Menu

Premium

Jezus in zijn vaderstad

Bijbelwetenschappen

3e zondag van de zomer (Marcus 6:1-6)

‘En Hij ging daar weg’ (6:1). Je wordt doodmoe van dit Evangelie! Wat een vaart, wat een beweging. Hij ging daarvandaan – ja, vanwaar is dat nu weer en waar gaat Hij heen? Eromheen lezen levert op dat Hij bij Jaïrus vandaan kwam, de overste van de synagoge. Dé synagoge? Welke? Waar? Hij begon in Dekapolis te verkondigen (5:20). Dat is een Romeinse provincie, oostelijk van de Jordaan en zuidelijk van het meer van Galilea. Waar die synagoge gestaan heeft, is niet duidelijk.

‘En Hij kwam naar zijn vaderstad.’ Dat zal dan toch Nazaret zijn, westelijk van dat meer. Er staat nergens hoe lang Hij onderweg was, maar dát Hij voortdurend rusteloos onderweg was is duidelijk. ‘En zijn leerlingen volgden Hem.’ Jezus wordt voortdurend achtervolgd, nagejaagd bijna, door massa’s mensen, en hier nu dus door zijn leerlingen. Zij waren er vanaf het eerste uur al bij. Jezus is nooit zonder leerlingen. Mensen opvissen (1:17-18) is een heidens werk. Dat kun je niet in je eentje. Daarom is er kerk.

Herder en leraar

‘Het was sabbat geworden en Hij begon te leren’ (6:2a), te onderwijzen: catechese! Dat deed Hij ‘in de synagoge’. Onderwijzen is iets wat Jezus van meet af aan deed. Hij is een pedagoog en catecheet bij uitstek, want onderwijzen is ten principale verunsicheren, en dat is wat Hij deed. Niets is zoals het is, niets is zoals het altijd was. Steeds zijn er nieuwe perspectieven, is er nieuwe kennis. Goed onderwijs is vernietigend voor oogkleppen en dwangvoorstellingen. ‘Ik weet wel wie jij bent, jij komt van God! Jij bent gekomen om ons te verdelgen’ (1:21vv.)! Het is bevrijdend en emancipeert (5:18-20). Zodra Jezus begint te onderwijzen staan de mensen versteld. Hij legt de Schriften uit, maar anders dan de schriftgeleerden. Een nieuwe leer en met gezag! Hij drijft boze geesten uit. Dat zijn de knellende gedachten en opvattingen waarin mensen vastzitten, door anderen vastgezet zijn, wat altijd met macht te maken heeft. In Brabant, waar ik ben opgegroeid, gaat het volgende grapje: ‘Zegt de industrieel tegen de pastoor: Hou jij ze dom, hou ik ze eronder.’ Dit speelt zich af in de synagoge, het leerhuis, waar gezocht wordt naar het woord van God en de betekenis daarvan. Dat is het onderwijs, de catechese van Jezus. Hij leest hun de Levieten en dat is bevrijding van Godswege.

Wie is toch deze?

‘En velen die het (of Hem) hoorden, waren verbijsterd en zeiden: Waar haalt Hij dat vandaan? Wat is dat voor wijsheid Hem gegeven?’ (6:2b). Dat hadden ze dus wel door, dat dit een Hem geschónken wijsheid was. Passivum divinum. Het roept Jesaja 11:2 op: ‘En op Hem zal de Geest des Heren rusten, de Geest van wijsheid en verstand, de Geest van raad en sterkte, de Geest van kennis en vreze des Heren.’ Het is precies die Geest die Jezus bij zijn doop ontving. Het is de scheppende Geest van God die zweeft boven de wateren van de chaos. Hoe wáár dat laatste is, blijkt uit het vervolg: ‘En zulke krachten die door zijn handen gebeuren!’ (Marcus 6:2c). Ja, noem ze maar op: boze geesten in varkens drijven, het dochtertje van Jaïrus genezen, en vele andere. Dat is: mensen opvissen, de chaosmachten terugwijzen, en dat is het wat Hij deed in woord (onderricht) en daad (genezingen).

‘Is dit niet de timmerman, de zoon van Maria en de broer van Jakob en Joses en Juda en Simon, en zijn ook zijn zussen hier niet bij ons? En zij gingen zich aan Hem ergeren’ (6:3) Tja, het kan natuurlijk niet waar zijn dat ons broertje dat allemaal zegt en doet. Wat een eigenwijze snotaap. Al eerder bleek het niet zo
snor te zitten met zijn familie. In 3:21 zeiden zijn naasten dat Hij niet goed bij zinnen was en gingen ze op pad om Hem ‘op te halen’. In het Grieks staat het er sterker: om Hem te ‘grijpen’ (Gr.: krateoo). In 3:31vv. neemt Jezus expliciet afstand van zijn familie. En nu deze sarcastische opmerkingen van zijn broers en zusters en zijn moeder die op hun beurt afstand nemen van Hem. Dit voegt zich, wat minder heftig, in het patroon dat al in 3:6 zichtbaar is: het besluit van farizeeën en herodianen om Hem te doden.

Zoon van de timmerman?

Interessant is dat Jezus hier bij Marcus ‘de timmerman’ genoemd wordt en niet ‘de zoon van de timmerman’, zoals bij Matteüs (13:55). Voor Adriaan Soeting[1] is dit een indicatie van ‘een zekere theologische reflectie’ in de latere evangeliën: ‘Jezus wordt meer en meer vergoddelijkt.’ Hier wordt ook van Jezus niet gezegd dat Hij de zoon van Jozef is, maar de zoon van Maria. Dat zou betekenen dat zijn vader onbekend is en Hij een zoon is van een ongehuwde moeder. Ziehier dus het gênante geboorteverhaal van Marcus, dat bij Matteüs en Lucas heel anders werd uitgewerkt. Die ergernis van zijn familie is overigens niet gebleven. In Johannes 2 gaat Jezus met zijn moeder en broers naar Kafarnaüm, ‘blijkbaar in pais en vree’ volgens Soeting. En zijn broers sporen Jezus aan om naar het Loofhuttenfeest te gaan om zijn werken aan de wereld te tonen (Johannes 7:3). Die veranderde houding van Jezus’ broers blijkt volgens Soeting ook uit Handelingen 1:14 en 1 Korintiërs 9:5.

‘En Jezus zei tot hen (…)’ (6:4). Een beetje mismoedig, lijkt me: Hier kan Ik ook niks goed doen. ‘En Hij kon daar geen enkele kracht doen’ (6:5). Nou ja, dat valt genoeg mee, want Hij legt zieken zijn handen op en geneest hen. ‘En Hij verwonderde zich over hun ongeloof.’

Deze exegese is opgesteld door Jaap Goorhuis.

Voetnoot

[1] A. Soeting, Was men beschroomd? De broers en zussen van Jezus. In: Interpretatie 18,6 (2010), 7-9.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken