Menu

Premium

Huid

vel, melaatsheid of lepra, tatoeage

De huid van de mens heeft in onze cultuur ongekende aandacht. We hoeven alleen maar te wijzen op de wereld van de reclame, waar de huid in de context van schoonheid een geliefd object van verzorging is. Vaak suggereren reclamespots dat huid en mens samenvallen: mijn huid ben ik; als mijn huid mooi is, ben ik mooi. Onze taal verraadt ook min of meer een verband tussen binnenkant en buitenkant: iemand met een dikke huid is ongevoelig; wie niet goed in zijn vel steekt, is ziekelijk. Ook circuleert de gedachte dat de huid de spiegel is van de ziel. De huid is het strijdtoneel waarop de innerlijke krachten met elkaar in de slag gaan. Hoe komt huid of vel in de bijbel naar voren? Zien we daar eveneens een relatie tussen het uiterlijk (huid) en innerlijk (gevoel en de beleving)?

Grondtekst

Ongeveer 100x treffen we het Hebreeuwse ‘or, ‘huid, vel’, aan, waarvan om en nabij de helft in Leviticus 13 (voorschriften rond huidziekte) en 17x in Exodus (vooral als bekleding van de tent der ontmoeting). Het kan zowel de huid van de mens als die van het dier duiden. In enkele teksten kunnen we ‘or weergeven met ‘leer’, gedroogde dierenhuid (Lev. 11:32; 2 Kon. 1:8). Job 16:15 heeft gelèd, ‘huid’ van de mens; sommigen vertalen levoesj in Job 30:18 en 41:5[4] met ‘huid’, maar wellicht past daar beter het gebruikelijke ‘kleed’.

Het Nieuwe Testament bevat eenmaal derma, ‘huid, vel’, en wel het geitenvel (Hebr. 11:37; vgl. 1 Clemens 17:1). Met dermatinos is de mantel van dierenvel bedoeld (Mat. 3:4; vgl. Zach. 13:4).

Letterlijk en concreet

a.De mens met aandoeningen op zijn huid -veelal aangeduid met de niet correcte medische term melaatsheid of lepra – kan in het algemeen niet aan het openbare leven deelnemen, aangezien hij onrein is (Lev. 13-14; Luc. 17:11-17). De achtergrond van de onreinheid van huidziekten heeft behalve een psychologische – schrikwekkend, angst voor besmetting – ook een existentiële wortel, namelijk de verbinding tussen melaatsheid en dood.

b.Een van de stoffen voor kleding is leer, vervaardigd van dierenhuiden- of vellen (Gen. 3:21; 27:16; 2 Kon. 1:8; Mat. 3:4). Voor zonsondergang moest de pandhouder het pand aan de pandgever teruggeven, om te voorkomen dat de laatste zijn huid niet tegen de nachtelijke koude kon beschermen (Ex. 22:26[27]). In de latere tijd wordt het rondlopen in geitenvellen als noodgezien (Heb. 11:37). De tabernakel bestaat gedeeltelijk uit dierenvellen (Ex. 26:14; 35:7). Sommige heilige voorwerpen zijn bedekt met kleden gemaakt van huiden (Num. 46-14). De bijbel bevat meerdere voorschriften over de omgang met de huiden van het offerdier, ook in het kader van reinheid-onreinheid (Ex. 25:5; Lev. 7:8).

