IJdelheid
Geloofstaal & cultuurtaal
‘Wie altijd in de spiegel ziet en zich met schoonheid vlijt, die kent de ware schoonheid niet, maar jaagt naar ijdelheid.’ Dit aloude gezegde tekent nog steeds de meest gangbare betekenis van ijdelheid: een hoge dunk hebben van zichzelf, met zichzelf ingenomen zijn (ijdeltuit). Deze ijdelheid gaat vaak samen met een hunkering naar bewondering. Wanneer iemand een ‘ijdele poging’ onderneemt, lukt het hem niet een voorgenomen doel te bereiken. IJdel heeft dan de betekenis van vergeefs. Het ‘ijdelheid der ijdelheden’ uit het boekje Prediker is spreekwoordelijk geworden onder gelovigen. Meestal ter aanduiding van zaken of dingen die veel aandacht opeisen, maar in feite nietig zijn. In het derde gebod klinkt de oproep Gods naam niet ijdel te gebruiken, dit in de betekenis van ‘lichtvaardig’ of ‘nutteloos’.
Woorden
De woorden voor ‘ijdelheid’ in het Hebreeuws zijn sjaw (‘nietig’) en hevel (‘ademtocht’), dat ook vaak weergegeven wordt met ‘nietig’, ‘vergankelijk’ of ‘vruchteloos’. De eerste mens die stierf, droeg de naam Abel (= hevel). Het merendeel van de vindplaatsen wordt aangetroffen in Prediker, naast reoet roeach (najagen van wind). In het Grieks zijn de woorden voor ijdel mataiotès, ‘vruchteloos’ of ‘leeg’, en kenos, ‘leeg’, ‘tevergeefs’.
Betekenis in context
Oude Testament
Voorbijgaand
Wat stelt een mensenleven nu eigenlijk voor tegenover de eeuwige God? Enkel ijdelheid: weinig of niets. De dichter van Psalm 39 doet deze verzuchting in een klacht om de moeite van het leven te begrijpen. Hij vraagt God hem ervan te doordringen hoe nietig hij is, onontkoombaar vluchtig. Het leven is als een ademtocht, als een briesje wind dat aan je voorbijtrekt (Ps. 39:6) en als een schaduw die voorbijgaat (Ps. 39:7; vgl. Ps. 144:4). Het is voorbij voordatje het goed en wel beseft. Zijn nietigheid moet de dichter ervan weerhouden om Gods doen en laten te bekritiseren; hij is zich ervan bewust dat de ijdelheid van eenmens, in de zin van broze vergankelijkheid, ook samenhangt met zijn ongerechtigheid (Ps. 39:12). Met deze klacht wil hij zijn hoop vestigen op God en diens compassie wakker roepen.
Vanwege het vluchtige karakter van een mensenleven heeft het geen enkele zin om op geld of goed te vertrouwen. Vroeg of laat ontvallen een mens zijn bezittingen (Ps. 62:11). Of mensen nu arm zijn of rijk, als God ze gaat wegen, zijn ze lichter dan een ademtocht (Ps. 62:10).
Bedrieglijk
De profeet Jeremia verbaast zich erover hoe het volk Israël de omgang met hun God heeft ingeruild voor andere goden. Hij noemt die goden ‘ijdel’ in vergelijking met de levende God (Jer. 2:5). Niemand kan Hem betichten van onrecht, met Hem kom je nooit bedrogen uit. Andere goden daarentegen zijn ijdel, in de betekenis van ‘bedrieglijk’, dus nep. In de verbeelding kunnen die goden heel wat lijken, door de levendige voorstelling (vgl. Jer. 10:1-15), maar dat blijkt een illusie, want in werkelijkheid stellen ze niets voor. Ze brengen een mens geen enkel voordeel. Nietsnutten zijn het, zonder inhoud, voos, leeg en hol. Wie achter deze goden aanloopt, bedriegt zichzelf. Hem is uiteindelijk hetzelfde lot beschoren; zijn leven loopt op niets uit (Jer.2:5).
