Is het einde van de prediking nabij?
Een kritische bespreking van het proefschrift van René van der Rijst, ‘De uitzaaiing van het Woord’.
Hoe kunnen we preken, als taal niet langer verwijzend is, maar slechts een netwerk van teksten en tekens vormt, waarvan de betekenis niet vastligt maar slechts voorlopig kan worden vastgesteld in relatie tot andere teksten en symbolen? Wat betekent het voor de prediking als taal fundamenteel instabiel is? Kan er nog gepreekt worden als we in onze preken niet langer kunnen verwijzen naar God in Zijn unieke ‘zijn’, onderscheiden van de schepselmatige werkelijkheid? Als elke vorm van samenhangend spreken over God getroffen wordt door het Heideggeriaanse oordeel van ‘onto-theologie’? Waarom zouden we vasthouden aan de preek als toespraak, een vorm van dominant discours waarin één het woord voert en velen het woord daarmee wordt ontnomen?
In zijn op 14 januari 2015 verdedigde proefschrift, De uitzaaiing van het Woord, ontwikkelt René van der Rijst een ‘homiletiek in het spoor van Derrida’ tegen de achtergrond van deze vragen. Het standpunt dat prediking ‘verwijst’ brengt hij op de noemer van representativiteit. En hij zoekt een manier van preken voorbij de representativiteit. Van der Rijst is predikant van de protestantse gemeente Haarlem-Noord en Spaarndam, stuurgroeplid van Op Goed Gerucht en redactielid van Preekwijzer.nl. Zijn proefschrift is een homiletisch gesprek met de franse filosoof Jacques Derrida (1930-2004) en past binnen een wat eigensoortige benadering in de homiletiek, waarin inzichten van (veelal Franse) filosofen worden verwerkt met het oog op de prediking. Zo schreef Jan Vaessen over Ricoeur, Bert Altena over Lyotard, John McClure over Levinas en Marlene Ringgaard Lorensen over Bakhtin.
Compliment
Laat ik maar gelijk met de deur in huis vallen. Het boek viel mij niet zo mee. Niet omdat de vragen die Van der Rijst stelt niet boeiend genoeg zijn. Integendeel. Wie preekt, moet zich voortdurend bezinnen op de vraag wat taal – vooral religieuze taal – doet, hoe macht op de kansel werkt, en hoe gemakkelijk wij met onze woorden het heil proberen klein te krijgen en daarmee klein maken. Van der Rijst heeft een goed gevoel voor de vragen die er toe doen. Bovendien presenteert hij het denken van Derrida op een uiterst toegankelijk manier. Dat is een prestatie. Michael Foucault noemde, althans volgens John Searle, Derrida’s schrijfstijl ‘obscuur’, zelfs ‘terroristisch’; Richard Rorty viel Searle bij toen deze de kwaliteit van Derrida’s argumentatie kwalificeerde als ‘just awful’. Een groot compliment dus aan het adres van Van der Rijst dat hij in staat is om Derrida’s denken helder voor het voetlicht te brengen.
