‘Ik probeer te geloven’
Millennials en inwijding
Een themanummer over inwijding kan niet om de 20-ers en 30-ers heen: zij vormen een heel eigen doelgroep. Maar hoe betrek je hen bij geloof en kerk? Hun leven is al zo vol. Tegelijk leven er veel vragen en is er een sterk verlangen naar diepgang.
Rooney
De Ierse schrijfster Sally Rooney weet met haar romans millennials aan het lezen te krijgen. Ze snijdt allerlei actuele thema’s aan, die spelen in het leven van een 20-er en 30-er. Zelf behoort ze ook tot die leeftijdscategorie. Ze wordt geroemd om de dialogen die in haar boeken voorkomen; de karakters zijn meer dan romanpersonages, het zijn mensen van vlees en bloed. Uitvoerig beschrijft ze de gesprekken die de hoofdpersonen hebben over allerlei thema’s: politiek, klimaat, literatuur, godsdienst.
Zo ook in haar laatste roman Intermezzo. Daarin staat het leven van twee broers centraal, Peter en Ivan. Niet lang geleden is hun vader overleden. Beiden rouwen op hun eigen manier.
Peter, advocaat, ogenschijnlijk goed terecht gekomen, worstelt met een innerlijke onrust. (Deze wordt in de roman treffend verbeeld door het ontbreken van interpuncties; de zinnen zijn fragmentarisch, woorden volgen elkaar in staccato op. Je voelt daardoor de emotionele chaos waarin hij zich bevindt.) Hij heeft een ingewikkelde liefdesrelatie met twee vrouwen: zijn (ex-)vriendin Sylvia, die na een auto-ongeluk met chronische pijn leeft en de jonge studente Naomi, die hij regelmatig geld toeschuift. Vaak moet hij zichzelf oppeppen om zijn beroep te kunnen uitoefenen.
Ivan is de jongere broer. Net zijn studie theoretische natuurkunde afgerond, probeert hij in zijn levensonderhoud te voorzien als freelance data-analist. Maar hij is vooral een gewezen schaaktalent. Tijdens een simultaantoernooi ontmoet hij de oudere Margaret, met wie hij een relatie krijgt.
Er is een verlangen naar vergeving, en vergeven worden, je met elkaar verzoenen
Hunkeren
Eenzaamheid, prestatiedruk, seksualiteit, intimiteit en het zoeken naar verbinding – het komt allemaal langs. De zoektocht naar zichzelf, naar erkenning, naar liefde, naar bevestiging. Daartussendoor raakt Rooney aan allerlei zingevingsvragen en kom je veel onrust en eenzaamheid tegen. Daarmee geef ze een trefzekere typering van de millennials.
Ze weet hun innerlijk leven zo te verwoorden dat je een inkijkje in hun ziel krijgt. Ondanks een succesvolle carrière kan er een innerlijke leegte zijn, en de ontwrichting die daarmee samenhangt (Peter). Worstelen met je gedrag, en jezelf voortdurend afvragen of wat je doet goed is, of kwaad (Ivan). Peter, die zo nu en dan walgt van zichzelf en zijn moreel tekort beseft. Ivan, die spijt heeft van zoveel dingen, en vaak niet meer kan herstellen wat hij gezegd of gedaan heeft.
Tegelijk klinkt er een sterke hunkering in de roman. Er is het verlangen naar vergeving, naar vergeven worden; je met elkaar verzoenen. In de zoektocht naar liefde klinkt hoop op gezien worden door. Gewonde mensen die troost bij elkaar vinden. Er is hoop op herstel door, en verlangen naar toenadering.
God
Rooney schuwt het geloof niet. Aan het einde van de roman wordt het zelfs expliciet verwoord. De broers hebben elkaar weer enigszins gevonden, er komt ruimte voor een openhartig gesprek. Meer dan ooit zijn ze geïnteresseerd in hoe de ander eraan toe is. Na een korte wandeling komen ze aan bij een kerk. Ze blijven stilstaan bij het hek en er valt een stilte in hun gesprek. Dan kijkt Ivan omhoog, naar de gevel van de kerk. ‘Geloof jij in God?’, vraagt hij aan zijn broer. ‘O, ik weet het eigenlijk niet’, antwoordt Peter, ‘Laten we zeggen dat ik probeer te geloven.’ Ivan kijkt hem kalm aan. ‘Ik ook’, zegt hij, ‘Ik probeer het. Het lukt niet altijd, maar ik doe mijn best.’
De zoektocht naar God is de zoektocht naar een goed, betekenisvol leven. ‘Ik probeer het. Het lukt niet altijd, maar ik doe mijn best.’ Is het vergezocht, dat ik moest denken aan de bekende gelijkenis uit Lukas 15, over de vader van twee zonen? De zoons rouwen om de dood van hun vader. Ik hoorde daarin een verwijzing naar de dood van God. Het was de vader die de broers bij elkaar hield. Nu hij er niet meer is, lukt het hen niet om elkaar vast te houden.
Is sinds de dood van God het (samen)leven ingewikkeld geworden?
Een ruzie tijdens een etentje dreigt zelfs uit te lopen op een broedermoord. Wil Rooney hiermee suggereren dat sinds de dood van God het (samen) leven ingewikkeld geworden is, en dat de ontwrichtende consequenties ervan steeds meer zichtbaar worden?
Levensvragen
Ik heb wat langer stilgestaan bij Rooney, omdat zij treffend de leefwereld van haar generatie weergeeft. Het zoeken, en de hunkering; de eenzaamheid ondanks de vele contacten, de prestatiedruk die enorm kan zijn; het erg met zichzelf en het eigen levensproject bezig zijn.
Het betreft een generatie die is opgegroeid in een cultuur waarin je je niet snel bindt; en waar tegelijk een sterk verlangen is naar verbinding. Er is sprake is een propvol leven, gevuld met carrière, sociaal leven en (soms ook) gezin, maar waar tegelijk ook vaak leegte wordt ervaren. Het maakt het leven complex. De maakbaarheid die de samenleving lange tijd kenmerkte, is stukgeslagen op de weerbarstige werkelijkheid. En alle nadruk op meer en groei brengt je uiteindelijk ook niet verder. Juist dat maakt dat zingevingsvragen nooit ver weg zijn. ‘Als we alles alleen maar inrichten met een winstoogmerk, dan gebeuren er allerlei dingen in de economie die nergens op slaan. In dit geval heeft niemand een direct winstmotief om de kinderen les te geven, maar als niemand meer kan lezen stort de hele economie in.’ Het gaat in het leven om meer dan geld en goed. En het streven naar optimaal genot en geluk leidt niet vanzelf tot een zinvol leven. Een geslaagd leven willen hebben, maar daar niet in slagen.
In een moderne roman wordt openlijk over het zoeken naar God gesproken. De tijd dat het geloof vooral gezien werd als iets wat achterhaald is (‘intussen weten we beter’) lijkt zijn langste tijd gehad te hebben. De grachtengordel is nog wel bevangen door religiestress, maar op veel plekken is er steeds meer openheid om over God te spreken. Ik hoor het van collega’s om mijn heen in de stad, en zelf merk ik het ook.
Zoektocht
De media (ook de seculiere) berichten de laatste tijd regelmatig over ‘toetreders’: mensen die zonder kerkelijke achtergrond zijn opgegroeid, maar die zich tot het christendom bekeren. Lieke Marsman schreef het boek ‘Op een andere planeet kunnen ze me redden’, waarin ze vertelt hoe ze in haar ziekte naar God op zoek ging. De Vlaamse auteur Christophe Vekeman schreef over zijn bekering in ‘Tot God’. Er worden meer Bijbels verkocht.
Het is een opvallende trendbreuk: de afgelopen jaren ging het veel over secularisatie en kerkverlating. Dat is zeker niet voorbij. Maar tegelijk is er meer: onderzoek van de Britse Bible Society wijst op toenemend kerkbezoek en geloof onder Britse jongeren. De Franse bisschoppenconferentie bericht over de bijna 20.000 Franse dopelingen dit jaar. En ook in ons land zijn regelmatig soortgelijke geluiden te horen. Zeker onder jongeren is er meer openheid voor het geloof. Leef ik alleen voor mijzelf, of is er meer?
