Menu

Premium

III Inzoomen A Cultuur – Het belang van de hoorders

Onderdeel van: Ontvouwen. Protestantse prediking in de praktijk

Hoe nu verder?

Er liggen nu een heleboel aantekeningen op je bureau uit de oriëntatiefase: resultaten van tekstanalyse; de opbrengst van het gesprek met de hoorders, een voorbereidingsgroep of een groep catechisanten; aantekeningen op grond van je interne gesprek met hoorders en via hen met de tekst. Je bent meditatief met de tekst bezig geweest. Het heeft allemaal veel opgeleverd. Ook ben je tegen blokkades, vragen en tegenwerpingen aangelopen. Je hebt je werkvertaling gemaakt, de concordantie geraadpleegd. Je bent relevante bijbels-theologische verbanden op het spoor gekomen. Maar het is nog een kluwen.

Hoe nu verder? Hoe vind je nu de preekinhoud? Onze intentie is dat de hoorders in de kerk bij het luisteren zullen meekrijgen wat we eerder – in aansluiting bij Miskotte – W/waarheid noemden: niet dé Waarheid, maar wel waarheid in de zin van ‘aanspraak van Godswege’. Hoe komen we nu tot dat wat deze zondag, in deze dienst, vanuit dit tekstgedeelte, tot deze hoorder(-s), in hun context gezegd moet worden? Hoe krijgen we dat in onze voorbereiding scherp? En hoe krijgen we scherp wat we hopen te bereiken met deze preekinhoud? Kortom: wat gaan we overbrengen, en wat hopen we dat dat uitwerkt. Om tot inhoud en doel van de preek te komen, moeten we nu focussen en ordenen. Met het beeld van de kijker: we stellen de lenzen scherp en zoomen in. Hoe doe je dat?

Ambachtelijk en spiritueel

Dit hoofdstuk gaat over de ambachtelijke kant van het maken van de preek. Een preek componeren is een vak dat we moeten leren. Hoe maak je een boeiend verhaal, dat raakt en ontroert, dat mooi is en tegelijk bruikbaar, waar gelovige en twijfelende hoorders iets aan hebben? Dan gaat het over focus en function, over een goed verhaal of narratio met een zo mogelijk verrassend plot. Of om een helder betoog met een goede opbouw, een heldere scopus & explicatio en een aansprekende toepassing of applicatio. Kortom: een verhaal met een goede lijn, een ‘kop en staart’. Dat komt in dit hoofdstuk aan de orde.

In de verdere uitwerking, wanneer de preek daadwerkelijk wordt uitgeschreven, gaat het vervolgens over stijl, taal, voorbeelden, verbale en non-verbale communicatie. En het gaat om ethos, pathos en logos. Die aspecten komen in hoofdstuk IV en V aan bod.

Maar het gaat om meer dan ambacht. Het gaat hier tenslotte niet om zomaar een toespraak, maar over de preek. Die houden we in de gemeenschap die zich op deze bewuste zondagmorgen naar de liturgie vormt. We kunnen het ook andersom zeggen: de liturgie vormt die plurale groep hoorders tot een communitas,

Zie ook Marcel Barnard, Johan Cilliers, Cas Wepener, Worship in the Network Culture, hoofdstuk 5.

onderweg als volk van God. We schrijven de preek voor die communitas. In die wisselwerking tussen prediker, preek en hoorder komt de preek uiteindelijk tot stand, en doet daar zijn werk.

Die wisselwerking tussen prediker, tekst (van de Bijbel en van de preek-op-papier) en hoorder(-s) zal bepalen of de preek vooral een verkondigend karakter zal hebben en gehoord zal worden als boodschap van Goede Tijding,

Naar Jesaja 52:7.

van bevrijding en vreemde vrijspraak. Of dat de preek meer een ontdekkende en confronterende inhoud zal hebben, en zal werken als een profetische aanklacht. Het resultaat van die wisselwerking kan ook een preek zijn die de hoorders inwijdt in het leven met God en in de navolging van Christus. Of vooral een krachtig, ethisch appel, of een apologetische onderwijzing. Zal de toon meditatief zijn of kritisch of aanklagend of aanzetten tot actie?

Deze kant van het maken van de preek behoort ook tot het ambacht en vereist eveneens vakmanschap, maar het is meer dan dat. Het gaat hier om de spirituele dimensie van de prediking, de onderscheiding der geesten. Dat is een niet-maakbare kant van de prediking. Met de prediking in de liturgie bevinden wij ons in het krachtenveld van de Geest. Dat gaat niet buiten de prediker met haar gaven en haar theologie om. Noch gaat het buiten de ontvankelijkheid, het verlangen, de toewijding van de gemeente, de hoorders om.

Daar is ook sprake van een wisselwerking tussen die beide. Miskotte schreef in 1941 (!): ‘Als geen van beiden (prediker en hoorder, HdL/CS) verwacht, dat er hier in de kerk beslissingen vallen, als beiden hun hart eigenlijk hebben bij wat men het werkelijke leven noemt, hoe zal de gereformeerde eeredienst dan op den duur bestand hebben? Waar is de ontkerkelijking begonnen? Is het niet in de harten van die honderden die erbij waren, zonder er bij te zijn? (…) De zaak is werkelijk deze: de vervreemde mensch heeft niet den indruk, dat er in den Eeredienst iets van onvervangbare waarde geschiedt en dat het door de bedienaren met volstrekten ernst geschiedt.’ Miskotte vraagt zich verbijsterd in oorlogstijd af hoe het kan dat waar velen ‘die vroeger de kerk niet achtten, haar hebben leren zien als een bolwerk der geestelijke vrijheid en een schutse der humaniteit’, ’(…) zoo betrekkelijk weinigen gewonnen worden voor een getrouw òpgaan naar Gods huis?’ K.H. Miskotte, Om het levende Woord. 296-298. Zie ook noot 11.

En het heeft alles te maken met (metaforische) taal, performance, symbolische handelingen. Dus met wat er gebeurt en hoe het gebeurt tussen voorganger en gemeente in de liturgie. En toch onttrekt het eigenlijke zich aan alle maakbaarheid. Wanneer wij naar de kerk gaan, wil nog niet zeggen dat God ook naar de (of: onze) kerk gaat, merkt Noordmans op in een raak aforisme.

O. Noordmans, Verzameld Werk Deel 6, 77. In dit aforisme komt de kern van Noordmans’ kritiek op de visie van Van der Leeuw en Van der Pol op de presentie van God en van Christus in de eredienst in alle scherpte naar voren. Zie ook III.C noot 67.

Het is goed om dat juist ook in deze fase van het voorbereidingsproces te blijven bedenken. Wíj zijn het die ordenen, focussen, verwoorden, maar als de Geest er niet doorheen blaast, blijven het slechts woorden.

Die twee kanten – de ambachtelijke en de spirituele, het harde werken en het uiteindelijk niet maakbare – moeten we bedenken, wanneer we verder werken en gaan ordenen. Dat is het beoefenen van een ambacht en we zoeken de weg die de Geest ons wijst om de gemeente, verlegen om een goed W/woord, te dienen.

A. Cultuur – Het belang van de hoorders

Wanneer wij het Woord bedienen en ons daarbij richten tot de hoorders, hopen we met onze preek iets te bewerken bij de gemeente in heel haar diversiteit. Wij hopen dat er hoorders tot geloof komen, dat hoorders iets leren, troost ervaren, hoop putten, kracht vinden om op te staan. Dat hoorders boete gaan doen of zich verootmoedigen, zich bekeren en bepaalde morele beslissingen nemen.

Tijdens het voorbereidingsproces moet ons steeds meer helder worden wat wij met deze concrete preek bij deze hoorders in hun context hopen te bereiken. Want dat leidt tot en vraagt om een bepaald type preek: kerygma, homilie, marturia of paraklese. Waarop gaan wij inzoomen?

