Jezus de hoeksteen van Gods Koninkrijk
Bij Psalm 118,13-23 en Matteüs 21,33-46
Matteüs wil zijn lezers duidelijk maken wie Jezus voor zijn gemeenschap is. Ondanks de dood aan het kruis herkennen Jezus’ volgelingen in Hem een vervulling van Gods belofte van bevrijding. Doorheen het evangelie worden lezers uitgedaagd om zelf, net als de personages in het verhaal, positie te bepalen. Is Hij de Messias, in wie Gods bevrijdend handelen zichtbaar is, en het Rijk Gods nabij komt? Zo ja, wat als Hij niet als zodanig erkend, en zelfs gedood, wordt?
Doorheen het evangelie geeft de auteur diverse malen aan hoe de tegenstand tegen Jezus vanuit de leiders van het volk groeit. Ook in Matteüs 21 is dit het geval. De leiders reageren verontwaardigd op het geroep ‘Hosanna voor de Zoon van David’ (21,15), vragen Jezus op basis van welke bevoegdheid Hij spreekt en handelt (21,23), willen Hem gevangennemen maar durven niet omdat het volk in Hem een profeet ziet (21,46; vgl. Mat. 14,5).
Jezus als profeet erkennen
Het boek Deuteronomium laat Mozes de criteria verwoorden om te bepalen of iemand echt een profeet is (Deut. 18,18-22). Als de profetie uitkomt is ze waar, anders niet. De auteur van het Matteüsevangelie was zich erg bewust van deze joodse visie op de profeten. Telkens opnieuw worden gebeurtenissen rond Jezus en zijn volgelingen geduid als een vervulling van profetische beloften uit het verleden. Dit verleent ook het optreden van Jezus gezag en betrouwbaarheid. Cruciaal hierbij is of Jezus namens God handelt en spreekt, met andere woorden: of Hij zelf ook een profeet is. In de menigte rond Jezus erkennen velen Jezus als zodanig (Mat. 21,11.46). Erken je iemand als een profeet, dan krijgen diens woorden ook gezag. Juist daar wringt het schoentje: de leiders van het volk willen dit gezag en Jezus’ optreden niet erkennen. Bijgevolg stellen ze ook de bevoegdheid van Jezus in vraag (Mat. 21,23-27). Matteüs zal hun reactie tegenover Jezus later situeren in een geschiedenis waarin telkens opnieuw profeten zijn opgestaan maar gedood werden (Mat. 23,27-37).
Het is in deze context dat Jezus drie gelijkenissen vertelt. Ze weerspiegelen als het ware verleden, heden en toekomst: hoe men vroeger op Johannes de Doper reageerde, hoe men nu op Jezus reageert, en hoe dit verder zal aflopen.
De gelijkenis van de wijngaard
Met de gelijkenis over de wijngaard laat Matteüs Jezus een bekende profetische gelijkenis heropnemen (Jes. 5). De wijngaard staat bij Jesaja symbool voor Israël, waar God (de ‘geliefde’ van de profeet) goede wijndruiven (de inwoners van Judea) heeft geplant. De profeet beschrijft hoe God deze wijngaard goed verzorgde, maar er toch geen zoete vruchten plukte. Onrecht oogst God er, in plaats van recht. Dit eindigt in een onheilsaankondiging. De gelijkenis in Matteüs herneemt het begin van Jesaja, maar werkt vervolgens de gelijkenis anders uit. De kernvraag is niet langer welke vruchten mensen voortbrengen, onrecht of gerechtigheid. Het gaat nu om erkenning en eerbiediging van de eigenaar, diens dienaren en zoon, of omgekeerd: om de onrechtmatige toe-eigening van de wijngaard en haar opbrengsten en de moord op de dienaren en de zoon. De wijngaard is niet zozeer het grondgebied van Israël, maar het gebied waar God heerst, het Rijk Gods.
Want in deze gelijkenis verpacht de eigenaar de wijngaard, om als de tijd rijp is dienaren te sturen voor de oogst. Het probleem is ditmaal niet dat er geen vruchten zijn, maar dat de pachters niet bereid zijn om deze af te staan aan de rechtmatige eigenaar. Na de moord en mishandeling van de eerste groep dienaren stuurt de eigenaar een grotere groep, die hetzelfde lot ondergaat. De derde keer stuurt de eigenaar zijn zoon, in de hoop dat ze voor hem ontzag zullen hebben. Maar de pachters zien enkel de erfgenaam wiens erfenis ze willen inpalmen. Ook hij wordt gedood en buitengeworpen. Uiteraard is dit nog niet het einde van het verhaal. Uiteindelijk zal de eigenaar zelf komen, en wat moet hij dan doen, vraagt Jezus zijn toehoorders. Zoals eens David bij de gelijkenis van de rijke en het lammetje van de arme, met de rijke eigenlijk zichzelf veroordeelt (2 Sam. 12), veroordelen ook nu de toehoorders zichzelf: kwaad moet met kwaad vergolden worden, de wijngaard verpacht aan anderen. Voor de lezers is het duidelijk: de leiders zijn vergeten dat zij enkel de behoeders van het volk zijn, ze doden telkens opnieuw profeten zoals Johannes de Doper en vermoorden zelfs Jezus, die Gods geliefde zoon is (Mat. 3,17).
De verworpen hoeksteen
De profeet Natan confronteert David meteen met zijn zelfveroordeling: die man, die ben jij! Jezus doet dit niet. Hij vraagt zijn toehoorders of zij nooit Psalm 118,22-23 gelezen hebben, over de steen die verworpen werd maar de hoeksteen werd dankzij JHWH. Voor Matteüs gaat het niet zozeer om de (zelf) veroordeling van de leiders, maar om de erkenning van Jezus. Zijn zij bereid om Hem als hoeksteen van JHWH te erkennen, als geliefde zoon die door zijn vader naar diens wijngaard werd gestuurd? Het is aan wie over deze steen struikelt, dat het Rijk Gods ontnomen wordt, om gegeven te worden aan anderen die het vrucht laten dragen voor JHWH.
De struikelsteen die ook verplettert, is wellicht een allusie op Daniël 2 (de droom van Nebukadnessar). Het grote beeld dat voor de vier wereldrijken symbool staat, wordt vernietigd door een rollende steen. Deze steen verbeeldt het Rijk Gods dat zal blijven bestaan. De suggestie is dat de leiders weliswaar Jezus (de steen) verwerpen, maar dat God van Hem juist de hoeksteen van het Rijk Gods maakt. De weerstand bij hogepriesters en farizeeën wordt na deze gelijkenis nog groter. Het volk echter erkent Jezus als profeet.