Relationeel
De teleurstelling die ik bij dit boek voel, heeft ook niet te maken met een belangrijke lijn in het boek, dat ons spreken over God, relationeel spreken moet zijn. Dat is juist een aangelegen punt voor Areopagus. In preken gaat het niet over definities. Die hebben ook hun plek, vooral in de systematische theologie. In preken gaat het om iets anders. Een preek speelt zich af tussen God en mens. In een preek wordt de relatie met God gezocht en benoemd. Een preek is er op gericht om de relatie met God te leggen, te bestendigen en te verdiepen. Hier kunnen we voor relatie ook het woord ‘geloof’ gebruiken. Om als prediker en hoorders gevormd te worden in het geloof, zal de taal in preken daaraan moeten meewerken. Niemand mag worden uitgesloten, ook niet door taalgebruiken en de tekstuele structuur van de preek, want het heil is voor iedereen. En de geloofsbeleving kan niet in een voorgevormd harnas gegoten worden, want de Geest gaat met ieder mens een unieke weg. Het spreken over God, de plaats van de Schrift in de preek en de manier waarop de preek als toespraak functioneert, zijn instrumenteel voor de gelovige omgang met God in het horen van zijn Woord. Zonder dat de omgang met God daartoe wordt gereduceerd. In zijn proefschrift breekt Van der Rijst een lans voor ‘relationele kennis’ van God. Kennis die ontstaat in de relatie en waarin wij ook op elkaar zijn aangewezen (p. 220). Toch komt het mij voor dat relationaliteit bij hem uiteindelijk een heel formeel begrip blijft: een ‘ontmoeting tussen de regels’ en een gebeuren ‘in een netwerk van relaties’. Wel het geloof dát gelooft, maar niet de geloofsinhoud, want ‘iedere vastlegging van een inhoud impliceert tegelijk een uitsluiting van andersdenkenden en andersgelovigen en uiteindelijk van de alteriteit zelf’ (82). De mogelijkheid van de relatie is ongeveer het meeste dat gezegd kan worden. En dat gerechtigheid de norm is. Maar dat opent onmiddellijk de vraag hoe gerechtigheid dan in verband staat met God, wereld en (mede)mens. Dat het, ondanks pogingen van de auteur om zich positief te verhouden tot een aantal hedendaagse theologen (Taylor, Marion, Vattimo, Borgman en Chauvet), niet verder komt, heeft te maken – zo vermoed ik – met het feit dat Derrida in dit boek uiteindelijk meer de held is dan een gesprekspartner die ook recht heeft op een weerwoord.
Geen weerwoord
Van der Rijst is zo onder de indruk van zijn held, dat hij zich nauwelijks afvraagt in hoeverre de filosofie van Derrida geschikt is om zonder meer toegepast te worden binnen de homiletiek. Anders gezegd: de gedachte dat er vanuit de homiletiek als reflectie op christelijke prediking ook een eigensoortig weerwoord naar Derrida kan uitgaan, blijft in het boek praktisch achterwege. Daarmee is het pleit beslecht, en kan de lezer zich slechts laten meenemen door de toepassingen die de auteur maakt vanuit de gedachtenwereld van Derrida met het oog op de preekpraktijk. Dat gaat nog een stap verder. En daar zit mijn grote probleem met dit boek: de hele (hedendaagse) homiletiek wordt binnen het nauwelijks bekritiseerde raamwerk van Derrida becommentarieerd. Of het nu de New Homiletic (hoofdstuk 4), de benadering van de preek als open kunstwerk (hoofdstuk 5), of de zogenaamde ‘postmoderne’ homiletiek (hoofdstuk 6 met namen als Meinhard, Rose-Atkinson, McClure) betreft. Alleen over Lucy Rose is de auteur ronduit positief. Rose, die eind jaren ’90 het boek “Sharing the Word” publiceerde, vat prediking op als een gesprek waarbij de monoloog is vervangen door een ronde tafel. Daar stuiten we dan ook op een grens, want in veel gemeenten zal dat niet haalbaar zijn en er zijn nu eenmaal grenzen aan de pluraliteit.
Geloofstraditie
Van Derrida neemt de auteur ook een nauwelijks gearticuleerd spreken over God over. De vraag is waarom hij dat doet. Waarom zou een theoloog zich voor het spreken over God uitleveren aan een filosoof die zelf toegeeft geen woorden te hebben over het persoonlijk geloof omdat het zo privé is dat hij het zelf niet eens kan benoemen (p. 89, noot 102). Toch is dat precies wat in preken moet gebeuren. Er moet iets benoemd worden van geloof en ongeloof, van God, mens en wereld. En van het kerugma. Bovendien staan preken daarin niet op zichzelf. Hier had een Derridiaans motief ingezet kunnen worden: een preek staat in verbinding met een rijke preek- en geloofstraditie. Allerlei teksten die in het verleden, waarin de christelijk kerk haar geloof heeft uitgedrukt en doorgeeft. Toch is het gesprek met de geloofstraditie nauwelijks aanwezig. Dat het boek een vrijzinnige theologie ademt, is eerder een aanwinst dan een probleem. Het is voor de homiletiek goed dat er ook vanuit de wat meer vrijzinnige traditie wetenschappelijke reflectie op de prediking plaatsvindt. Dat hoeft echter niet te betekenen dat elke articulatie van transcendentie of elk beroep op openbaring als ongewenste representatie terzijde wordt geschoven.