Beeldspraak en symboliek

a.Het onderscheid tussen letterlijk en overdrachtelijk gebruik van huid valt niet gemakkelijk aan te geven. Beide betekenissen lopen nogal eens door elkaar. Duidelijk blijkt dat uit de stralende huid van Mozes’ gelaat, na de ontmoeting met de Heer op de Sinai (Ex. 34:29-35). De Israëlieten zien – letterlijk – Mozes’ gezicht stralen na zijn terugkomst van de berg, terwijl hij dat zelf niet door heeft. Maar de lichtgevende huid van zijn aangezicht verwijst kennelijk naar iets voorbij het concrete. (Tussen haken: de Vulgata spreekt van een gehoornd gezicht, wat Michelangelo ertoe heeft gebracht een Mozesbeeld met hoornen te scheppen.) Wat zegt het stralende gezicht? Dat Mozes de Onaanzienlijke werkelijk gezien heeft en dat Hij echt tot hem gesproken heeft. In het blinkende licht van Mozes’ gezicht schuilt als het ware de Eeuwige. In Mozes komt de Onzichtbare tot het volk. Het geeft aan Mozes en vooral aan de woorden die hij van de berg meebrengt goddelijke autoriteit.

b.De auteur van de novelle Job speelt min of meer met het woord huid. Hij laat de satan tot de Heer zeggen: ‘Huid voor huid, en al wat iemand heeft, zal hij geven voor zijn leven’ (2:4). Een wat mysterieuze uitdrukking, die alleen hier voorkomt. De satan meent dat als het erop aankomt, Job zijn eigen huid probeert te redden. Als Job ziek gemaakt wordt, dan zal zijn rechtschapenheid, kenmerkend voor hem, vervliegen tot niets. In die situatie zal hij louter voor zichzelf kiezen. Even later, in 2:7, zien we letterlijk Jobs huid aangetast, met venijnige zweren. Het lichamelijke leed hem aangedaan, is bijkans niet te dragen. Job schreeuwt het uit ‘…mijn huid beweegt en ettert’ (7:5). Job treurt intens, zoals blijkt uit zijn uitspraak dat hij een rouwgewaad over zijn huid heeft genaaid (16:15). Vriend Bildad wrijft zout in Jobs verwonde huid, met zijn opmerking dat de eerstgeborene van de dood, metafoor voor dodelijke ziekte, de goddeloze zal vernietigen (18:13). Hij suggereert met die opmerking dat Job een goddeloze is. Want inderdaad, Jobs huid is aangevreten, hij is vel over been, zo bekent hij (19:20). Zijn huid mag dan zwaar geschonden zijn, dat betekent niet het einde van zijn relatie met God (19:26). In dat vertrouwen van deze geteisterde man spreekt de rechtvaardige! In zijn laatste toespraak beschrijft Job heel scherp zijn situatie: ‘Mijn huid is zwart en laat van mij los… ‘ (30:30; vgl. 30:18); het einde schijnt nabij. Aan de hand van onder meer de veranderingen en aantastingen van Jobs huid, verhaalt de verteller van Jobs lijden, dat is opgekomen in de brein van de tegenstander. Huid voor huid, riep deze aan het begin. Job heeft zijn huid ingeleverd, maar niet zijn oprechtheid! De buitenkant en binnenkant corresponderen weliswaar met elkaar, maar gaan niet volledig in elkaar op.

c.Ook het boek Klaagliederen noemt de huid om de miserabele toestand van het geteisterde volk en de verwoeste stad te schilderen. De dichter heeft het over de wegterende huid (3:4), de uitgedroogde en verschrompelde huid (4:8) en de gloeiende huid (5:10). Het is het beeld van iemand die leidt onder honger en dorst. Het verlangen naar voedsel en water wordt niet beantwoord en de tekenen daarvan zijn zichtbaar in de wegkwijnende huid. Zo voelen zich de geteisterde mensen van Jeruzalem, letterlijk en figuurlijk.

d.De metafoor van het gevilde dier bezigt de profeet Micha om het wangedrag van Israëls leiders tegenover de arme boeren te schetsen (3:23). Scherper kan hij het kwaad van de machthebbers niet aan de orde stellen. Met het beeld van een donkerhuidige mens en een gevlektepanter die hun huid nu eenmaal niet kunnen veranderen, maakt Jeremia duidelijk hoe moeilijk het voor Israël is zich om te keren tot God (13:23). Al het werk van de profeet lijkt tevergeefs te zijn.

e.Opvallend is het aantal bijbelverhalen, zeker in het Nieuwe Testament, waarin mensen lijden aan een huidziekte. Doorgaans spreken we van ‘melaatsheid’, een verzamelnaam voor allerlei huidziekten. Ons gaat het nu niet over allerlei details rondom huidziekten, hier willen we wijzen op de boodschap van zulke verhalen. Wat is de functie van zulke verhalen over melaatsen? Om daar antwoord op te geven, moeten we naar de inhoud kijken. Vier voorbeelden. De Tora verhaalt van de melaatsheid van Mirjam (Num. 12). Het gevolg is dat zij buiten de gemeenschap komt te staan, tijdelijk. Het is de goddelijke straf vanwege haar kritische houding tegenover Mozes’ leiderschap. De schrijver beoogt met dit verhaal Mozes’ gezag veilig te stellen. Mozes is als profeet en knecht de stem en het aangezicht van de Eeuwige; wie aan Mozes komt, raakt God. Mozes’ positie is uniek. Mirjam wordt van binnenstaander buitenstaander, vanuit het centrum brengt ze zichzelf naar de uiterste rand. Het tweede voorbeeld is dat van Naäman (2 Kon. 5). De generaal van het vijandige Aram klopt, via het joodse slavinnetje in zijn huis en de profeet in Israël, aan bij Israël. Dat wil zeggen, hij zoekt uiteindelijk zijn genezing bij de God van Israël. De genezing vindt niet plaats via indrukwekkende rituelen, maar door het profetische woord waarnaar hij moet luisteren en waarvoor hij moet buigen. Het tafereel dient ertoe de uniciteit van de Heer te beklemtonen; Hij is anders dan alle goden van de wereld! Er zit veel beweging in het verhaal: van de volken naar Israël, van ziekte naar gezondheid, van het land Israël naar de volken (door de aarde die Naäman mee terugneemt). De genezing is een gave. Wie dat niet verstaat, sluit zichzelf buiten, zoals Gechazi. De laatste twee voorbeelden treffen we in de evangeliën, die regelmatig over melaatsen spreken. In Matteüs 8:1-4 raakt Jezus de om hulp zoekende melaatse aan. Marcus laat er de emotie bewogenheid van Jezus aan voorafgaan (1:40-45). De uitgestotene wordt gezien, aangeraakt, toegesproken en rein verklaard. Jezus identificeert zich door de aanraking met de buitenstaander. Lucas heeft als enige de reiniging van de tien melaatsen (17:11-19). De tien blijven op afstand staan en vragen Jezus om ontferming. Jezus ziet hen aan. Vervolgens spreekt Hij: ‘Gaat heen… ‘ Onderweg worden zij genezen. Eén komt terug om Hem eer te geven, een Samaritaan. De buitenstaander (Samaritaan) onder de buitenstaanders (melaatsen) keert terug naar Jezus! De reiniging en vervolgens de genezing – deze volgorde! – van melaatsen is teken van het Koninkrijk van God. Wie buiten staat, wordt binnengebracht; de rand groeit uit tot centrum.

Het hoofdthema van verhalen over melaatsen is die van de wisselwerking en spanning tussen de kern en de rand, Israël en de volken, de gemeente van Christus en de wereld, de leer en het leven. De melaatsen verbeelden die spanning.

f.In de westerse samenleving zien we vandaag de dag steeds meer mensen met tatoeages. Lange tijd keken christenen met enige verachting naar deze lichamelijke tekeningen, mede op grond van de bijbel. De Tora laat zich immers negatief uit over bepaalde insnijdingen en tatoeages (Lev. 19:28). Het is van belang voor de goede toepassing van dit gebod in onze tijd om de betekenis van tatoeages in de bijbelse tijd op te sporen. Van oudsher brengen dragers van tatoeages een boodschap over met hun ‘versiering’. Zij dragen een kenmerk. Meestal blijkt eruit wat of wie zij belangrijk vinden en in het verlengde daarvan tot wie zij behoren (stam, groep, godheid). Veelal – zeker in het oude Nabije Oosten – heeft de tatoeage een religieuze betekenis. Het verbod in Leviticus staat in de context van rouwgewoon-ten. Bij de dood van iemand is er het gebruik inkepingen aan te brengen in de huid (vgl. Deut. 14:1; Jer. 16:6). Waarschijnlijk om machten rond de dode tot rust te brengen. Israël staat in een bijzondere relatie tot de Heer en dat uit zich in een bijzondere positie te midden van de volken. Israël zal zich daarom onderscheiden van de rest. In dit geval: Israël hoeft geen angst voor doodsmachten te hebben, omdat zijn bestaan ligt in de handen van God. Overigens spreekt de bijbel elders positief over aangebrachte kenmerken, hoewel we niet weten of daar eveneens zoiets als tatoeages mee zijn bedoeld. We denken aan Genesis 4:15, waar Kaïn een van God gekregen teken draagt om zijn onaantastbaarheid te symboliseren. Het teken biedt Kaïn bescherming. In een profetische tekst uit de ballingschap lezen we dat een grote schare ‘hetteken van de Heer’ op haar hand zal schrijven. Vermoedelijk gaat het om proselieten, die zich toevertrouwen aan de Heer en dat zichtbaar maken door een teken op hun hand. Of dit een soort tatoeage is, blijft ongewis. Wel is zeker dat de dragers van het teken eigendom zijn van de Naam op hun hand.

Praxis

a.Liederen:

Liedboek: Psalm 22; 38; 73; 109; Gezang: 7; 10; 70-71; 73; 273; 337; 437; 489; Alles III: 18; Bijbel I: 59; II: 46; 60; III: 43-44; Droom: 47; Evangelie III: 33; Gezegend: 14; Liefde: 47.

b.Poëzie:

Gerrit Achterberg, Verzamelde gedichten, Amsterdam 19848, blz. 440: ‘Huid’; 451: ‘Vilt’. J. Bernlef, Gedichten 1960-1990, Amsterdam 1997, blz. 265: ‘Kameleon’. Hans Bouma, Mens in weeren wind, Kampen 1998, blz. 12: ‘Weefsel’. Ida Gerhardt, Verzameldegedichten, Amsterdam 1980, blz. 526: ‘Ziekenbezoek’; 557: ‘Zelfportret’. Van der Graft,Mythologisch, Baarn 1997, blz. 144: ‘Ja en nee’. Judith Herzberg,27 liefdesliedjes, Amsterdam 19867, blz. 7: ‘Ik ben donker, verweerd…’. Gabriël Smit, Gedichten, Baarn 1975, blz. 214: ‘Geen woorden meer, het lichaam… ‘

c.Verwerking:

Het begrip huid reikt verschillende thema’s aan: binnen- en buitenkant, rein en onrein, schoonheid en verminking, buitenstaander en vreemdeling, nabijheid en vervreemding, aanvaarding, aanraking en afstand. Ter illustratie past de legende van de heilige Bartholomeüs, die de marteldood stierf. Een van de lezingen over zijn dood luidt, dat hij levend zou zijn gevild. In diverse kunstuitingen zien we de martelaar met zijn huid in de hand of hangend over zijn arm of schouder. Zie bijvoorbeeld in de Dom te Keulen en in de Nationale Bibliotheek te Ljubljana. De betekenis is dat ondanks zijn dood niemand zijn eigenheid kan aantasten, wat de verhouding binnen- en buitenkant laat zien.

Verwijzing

Er liggen raakvlakken met ‘hongersnood‘ (honger) en ‘kleding‘. Voor Hooglied 1:5, het donker-huidige meisje, verwijzen we naar de bespreking van ‘huis‘, B-f.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken