar Galilea te gaan, maar keren zij terug naar Jeruzalem. Het is in de tempel van Jeruzalem dat de Geest op de volgelingen van Jezus wordt uitgestort (Handelingen 2) en diezelfde tempel zal nog tot ver in de geschiedenis van Paulus een belangrijke rol blijven spelen (zie bijvoorbeeld 21,26-32; 22,17).

Na de voorgeschiedenis waarin Lucas vertelt over de geboorten van Johannes de Doper en Jezus – ze blijken zelfs verwanten! – begint de actie in het evangelie bij het optreden van Johannes in de woestijn. Lucas dateert het ogenschijnlijk nauwkeurig in 3,2: ‘toen Annas en Kajafas hogepriester waren, richtte God zich in de woestijn tot Johannes, de zoon van Zacharias’. Het is een mooi narratief begin en de gekozen uitdrukking (‘richtte God zich … tot Johannes’) plaatst Johannes duidelijk in de geschiedenis van het oude Israël. Er is alleen een probleem en dat is dat Annas en Kajafas weliswaar allebei hogepriester geweest zijn, maar niet tegelijk. Lucas schijnt dit niet te beseffen en zo creëert hij een schijn-precisie in zijn verhaal. Narratief werkt het, maar historisch niet.

In het proces tegen Jezus valt op dat Lucas de rol van de hogepriester eerder lijkt terug te dringen ten opzichte van de vertelling in Marcus, dan uit te breiden. Hij noemt de hogepriester niet bij naam en situeert het eerste deel van het proces tegen Jezus conform zijn bron in ‘het huis van de hogepriester’ (22,54). In vers 66 begint dan het eigenlijke proces tegen Jezus en hierbij speelt de hogepriester geen noemenswaardige rol volgens Lucas. Opmerkelijk is dat hij niet alleen de hogepriester uit het verhaal schrijft, maar ook een andere beschrijving geeft van het Sanhedrin. Bij Lucas is sprake van de ‘raad van oudsten van het volk’, een beschrijving dus van het college dat bij de andere evangelisten ‘Sanhedrin’ heet, dat Jezus voorleidde ‘in hun raadszitting’. Het woord dat hier in de NBV vertaald wordt als ‘raadszitting’ is het Griekse woord synhedrion, dat ten grondslag ligt aan de naam ‘Sanhedrin’. Ook de Naardense Bijbel, de Statenvertaling en vele andere vertalingen kiezen ervoor dit woord hier te vertalen als iets van raadszitting (NBV: ‘raadszitting’; SV: ‘raad’). De rol van de hogepriester is bij Lucas dus juist verminderd ten opzichte van Marcus. De aanklacht tegen Jezus is een collectieve verantwoordelijkheid (vers 67) en ook het oordeel over hem is dat (vers 71).

Johannes: één mens moet sterven voor het volk

Zoals in zoveel opzichten is het beeld bij Johannes anders dan dat in de andere evangeliën. Ook Johannes is historische gezien niet accuraat, maar de introductie van de hogepriester is narratief gezien van eminent belang. Direct na de opwekking van Lazarus, de episode die op een tota binnen het verhaal van wijze dan Johannes een voorafbeelding is van de opstanding voorzie van Jezus zelf, introduceert de verteller de hogepriester. Het bericht over Lazarus bereikt de Farizeeën, die op hun beurt met ‘de hogepriesters’ het Sanhedrin bijeenroepen (11,47). Daar is het dat de hogepriester wordt geïntroduceerd: ‘Kajafas, die dat jaar hogepriester was’ spreekt daar uit dat het in het belang is van het volk ‘dat één man sterft, zodat niet het hele volk verloren gaat’ (11,50). De historische onnauwkeurigheid is, dat Kajafas weliswaar hogepriester was, maar niet slechts één jaar. Dat schreef de Tora weliswaar voor, maar die praktijk was in de eerste eeuw, zoals boven betoogd, allang losgelaten.

Jezus’ dood brengt leven voor velen, maar op een totaal andere wijze dan Kajafas voorzien had.

