Hond
Uit het grote aantal spreekwoorden en gezegden in onze taal waarin het woord ‘hond’ voorkomt, blijkt dat dit huisdier al eeuwenlang een vertrouwde verschijning is in ons land. Over het algemeen bestaat er voor honden veel waardering – al zal dit niet door iedereen worden beaamd en het is ook de vraag of het in het verleden eveneens altijd het geval is geweest. Het Nederlands kent een opmerkelijke hoeveelheid woorden met ‘hond’ die als scheldwoorden moeten gelden. Een paar voorbeelden: een hond van een kerel, stomme hond, ongelovige hond, gierige hond, hondsvot (schaamdeel van een hond). Het vermoeden lijkt gerechtvaardigd dat deze woorden echte hondenliefhebbers als vloeken in de oren klinken.
Grondtekst
Het Hebreeuws kent voor ‘hond’ het woord kèlèv. Het kan zowel betrekking hebben op de onreine straathonden die overlast veroorzaken (o.a. Ex. 22:31; 1 Kon. 14:11; 16:4; 2 Kon. 9:10,36; Ps. 22:17,21; 59:7,15; 68:24; Spr. 26:11,17; Jer. 15:3); als op waakhonden (Ex. 11:7) en op honden die de herder behulpzaam zijn bij het beschermen en bijeenhouden van de kudde (Job 30:1; Jes. 56:10-11).
In het nieuwtestamentisch Grieks komt kyoon voor (5x: Mat. 7:6; Luc. 16:21; Fil. 3:2; 2 Petr. 2:22; Op. 22:15) en het verkleinwoord kynarion (4x: Mat. 15:26-27; Mar. 7:27-28).
Letterlijk en concreet
a.Ook in de oud-oosterse wereld was het bezit van een of meerdere honden wijd verspreid. Hun trouw en aanhankelijkheid was wijd en zijd bekend. Ze werden dan ook voor allerlei doeleinden gebruikt: in het bijzonder als waakhonden (Ex. 11:7) en herdershonden (Job 30:1; Jes. 56:10-11).
b.Een plaag vormden in het land Israël groepen (half)verwilderde honden, die op hun zoektochten naar voedsel jankend rondliepen (Ps. 59:7,15). Kieskeurig waren ze niet. Ze aten de resten van gedode beesten (Ex. 22:31) en lekten het bloed van zieken en doden (1 Kon. 14:11; Luc. 16:21). Gedreven door honger konden ze ook voor mensen een gevaar worden: ‘U hebt mij neergelegd in het stof van de dood, de honden staan al om mij heen, een meute boosdoeners heeft mij omsingeld…’ (Ps. 22:17).
Beeldspraak en symboliek
a.Ondanks zijn goede eigenschappen genoot een hond in het oude Israël weinig of geen respect. Typerend is het spreekwoord dat in het boek Prediker te vinden is: ‘Zolang iemand leeft is er nog hoop. Beter een levende hond dan een dode leeuw’ (Pred. 9:4).
b.In het Oude Testament functioneert het woord ‘hond’ in relatie tot mensen vrijwel altijd als een ordinair scheldwoord. De beruchte Filistijn kampvechter Goliath voelt zich vernederd wanneer David zonder deugdelijke wapenrusting met hem de strijd wil aanbinden: De Filistijn riep David toe: Ben ik soms een hond, dat je met een stok op mij afkomt?’ (1 Sam. 17:43). Met soortgelijke woorden lucht generaal Abner zijn woede tegenover Isboset, een van de zonen van Saul: ‘Ben ik soms een hondsvot die het met Juda houdt?’ (2 Sam. 3:8). Uiterst kwetsend is het een mens met ‘een dode hond’ te vergelijken (2 Sam. 16:9).
c.Het woord ‘hond’ wordt ook gebruikt wanneer iemand, om welke reden dan ook, zichzelf vernedert. Op een dergelijke wijze reageerde Mefiboset, de zoon van Jonatan, de zoon van Saul, tegenover de succesvolle David: ‘waarom bent u bezorgd om uw knecht, die niet meer waard is dan een dode hond?’ (2 Sam. 9:8). Niet minder diep buigt Hazaël uit Aram tegenover de profeet Elisa in het stof: ‘Toen zei Hazaël: Maar hoe kan uw dienaar, dode hond die hij is, zoiets groots doen? Elisa antwoordde: De Heer heeft mij laten zien dat u koning van Aram wordt’ (2 Kon. 8:13).
d.Ten aanzien van de negatieve beeldvorming van honden verschilt de nieuwtestamentische wereld niet van de oudtestamentische. Tegen dieachtergrond krijgt een verhaal dat door de evangelisten Marcus en Matteüs over Jezus wordt verteld een wrange bijsmaak. Zijn negatieve reactie op het begrijpelijke verzoek van de Kananese/Syro-Fenicische vrouw haar dochter te genezen, roept bij de hedendaagse lezer(es) gemakkelijk zowel verwondering als ergernis op: ‘Hij zei tegen haar: Laat eerst de kinderen (Israël) volop te eten krijgen , want het is niet goed om het brood van de kinderen te nemen en het aan de hondjes (heidenen) te geven’ (Mar. 7:27). De vrouw blijkt ad rem te zijn en weet Jezus tot andere gedachten te brengen: ‘Heer, ook de hondjes onder de tafel eten immers van de kruimels van de kleintjes’ (Mar. 7:24-30; Mat. 15:21-28).
e.Negatieve uitspraken over honden zijn ook in de Bergrede te vinden: ‘Geef het heilige niet aan de honden, en gooi jullie parels niet voor de varkens, opdat zij die niet met hun poten vertrappen, zich tegen je keren en je verscheuren’ (Mat. 7:6). In negatieve zin uit Paulus zich ook in een van zijn brieven: ‘Pas op voor de honden, pas op voor de slechte arbeiders (of saboteurs: mannen die het werk van Paulus trachten te ondermijnen) … ‘ (Fil. 3:2). In het laatste bijbelboek wordt de climax in negatieve zin bereikt: ‘Buiten blijven de honden, de tovenaars, de hoerenlopers, de moordenaars, de afgodendienaren: ieder, die de leugen liefheeft en ernaar handelt’ (Op. 22:15).
Praxis
a.Liederen:
Liedboek: Psalm 22; 59; 79; 115; Evangelie II: 35; Gezegend: 78.
b Poëzie:
Virginia Hamilton Adair, Gedichten, Baarn 1998, blz. 79: ‘Lijkzang’. Van der Graft, Mythologisch, Baarn 1997, blz. 276: ‘de bloedhond van de bergen’. Jan Hanlo, Verzamelde gedichten, Amsterdam 1970, blz. 35: ‘Hond met bijnaam knak’. Judith Herzberg, Beemdgras, Amsterdam 1975, blz. 9: ‘Vergeefs blaffen’. Kees Stip, ‘Au! De rozen bloeien’, Amsterdam 1983, blz. 26: ‘De hondekar’.
c.Verwerking:
We zagen dat de bijbelse symboliek van de hond nogal negatief gekleurd is. Dit in tegenstelling tot de hond-symboliek in naburige volken als Egypte en Assyrië, waar sommige goden als hond werden afgebeeld of waar de hond de goden vergezelde; hier overheersen de elementen trouw, waakzaamheid en intelligentie. Misschien geven de bijbelschrijvers impliciet kritiek op deze godsdiensten ter wille van Israëls identiteit. In de christelijke traditie en kunst zien we daarentegen de positieve beeldvorming. Daar is het dier metgezel en attribuut van enkele heiligen (de heilige Margaretha van Cortona, de heilige Rochus). In de middeleeuwse kunst verwijzen wezens met een hondenkop mogelijk naar de zendingsopdracht die zich uitstrekt naar de einden der aarde. Ook is het interessant om bij de bespreking de figuurKaleb, in wiens naam vermoedelijk het woord ‘hond’ schuilgaat, te betrekken; deze Kaleb speelt in de verhalenvan de uittocht een cruciale rol, en dat in positieve zin (vgl. Num. 13:6, 30-31; 32:12; Joz. 14:6-15). De plaats van de hond in de bijbel reikt ons onder meer de volgende thema’s aan: verachting en minderwaardigheid, vernedering, oordeel, buitenstaander.
Verwijzing
Er lopen weinig lijnen van hond naar andere bijbelse woorden en begrippen. Het onreine ‘varken‘ laat enige verwantschap zien. Zie verder het algemene woord ‘dier‘.