We kijken nu eerst vanuit het perspectief van de hoorder in diens culturele context naar deze vraag. Twee dingen zijn daartoe bij de voorbereiding van belang. Ten eerste dat we onze hoorders goed kennen, met hun verwachtingen, vragen, verlangens, et cetera. We moeten de waarden van onze hoorders op waarde weten te schatten, hun geloofstaal weten te interpreteren. Dat was al aan de orde in hoofdstuk II.A. Het tweede volgt hieronder.

Wanneer hoorders luisteren naar een preek

Wij moeten inzicht hebben in wat er nu gebeurt aan/in hoorders wanneer zij een toespraak – in dit geval een preek – horen. Wat gebeurt er bij of aan of in de hoorders wanneer zij naar een preek luisteren tijdens een kerkdienst? Dat is een complexe vraag.

Godsdienst-psychologisch benaderd is de vraag: wat is de eigen aard van religieuze ervaringen, en waardoor worden die opgewekt? En: wat is gezonde religieuze ervaring en wat ziek(-makende)?

Door William James en diens Varieties of religious experience (1902) zijn deze vragen briljant aan de orde gesteld. Zie William James: Vormen van religieuze ervaring. Een onderzoek naar het wezen van de mens, 4e druk, Amsterdam: Abraxis, 2003.

Gezien vanuit de vergelijkende godsdienstwetenschappen gaat deze vraag over het onderscheid tussen ervaringen van God in het christendom en in andere religies, bij gebed, extase, expressies van klacht, vreugde en dank. Kun je vergelijkend op het spoor komen van het eigene van religieuze ervaringen in het christendom?

Daarnaast heeft de vraag ook cultureel-antropologische, sociologische, psychologische en zelfs neurofysiologische aspecten. En dan is er altijd weer de intrigerende vraag waarom de een wel geraakt wordt en de ander niet. In hoeverre mensen godsdienstige ervaringen opdoen, en welke, wordt door zoveel verschillende factoren bepaald. We volstaan er in dit verband mee er een paar te noemen. Is het vigerende wereldbeeld ‘open’ of ‘gesloten’ voor het transcendente? Is de levensbeschouwelijke sfeer waarin mensen verkeren ‘monistisch’, ‘holistisch’ of meer ‘dualistisch’? In hoeverre zijn onze hoorders godsdienstig gesocialiseerd? Zijn zij gesocialiseerd met of zonder verhalen en rituelen? Ten slotte is er nog zoiets ongrijpbaars als iemands unieke constitutie: in hoeverre is iemand ontvankelijk of gereserveerd, heeft iemand wel of niet een religieus gen? Dat zijn allemaal bepalende factoren bij het opdoen van godsdienstige ervaringen, om ze te kunnen herkennen en verwoorden.

De vraag van deze subparagraaf is dus heel breed, en raakt aan vele sociaalwetenschappelijke (sub)disciplines. Voor het doel van dit boek beperken wij ons in dit hoofdstuk tot de hoorders in theologisch perspectief. We doen dat in het besef dat al die andere factoren evenzovele andere perspectieven zijn van waaruit we kunnen kijken en duiden.

Bijvoorbeeld Andrew Dawson, Sociology of Religion. London: SCM Press, 2011; R. Hood, P. Hill en B. Spilka,The Psychology of Religion. An Empirical Approach. New York-London, Guilford Press 2009.

Evident is dat gelovigen in de samenkomst van de gemeente, in de liturgie en in de preek God, Gods Geest en Christus ervaren. Liturgie en preek zijn daarvoor geen garantie, maar ‘het heilige’ gebeurt: hoorders ervaren troost, kracht, hoop en komen tot overgave, tot inkeer en ervaren ruimte, vergeving en nieuw perspectief. Zij uiten dat alles verbaal en non-verbaal. Zij ervaren rituelen, symbolen en sacramenten daartoe als zinvolle en betekenisvolle handelingen, die hen goed doen. Wat maakt nu dat dat zo is?