De uitspraak van Kajafas wordt herhaald in 18,14 en aldus herinnert de evangelist de lezer aan dit punt. Even ervoor is Jezus voorgeleid bij Annas, die beschreven wordt als ‘de schoonvader van Kajafas’ en ook hier herhaalt Johannes de onjuiste mededeling dat de laatstgenoemde ‘dat jaar’ hogepriester was. Opvallend is, dat Johannes in zijn beschrijving van de ondervraging door Annas deze aanduidt als ‘de hogepriester’ (Johannes 19,22). In vers 24 draagt Annas Jezus over aan zijn schoonzoon en Jezus belandt geboeid en wel bij Kajafas. Vervolgens verwacht de lezer daar een veroordeling, maar neen: die komt niet. Net als in de synoptische evangeliën het geval is, vertelt Johannes over de verloochening door Petrus. Na de melding dat Jezus aan Kajafas wordt overgedragen volgt de derde verloochening door Petrus en daarop vertelt de evangelist dan plompverloren: ‘Jezus werd van Kajafas naar het pretorium gebracht’ (vers 28), waarmee de ondervraging door Pilatus begint.

Het belang van de hogepriester in Johannes is vergelijkbaar met dat in Marcus. Is het in Marcus dat de hogepriester Jezus ter dood veroordeelt om wie hij is, waarbij de paradox is dat de hogepriester meent dat er werkelijk blasfemie in het spel is en de lezer weet dat Jezus werkelijk de Zoon van God is, bij Johannes duidt de hogepriester Kajafas Jezus’ dood nog voor zijn veroordeling. De paradox is hier, dat de hogepriester Jezus’ dood strategisch benadert, terwijl in het geheel van het evangelie die dood theologisch van belang is. Kajafas wil Jezus ter dood brengen, zodat door de dood van deze ene mens het volk zal leven. Het is een politieke uitspraak, omdat hij in het kader staat van de dreiging van Rome, die anderen in 11,48 benadrukken. Een wonderlijke uitspraak, want waarom zou Jezus’ populariteit tot een ingrijpen van de Romeinen leiden? Kajafas pakt het punt op door zijn interpretatie ervan. In het geheel van het evangelie volgens Johannes is evenwel duidelijk dat hij zijns ondanks gelijk heeft: de dood van Jezus brengt inderdaad leven voor velen, maar wel op een totaal andere wijze dan Kajafas voorzien had.

De basale boodschap van de vier evangelisten, hoe verschillend getoonzet ook, is duidelijk: de aardse machthebbers, in dit geval de hogepriester, waren een onderdeel in het plan dat God had met het leven en sterven van Jezus. Jezus’ betekenis gaat daarom voor de evangelisten die van de hoogste machthebbers in Jeruzalem verre te boven. Zij zijn hoogstens stukken op Gods schaakbord.

Wellicht ook interessant

Basis

Van crisisjaar tot jubeljaar

Biddag 2021 biedt de gelegenheid om terug te blikken op de coronacrisis die zich aandiende in 2020. Op Biddag is daarbij de invalshoek vooral die van arbeid en economie. Iedereen ondergaat de effecten van deze crisis, maar mensen die zich vóór het uitbreken van de crisis al in onzeker flexibel werk bevonden, zijn onevenredig hard getroffen. Zij verloren vaak als eersten hun werk. Tegelijk is er juist op Biddag ook altijd alle aanleiding om vooruit te blikken. Immers ‘zij die in tranen zaaien, zullen oogsten met gejuich’ (Psalmen 126:5).

Basis

Brood genoeg voor iedereen

In het Evangelie van Johannes heeft Pasen een belangrijke plek. ‘De inzichten van na Pasen zijn leidinggevend in dit Evangelie en hebben hun stempel gedrukt op het verhaal van Jezus vóór Pasen,’ schrijft professor Martin de Boer. Je moet dus niet alleen de gebeurtenissen rond Pasen, maar ook de rest van het Evangelie lezen in dat licht. Het teken van het brood in Johannes 6 kan dan ook gelezen worden als een opmaat naar Pasen. En zo is er in de uitleg ook een verbinding te maken naar het eten van het Pesachmaal in Jozua 5.

Nieuwe boeken