Noodzakelijke representativiteit
Kan de homiletiek zonder representativiteit? Van der Rijst zou willen van wel. Hij voert Derrida op als kroongetuige van de mogelijkheid om non-representatief te communiceren. Dat dit maar zeer ten dele haalbaar is, blijkt wel uit een felle discussie die Derrida ooit heeft gevoerd met John Searle. Derrida beklaagt zich over het feit dat Searle hem niet wil begrijpen. Kennelijk is er een werkelijkheid buiten de tekst die er toe doet. Daarmee is ook een grens aan de interpretatie gegeven, zijn eigen tekst mag geen geweld worden aangedaan (107). Hiermee ligt het probleem van representativiteit weer levensgroot op tafel. Niet alleen als het gaat om de manier waarop in preken God ter sprake wordt gebracht. Ook de rol en plaats van de bijbel als Heilige Schrift brengt representativiteit binnen. Want wat voor tekst is de Heilige Schrift eigenlijk? En wat betekent het om de Heilige Schrift geen geweld aan te doen? Dat vraagt om uitlegstrategieën die wel iets meer voorstellen dan wat De Rijst over Derrida’s uitleg van de Gen. 11 (de torenbouw) optekent: ‘Voor een historische, literaire of religieuze context heeft Derrida geen aandacht.’ (63) Hier komt nog bij dat de Schrift een bevoorrechte tekst is. Hoe je ook gecharmeerd kunt zijn van de gedachte dat het levensverhaal van mensen ook ‘heilige schrift’ is en daarom ook een ‘tekst’ is die in de prediking meespreekt – tot op zekere hoogte kan ik dat wel meemaken, toch is de Schrift een normatieve tekst. Dat is feitelijk in de liturgie het geval. De prediking vertrekt vanuit, sluit aan bij of heeft betrekking op een voorgelezen bijbelgedeelte. In de homiletiek is er hoe dan ook een bevoorrechte tekst. Een gedachte die voor Derrida zeer gewelddadig moet zijn. Dat wij de Schrift lezen is niet alleen omdat wij dat met elkaar hebben afgesproken, maar omdat het inherent is aan de christelijke geloofspraktijk en samenhangt met het geloofsverstaan. Je hoeft geen stevige opvatting over de relatie tussen Openbaring en Schrift te hebben, om toch een verband tussen die beide te leggen dat anders van aard is dan de relatie tussen Gods handelen in het leven van mensen en een willekeurig levensverhaal. Er is inmiddels genoeg literatuur (Nicholas Wolterstorff, Kevin Vanhoozer, Anthony Thiselton, Maarten Wisse) waarin Derrida in zijn betekenis voor de hermeneutiek op een genuanceerde manier in beeld komt.
Monoloog
Dat brengt mij bij een laatste punt waarin ik wil opkomen voor de preek als monoloog. Hoewel Van der Rijst de conclusie nergens trekt, volgt uit zijn betoog toch dat het einde van de preek als toespraak nabij gekomen is. Tenminste, als we de homiletiek schoeien op de leest die hij voorstelt. De spreker, die daar vanuit de kerk als instituut toe is gelegimiteerd, dat onderstreept door het dragen van een toga, en die straffeloos spreektijd krijgt in een setting waarin geen debat of weerwoord wordt georganiseerd, lijkt toch wel een schoolvoorbeeld van gewelddadige communicatie zijn. Andere stemmen worden uitgesloten als er geen wederkerigheid is. In dit licht is het interessant wat John Durham Peeters hierover opmerkt: ‘One-way communication is not necessarily bad. Reciprocity can be violent as well as fair. War and vengeance obey a logic of strict reciprocity as much as do conversation and trade. … If nothing but reciprocity governed social relations, life would be a monotonous round of quid pro quo’ (Speaking into the Air, p. 56). Juist als monoloog kan de preek een woord van vrijspraak zijn. De vergeving wordt aangezegd, de verzoening wordt betuigd en het heil wordt – inderdaad – gerepresenteerd. Horen is aanvaarden. Het in ontvangst nemen van een geschenk. Want vrijspraak kan slechts ontvangen worden, en vrijspraak laat zich alleen maar uitzeggen.
De handelseditie van het proefschrift is verschenen bij Boekencentrum, Zoetermeer 2015.