Uitdaging
Wat betekenen dergelijke geluiden voor de kerk? Niet dat jongeren massaal toestromen. Op veel plekken gaat de krimp van de kerk gestaag door, en zijn het vooral ouderen die de gemeente dragen.
Is de kerk een plek waar je thuis kunt komen, waar je gezien en gehoord wordt?
Toch kan wat hierboven beschreven is hopelijk helpen om een open houding te ontwikkelen voor een ontmoeting met 20-ers en 30-ers. De vraag die daarbij centraal staat, lijkt mij: Is de kerk een plek waar je thuis kunt komen, waar je gezien en gehoord wordt, waar men geïnteresseerd is in wat mij bezig houdt, zonder oordeel?
Rik Zwalua is voorganger bij LUX in Den Haag (een pioniersplek). LUX is een jonge community die zich richt op zoekers. ‘Een plek om te zijn en te worden. Met ruimte voor vragen, antwoorden of even niks’, zoals op hun website staat. Onlangs deelde hij tijdens een bijeenkomst welke beweging hij ziet in zijn context. Vanuit verschillende praktijkverhalen gaf hij een aantal overwegingen mee, die ik hierbij doorgeef.
Allereerst: wees als kerk open en uitnodigend. Zorg dat gasten bij binnenkomst altijd welkom worden geheten, zodat ze gezien zijn en ervaren: hier is aandacht voor mij. Daar begint het mee. Voor kerkleden betekent dat: neem ook eens iemand mee naar de kerk. Nodig anderen uit. Dat kan voor een dienst zijn, of een andere activiteit. Zodat nieuwkomers kunnen ervaren: hé, christenen zijn best oké, ze bekeren je niet direct en ze houden ook van lekker eten.
Vervolgens: Elk mens zoekt een verhaal om mee te leven. De huidige cultuur biedt dit steeds minder. Je moet het allemaal zelf doen. Je bent de architect van je eigen succes. Maar lukt dat? Kun je de vragen van deze tijd aan? Is er een richting die je kunt en wilt gaan? Hoe geef je daar vorm aan? Heb je anderen met wie je daarover kunt spreken? Of moet je dat allemaal in je eentje uitzoeken?
Nog niet meteen jezelf geven, maar eerst maar eens kijken of het wat voor je is..!
Proefgeloven
In contacten merkte Zwalua dat de stap naar de kerk en het geloof een grote is, die je niet zomaar zet. Willem-Jan Otten sprak over zijn ‘deinsjaren’, waarin hij ervoor terugdeinsde om ‘te krijgen wat hij het hardst nodig had’. Stephan Sanders sprak met zichzelf af om een tijdje te gaan ‘proefgeloven’. Nog niet meteen jezelf geven, maar eerst maar eens een tijdje kijken of het wat voor je is. Dat lijkt me een prima gedachte. Tegelijk zei hij erbij: durf jezelf over te geven. Dat kost tijd, geef jezelf die ruimte. Sta jezelf toe te geloven.
Als vierde element van betekenis noemde Zwalua de enorme betekenis en kracht die een gemeenschap heeft. Je aansluiten bij een kerk, al is het zoekend en aarzelend, betekent ook dat je onderdeel wordt van een groter geheel. Je hoort erbij. Dat kan zoekers over de streep trekken. Laat die gemeenschap ook open en betrokken zijn.
Als laatste benadrukte hij dat we als kerk kunnen leren van de vrijmoedigheid waarmee toetreders over het geloof spreken. Er is geen reden voor schroom of aarzeling: het geloof heeft zo’n kracht en betekenis, dat het goed is om daar open over te zijn en het met anderen te delen.
Over het laatste gesproken: nu er op allerlei plekken sprake is van toetreders vraagt dat niet alleen iets van hen, maar evengoed ook van kerkmensen. Is er iets in ons (persoonlijk en als gemeente) dat belemmeringen opwerpt voor nieuwkomers? Zijn ze welkom, zolang ze zich maar aan ons aanpassen? Of vraagt deze tijd misschien, dat wij als kerk ons aanpassen? Durven we ruimte te maken als gemeente?
Drs. Roelof de Wit is als predikant verbonden aan de Hervormde Gemeente Rotterdam-Kralingen. Hij is lid van de redactie van Ouderlingenblad.