Doelloos
De naam van God is van grote waarde. Zijn Naam kan duiden op zijn eigennaam (Jhwh) of op zijn reputatie. Misbruik van die Naam neemt Hij hoog op en laat Hij niet ongestraft (Ex. 20:7). IJdel gebruik betekent dat zijn Naam in de mond genomen wordt voor een nietig doel, of domweg en lukraak. God tilt zwaar aan lichtvaardig gebruik van zijn Naam, omdat het Hem Zelf raakt. Dit misbruik komt ook uit in vloeken, bespotten en lasteren van zijn naam. Het betreft evenzeer meineed, als Gods Naam verbonden wordt met leugens. Gods Naam kan ook aangetast worden als die betrokken wordt in gebeurtenissen en zaken waar Hij nooit achter kan staan. Nazi’s voerden de grootste misdaden uit, terwijl zij soldatenriemen droegen met de tekst ‘God met ons’.
Teleurstellend
‘Alles is ijdelheid, toppunt van ijdelheid’ (NBV: lucht en leegte), zegt de Prediker (Pred. 1:2). Er is veel verschil van mening over de betekenis van deze uitspraak. Sommigen benadrukken dat Prediker hiermee wil beweren dat het leven zinloos is, leeg en absurd. Anderen stellen dat vooral het vluchtige karakter van het leven is omschreven, omdat hij bij herhaling oproept van het leven te genieten. Gods werk wordt nooit op die manier aangeduid. Over het algemeen is men het erover eens dat in deze uitspraak teleurstelling doorklinkt over de gebrokenheid van het leven. Het leven gaat ook vaak anders dan men had verwacht. Mogelijk heeft Prediker een toespeling gemaakt op de naam van Abel (= hevel), de eerste mens die stierf en daardoor niet aan zijn doel kon beantwoorden.
Tevergeefs
Het is aan God te danken wanneer een mens kan genieten van de inspanningen die hij heeft geleverd (Pred. 5:18). Maar het roept veel vragen op, als God iemand die een vermogen heeft opgebouwd, niet in staat stelt ervan te genieten en als er dan ook nog eens een vreemde van de resultaten profiteert. IJdelheid geeft dan een bron van frustratie weer en komt voor naast bitter lijden (Pred. 6:2). Wat heeft een mens uiteindelijk zwoegend tot stand gebracht? Wat levert het goedbeschouwd op? Het is ijdelheid en najagen vanwind (Pred. 2:17). De moeite is hier, dat een mens het resultaat van zijn bezigheden vroeg of laat moet achterlaten aan iemand van wie hij niet weet of die er wijs of dwaas mee omspringt. Iemand kan er misbruik van maken of ermee aan de haal gaan, terwijl hij of zij er zelf niets voor heeft gedaan. IJdelheid krijgt hier de betekenis van ‘tevergeefs’, ‘ineffectief’, even doelloos als achter de wind aanjagen. Ongrijpbaar ook; niemand heeft het effect van zijn bezigheden in de hand. Wie zal de vruchten plukken van wat een mens moeitevol tot stand heeft gebracht (Pred.2:17-19)?
Absurd
Het is niet eerlijk! Een slecht mens, die als een schurk heeft geleefd, krijgt een eervolle begrafenis, terwijl een rechtvaardige in stilte buiten de stad wordt begraven. Ook deze situatie kenmerkt Prediker als ‘ijdel’ (8:10). Een rechtvaardige die rekent met God, krijgt onrecht te verduren en iemand die zich aan God noch gebod stoort, wordt geen strobreed in de weg gelegd (Pred. 8:14; vgl. 7:15). Is dit niet de omgekeerde wereld? De teleurstelling komt hier tot uiting in onbegrip, waarbij ijdelheid meer de betekenis krijgt van absurd of bizar.
Nieuwe Testament
Bedrieglijk
Paulus en Barnabas worden aangezien voor goden in mensengedaante als zij in de naam van God een verlamde genezen (Hand. 14:818). Maar zij wijzen nadrukkelijk van zichzelf af naar de levende God, die wonderen doet. Zij roepen de omstanders op zich af te keren van hun aloude goden en zich om te keren tot de enige echte God. Ze stellen Hem voor als de Schepper die de wereld heeft gemaakt en nog steeds in onderhoud heeft. Daarbij dringen ze erop aan zich af te keren van de ijdele godsdienstige activiteit, want die kent weliswaar veel bedrijvigheid en suggereert veel, maar stelt in werkelijkheid niets voor. De heidense goden zijn niet meer dan schijn.
Teleurstellend
De alomvattende uitspraak van Prediker ‘alles is ijdelheid’ keert terug bij Paulus als hij stelt dat heel de schepping, mens en dier, flora en fauna, onderworpen is aan de vruchteloosheid (Rom. 8:20). Mensen beantwoorden niet meer aan hun doel, omdat zij als onafhankelijke schepselen de band met God hebben verbroken. En daar moet heel de schepping onder lijden. Dat komt onder andere hierin uit, dat de mens zijn leefomgeving misbruikt voor zichzelf. Dit is ronduit teleurstellend. God zelf heeft dat juk van niet-tot-zijn-doel-komen opgelegd, maar zal zijn schepping daar eens van bevrijden (Rom. 8:21).
Tevergeefs
Door de opstanding van Jezus Christus uit de doden is in principe de vergankelijkheid overwonnen. Menselijke inspanningen krijgen met Hem uiteindelijk effect over de grenzen van de dood heen. ‘Uw arbeid is niet vergeefs in de Here’, zegt Paulus (1 Kor. 15:58). Als hij erop aandringt overvloedig te zijn in het werk van de Here, doelt hij niet slechts op speciale geestelijke bezigheden, maar op al het werk waartoe God een mens roept. Dat werk van de Here begint wanneer iemand iets van Hem laat zien. Dit geldt niet alleen voor de werksituatie, maar evengoed voor heel de eigen leefwereld. De geloofsrelatie met Christus beïnvloedt menselijk werk en geeft dat zelfs eeuwigheidswaarde. Het goede is niet tevergeefs gedaan en niet onopgemerkt gebleven. Gelukkig zijn zij, die in relatie met Christus sterven. Ze mogen rusten van hun moeiten en hun werken volgen hen na (Op. 14:13).
Leeg en van God los
Een bestaan zonder God is leeg. Leven met Christus is zinvol. Paulus plaatst twee levensinstellingen tegenover elkaar (Ef. 4:17-24). IJdelheid van denken getuigt van een leeg en hol leven, waarbij het draait om het eigen ik, en om bevrediging van eigen begeerten en verlangens. Hij omschrijft dit nader als: verduisterd in het verstand, geen oog hebben voor Gods aanwezigheid. Vervreemd van een leven met God, ontwend aan wat God vraagt en geeft. Maar ook onwetend leven, geen besef hebben van wie God is. En ten slotte: verhard in het hart, afgestompt leven, ongevoelig voor wat God goed en kwaad vindt. Iemand met zo’n instelling heeft geen band met God, hij is losbandig of bandeloos. Daartegenover staat dat een leven met Christus voldoening geeft. Een mens komt pas goed tot zijn recht in verbinding met Hem. Hij brengt een mensenleven weer tot zijn doel.
Kern
IJdelheid kan heel het bestaan typeren en een levensgevoel omschrijven. Het leven is vluchtig, onbestendig en van tijd tot tijd onbegrijpelijk teleurstellend. Het menselijk bestaan is als een ademtocht: nietig en voorbij voordat je het weet. ‘IJdel’ kan ook aangeven dat iets niet tot zijn doel komt en duidelijk niet aan de verwachtingen beantwoordt. Wat mensen tot stand brengen, is niet blijvend. Geen mens ontkomt aan de dood, die een mens alles uit handen neemt. Een ander kan vervolgens -frustrerend genoeg – met moeizaam verkregen resultaten aan de haal gaan. IJdelheid wordt alleen gebruikt ter aanduiding van het menselijk bestaan, menselijke ervaring en menselijke bezigheden en realiteiten. Gods werk wordt niet als ijdel gekenmerkt, omdat Hij altijd en eeuwig zichzelf is, en een mens met Hem nooit bedrogen uitkomt. In vergelijking met de levende God stellen alle andere goden teleur en vormen een illusie, omdat ze leeg zijn en geen inhoud hebben. Een leven-van-God-los kan worden getypeerd als ijdel, omdat het geen voldoening geeft en uiteindelijk op niets uitloopt. Vertrouwen op God zal echter nooit leiden tot ijdele hoop. De opstanding van Jezus Christus uit de dood bewerkt dat geen menselijke inspanning tevergeefs is. Wat een mens tot stand brengt, is van blijvende waarde als dat gedragen wordt door een levende relatie met Hem.
Verwijzing
Zie voor verwante en/of aanvullend te bestuderen woorden: afgod, naam, opstanding, schepping.