Systematisch-theologisch is dat binnen het spectrum van de pneumatologie een vraag over het werk van de Heilige Geest. Dan gaat het over de realisering van het heil in de gelovige, in de gemeente, over sporen van God in de geschiedenis en in de schepping. Wat levert het ons op wanneer we er praktisch-theologisch en met behulp van inzichten uit de sociale wetenschappen naar kijken? Hoe brengen hoorders ordening aan in het luisteren naar de preek? Wat gebeurt er al luisterend bij en in hen?

Praktisch-theologisch perspectief

Wat gebeurt er godsdienstig als kerkgangers naar een preek luisteren? Uit onderzoek naar wat hoorders aangeven over wat zij horen, waarom zij zo horen als zij aangeven te horen, dat zij iets van Godswege horen, wat het gehoorde met hen doet, en wat zij met het gehoorde doen, trekken wij een aantal conclusies, die veel gelovige kerkgangers zullen herkennen.

We baseren ons hiertoe op het onderzoek van T.T.J. Pleizier, Religious Involvement in Hearing Sermons. A Grounded Theory study in empirical theology and homiletics. Delft: Eburon Academic Publishers, 2010. Zie voor een uitvoerige referentie van het onderzoek van Pleizier ook H. de Leede, ‘De preek als huis om in te wonen. Over de dissertatie van dr. T.T.J. Pleizier’, in: Kontekstueel, 25e jaargang (2010) nr. 1, 22-26.

Deze vraag te stellen en te verkennen is in het belang van de hoorders.

Een huis voor de ziel in een seculiere wereld

De preek in de kerkdienst is voor de gelovige hoorder als een huis voor de ziel in een seculiere wereld waarin verder weinig van God gesproken wordt. Een goede preek is als een ruimte waarin de hoorder binnentreedt. Hij wordt erin getrokken. Als in een andere wereld, om daarin te verwijlen. Dit verouderde werkwoord dekt de lading waar het hier om gaat.

‘Dwelling in the sermon’. Vgl. Pleizier, Religious Involvement, 233vv.

Daarvoor gaan gelovige hoorders naar de kerk. Die gelovigen kunnen zoekers zijn, vertwijfelde of juist overtuigde gelovigen, maar wat hen verbindt, is een gelovig kader. Zij komen in de kerk om te verwijlen in die andere wereld, om die te proeven, in de hoop anders uit de kerk te komen dan zij erin kwamen. Hoorders gaan naar de kerk om hun geloof te actualiseren (actualising faith).

Het geloof actualiseren

De gelovig betrokken hoorder is na het horen van een preek beter in staat zijn geloof te actualiseren in het hier en nu van deze geseculariseerde wereld. Althans – dat hoopt de hoorder. In de ontmoeting van God en mens in de preek, binnen het geheel van de kerkdienst, ontvangt de gelovige hoorder enerzijds zicht op hoop, en kracht voor het hier-en-nu. Die twee vormen de affirmatieve – bevestigende, troostende – kant van een actualiserend geloof.

Anderzijds krijgt hij nieuw zicht op het leven in het hier en nu en committeert zich daaraan. En hij krijgt zicht op Gods Rijk en bekeert zich daartoe. Met deze twee hebben we het over de kritische – vermanende, confronterende – kant van een zich actualiserend geloof. Die beide kanten, de affirmatieve en de kritische, hebben te maken met de dubbele gerichtheid van het geloof – en van de gelovige hoorder – op het eschaton en op het hier-en-nu.

Pleizier, Religious Involvement, hoofdstuk 10.

Wil het tot deze actualisering van het geloof in het hier en nu komen, dan veronderstelt dat bij de hoorders drie dingen. Die vormen als het ware de opmaat voor een vruchtbaar horen, c.q. verwijlen of verblijven in de preek: ontvankelijkheid om te horen, aandacht en concentratie, ervaring van relevantie.

Ontvankelijkheid om te horen

In de eerste plaats vraagt het ontvankelijkheid om te horen (opening-up to listen). De hoorder begint niet blanco. Zij hoort bij de gemeente, die samen opgaat. Het kan zijn dat er in eigen leven nood is aan het evangelie.

Mooie Vlaamse uitdrukking. Miskotte constateert al in 1941 dat velen wel naar de kerk gaan, maar niet meer ‘opgaan naar Gods huis’. Dat wil zeggen: zij gaan niet meer met verwachting, verlangen. Hij (voor)zag daarin de zich in de harten van de hoorders voltrekkende secularisatie. Zie ook noot 4.

Het kan ook betrokkenheid zijn op de nood of het verlangen van anderen in de gemeente of engagement met de lijdenden in de oecumene, de kerk wereldwijd. Waar het om gaat is een gedeelde intentionaliteit, namelijk dat het komt tot een ontmoeting met God op dit scherp van de snede. De liturgie is er dan, als de vaste orde, die ons toe-leidt naar zo’n gezamenlijk gelovig horen. Juist het gegeven dat de hoorder weet wat er komt en wanneer, helpt om tot die intentionaliteit te komen.

Het onderzoek van Pleizier laat duidelijk zien hoezeer de preek functioneert in het geheel van een godsdienstige wereld: de liturgie (liturgical receptivity), de gemeenschap met zijn traditie (communal receptivity) en de context en levensgeschiedenis van de hoorder (situated receptivity). Zo is de hoorder deel van en treedt telkens weer binnen in de wereld van God en het Woord van God. Daarvoor opent hij/zij zich. Hij doet een gebed, en gaat er voor zitten. ‘Hier komt ‘ie voor: de preek!’ Hij is per slot van rekening protestant.

Dit betrokken en ontvankelijk horen is essentieel. Het gaat erom dat de hoorders in de kerkdienst gaan verblijven in de preek (dwelling in the sermon). Dit ruimtelijke beeld kwamen we al eerder tegen. De preek als een ruimte waarin de hoorder verblijft, verwijlt, en waarin van alles gebeurt, gebeuren kan en ervaren wordt. Je kunt er genieten van de ontmoeting met God, van de ervaring van thuiskomen. Je kunt genieten van wat anderen met wie je je verbonden weet, eraan kunnen hebben.

Het luisteren naar de preek – in het geheel van de liturgie – is daarmee ook een esthetische aangelegenheid. Het is genieten, met het woord van Augustinus: frui. Genieten in een meditatieve ruimte. In en tijdens het horen gebeurt het. Essentieel bij het horen is de affectieve opwinding, de ervaring van ontroering, geraaktheid. ‘Horen is liturgie,’ schrijft Pleizier. Hij spreekt in dat verband over het sacramentele van het horen van de preek.

Pleizier, Religious Involvement, 196. Pleizier constateert dit voorzichtig, met een vraagteken. Inmiddels is de discussie over de relatie tussen Woord/prediking en sacrament/viering van de eucharistie op protestants erf verder gegaan en geïntensiveerd. Vgl. met name A. van de Beek, Lichaam en Geest van Christus. De theologie van de kerk en van de Heilige Geest. Zoetermeer: Boekencentrum, 2012. Van de Beek benadrukt dat de kerk als eucharistische eenheid de hoofdlijn in de vroege kerk is – en in essentie ook in de Reformatie. Hij laat tegelijk het onvoorstelbare zien: dat die eenheid met name in de Reformatie op allerlei manieren is losgelaten. Maar in de kern leert ook de Reformatie dat Woordbediening sacramenteel is. ‘De bediening van het Woord is voorbehouden aan de geordineerde ambtsdrager. Het heeft een sacramenteel karakter, waarbij niet min of meer vrijblijvend iets aan mensen wordt gezegd, maar waarin het Woord op mensen wordt gelegd en zij door het Woord worden vrijgesproken of geoordeeld, net zoals deelname aan het sacrament tot leven of tot een oordeel kan zijn.’ (204) Zie ook H. de Leede, ‘And they recognized Him in the breaking of the Bread. Van de Beek’s contribution to the necessary rethinking on the Protestant Eucharist Practice’, in: E. van der Borght and P. van Geest (eds.), Strangers and Pilgrims on Earth. Essays in Honour of Abraham van de Beek. X(=Studies in Reformed Theology 22). Leiden: Brill, 2011, 651-668.

Het heeft een hoge graad van communaal, ritueel gehalte. Je verwijlt als hoorder in de meditatieve ruimte van de preek, de liturgie, de kerk der eeuwen, in die lokale gemeente aanwezig. Dat is genieten, ook genieten van God!

De kerkdienst – liturgie en preek samen – is ook de ruimte waar de dingen op hun plek kunnen vallen, in de ontmoeting rond de Schriften. Het gaat ergens over. Het is genieten én het is gebruiken, frui én uti. ‘Het was een mooie dienst’ en ‘je kunt er wat mee’, zeggen hoorders dan. Dat laatste ook. Mensen luisteren ook functioneel, gericht op eigen context en levenssituatie. Wat ze ermee kunnen bepalen ze zelf. Tijdens de preek voeren de hoorders een intern gesprek, tussen wat ze horen en hun levensvragen. Als er geen direct eigen belang (nood of vragen) is, luisteren ze wellicht voor een ander in de gemeente.

Het horen ‘met de oren van een ander’ kan op deze wijze een factor van gemeenschapsopbouw zijn, waarbij de hoorders zich ook oefenen in het perspectief van de ander.

Aandacht en concentratie

Een volgend aspect van verblijven is aandacht. Dat is meer dan begrijpen. Het is waarnemen, met aandacht iets opmerken (perceiving the sermon). Je neemt iets waar wat buiten je ligt, wat niet direct toegankelijk is, wat zich voor je opent en aan je openbaart. Dat gebeurt bij gelovig luisteren naar de preek. De hoorder neemt verschillende godsdienstige werkelijkheden waar wanneer de prediker de Schrift uitlegt, het evangelie verkondigt of aan levensvragen raakt.

Verblijven in de preek is dat de hoorder op het moment dat de preek hem/haar in al die drie gebieden binnenleidt, daar met aandacht gaat waarnemen. De Schriften gaan open, de uitleg pakt haar (textual attentiveness in de textual area). Christus wordt ervaren als tegenwoordig in ons midden (kerugmatic attentiveness in de kerugmatic area). Dat gebeurt wanneer tekst, evangelie en dagelijks leven op elkaar betrokken raken (life-world attentiveness in de world-life-area).

Vgl. Grözinger met zijn ‘drie werelden’ van tekst, hoorders en prediker.

Aandacht is die specifieke, heilige concentratie op momenten dat het totaal stil wordt, en dat ‘je als gemeente samen iets ervaart. Iets van God, ja. Ik geloof dat.’ Zo verwoordt een van de geïnterviewde hoorders bij Pleizier dat moment.

Pleizier, Religious Involvement, 194.

Dan is er geen besef van tijd. De ervaren tijdsduur van een preek is relatief, zo weet ieder die geregeld naar de kerk gaat. Dat heeft hiermee te maken. De preek nodigt uit tot perception as attentive involvement.

Ervaring van relevantie

Wil het zover komen, dan moet de hoorder wel de ervaring hebben dat het in de preek over hem gaat. Dat is een derde aspect van verblijven in de preek, zo analyseert Pleizier wat hoorders aangeven.

Pleizier, Religious Involvement, 233 vv: ‘Identifying with the sermon’. Hoorders moeten zich kunnen identificeren, existentieel geïnvolveerd raken. ‘It’s about me. I recognize something from my own life; the sermon connects to what is important to me; I was able to connect my own life with the sermon.’ (235) Dat heeft ook veel te maken met de ervaring dat de prediker zich ook uitstrekt naar het leven en de vragen van de hoorder. Die ‘voelt dat’.

Hoorders moeten zich in de preek kunnen vinden, en zich kunnen identificeren. Dan mag de preek ook confronterend zijn. Identificatie heeft met heel veel aspecten van herkenning te maken. Is waar het over gaat relevant voor de aanwezige hoorders? Wordt hun taalveld gebruikt? Is er een goede verhouding tussen vertrouwd en nieuw? Raakt de preek alle drie de velden: tekstuitleg, Christusverkondiging en verbinding met levensvragen?

Heel belangrijk voor gelovig betrokken horen is, zo blijkt uit het onderzoek, dat de hoorder zich kan identificeren met de prediker, als mede-gelovige én als zorgvuldig pastor. Dan helpt het wanneer de prediker ook ‘ik’ zegt in de preek, en dan vooral hoe hij/zij dat doet.

Zie hierover nader hoofdstuk IV Verwoorden, en hoofdstuk V Uitspreken.

Tenslotte heeft identificatie ook veel te maken met de gemeente, met het gevoel ‘hier hoor ik bij’.

Blijven wonen in het W/woord

Tot slot is belangrijk voor verblijven in de preek en met verwachting naar de kerkdienst komen, dat de hoorder door de preek meer vertrouwen krijgt, meer zicht op het Koninkrijk van God, op de genade van Christus, meer inzicht in het leven als christen en dat kan ook betekenen dat er juist meer vragen komen. Dit samen is het geloof actualiseren. Actualiseren betekent in dit verband: het geloof nieuw en opnieuw verstaan en zich toe-eigenen. Nieuwe dingen toe-eigenen, en dingen opnieuw een plaats geven. Dat is een doorgaand proces. De gelovig betrokken hoorder blijft ermee bezig. Het gaat om vernieuwing, opnieuw te binnen brengen en oude dingen opnieuw ervaren, zowel als persoon als in het collectief van de samengekomen gemeente.

Dit noemt Pleizier het ‘anamnetic sequence’. Pleizier, Religious Involvement, 257vv.

Belang voor de preek

Deze inzichten zijn van groot belang voor ons nadenken over wat wij met onze preken beogen, en ze maken duidelijk wat preken kunnen bewerken. Waarop focussen wij zodat er iets gebeurt bij en in de hoorders van de preek? Wij beogen dat de hoorder ontroerd, geraakt, vermaand, geschokt, uit zijn of haar evenwicht gebracht, of vertroost wordt. Gebeurt dat niet en blijft de preek zonder affectief effect in de ervaring, dan mist de preek zijn doel. Maar wil dát gebeuren wat de prediker vanuit de focus – inhoud en verhaallijn – of het plot of de scopus

Zie III.B.

beoogt, dan gaat het erom woorden, beelden, taal te vinden die de hoorders in die beoogde ruimte binnenleidt, waar zij hun geloof kunnen beleven, vernieuwen, actualiseren. Zodat de hoorder er in het eigen leven wat mee kan. Dat gebeurt alleen als de hoorder ervaart wat er op het spel staat, wat de preek vanuit deze tekst met en van hem of haar wil. De prediker moet daarom de vaardigheid ontwikkelen om adequate taal te vinden, in het belang van de hoorder.

Kortom, bij elke preekvoorbereiding is bij de ordening een cruciale vraag: hoe gaat de preek werken bij de hoorders, welke gedachtegangen worden er verondersteld en wat wordt het preekdoel bij deze concrete preek met deze verhaallijn of dit plot, met deze focus? Of nog specifieker gevraagd: hoe kunnen hoorders binnenkomen, waar verwijlen ze, wat zou voor hen de actualiserende waarde kunnen zijn?

Om hier als prediker op te kunnen anticiperen, is het van belang om in de fase van ordening te bepalen welke focus de tekst van de preek zal krijgen en welke functie of uitwerking van de preek beoogd wordt. Daartoe zoomen we in en stellen we de lenzen scherp. Op zoek naar de claim van de tekst.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken