Menu

Basis

Kerk-zijn vormgeven

Silhouet van een kruis op een berg met zonsondergang
(Beeld: Arthit_Longwilai via iStock)

Natuurlijk, we zíjn al kerk, we hoeven die niet meer vorm te geven. We kunnen ons wel afvragen, en dat onderzoeken, of onze huidige vorm voldoet. Om, met andere woorden, de vinger te kunnen leggen op die plekken waar het rammelt en schuurt, waar de vorm een reset kan gebruiken.

Dit vijfde artikel had niet gehoeven, zou je kunnen zeggen. We richten ons in dit nummer immers op al bestaande kerken. Die hoef je niet vorm te geven, want ze zijn er al. Maar toch zijn er heel goede redenen om ook hier na te denken over de vormgeving van de kerk.

In het vorige nummer van het Ouderlingenblad zei scriba Kees van Ekris onder meer dit: ‘Ik denk dat we het einde zien naderen van de 20ste eeuwse kerk met een stevige kerkorde, een hoge organisatiegraad, veel vergaderen, veel organiseren, veel invloed willen hebben en controle. We moeten misschien erkennen dat iets voorbij is.’ Dat is nogal een uitspraak. Want wat moeten we dan? Al het bestaande overboord gooien? Helemaal opnieuw beginnen? Ik denk niet dat Van Ekris dat bedoelt. Maar hij nodigt ons wel dringend uit om echt na te denken over de vraag hoe we in onze tijd vruchtbaar kerk kunnen zijn. In dit artikel gaat het vooral over die vraag.

Om te beginnen gaan we terug naar het Nieuwe Testament. Daar liggen al mooie aanzetten voor ons denken over kerk-zijn nu.

We moeten misschien erkennen dat de 20e eeuwse kerk voorbij is…

‘Mensen van de Weg’

Voordat Paulus zijn Damascus-ervaring krijgt, is hij een vervolger van de aanhangers van de Joodse sekte van Jezus van Nazareth. In Handelingen 9 staat geschreven dat hij ‘aanhangers van de Weg’ in Damascus wil oppakken en wegvoeren naar Jeruzalem. Dat is een prachtige aanduiding van de eerste gelovigen. Pas later, in Antiochië,  worden ze ‘christenen’ genoemd (Handelingen 11:26).

‘Aanhangers van de Weg’, dat zijn mensen onderweg. We kunnen ons in de kerk ontpoppen tot mensen van de zitplaats, soms zelfs van de vaste zitplaats, maar zo is het dus niet begonnen en zo is het ook niet bedoeld. We zijn onderWeg in een steeds veranderend maatschappelijk landschap. Dat vraagt om openheid en flexibiliteit. En ook om de moed steeds weer terug te gaan naar de basis van ons kerk-zijn. In dat kader kijken we even naar twee Griekse woorden uit het Nieuwe Testament.

Ekklesia en kuriakos

Een eerste woord dat ons kan helpen is het woord ekklesia. We komen het voor het eerst tegen in het Evangelie van Matteüs, en wel  in een woord van Jezus aan het adres van Petrus: ‘Jij bent Petrus, en op die rots zal ik mijn ekklesia bouwen; de poorten van het dodenrijk zullen haar niet overweldigen’ (Mt.16:18). Het woord komt vooral voor in het boek Handelingen en in de brieven. Letterlijk vertaald betekent het iets als ‘uitgeroepen’. Het gaat terug op de Griekse volksvergadering van vrije burgers. Zij werden van tijd tot tijd door een heraut uit hun huizen geroepen naar een centrale plek in de stad of het dorp voor informatie en beraad. De schrijvers van het Nieuwe Testament kozen dus voor een min of meer seculier woord om de gemeente van Christus aan te duiden. In onze taal hebben we iets vergelijkbaars: je hebt de burgerlijke gemeente en de kerkelijke gemeente. Tegelijk kun je in het woord ‘uitgeroepen’ toch ook al iets van roeping horen. Het gaat in de kerk blijkbaar niet over niks!

Een tweede woord is kuriakos. Mogelijk is ons woord ‘kerk’ daarvan afgeleid, maar dat is niet helemaal zeker. Het betekent ‘van de Heer’. Het komt in het Nieuwe Testament maar twee keer voor en in beide gevallen gaat het niet eens direct over de gemeente: ‘maaltijd van de Heer’ (1 Korintiërs 11:20) en ‘dag van de Heer’ (Openbaring 1:10). We herkennen het woord kurios erin en dat woord betekent ‘Heer’.

Waarom zouden onze kinderen en kleinkinderen iets met Jezus moeten krijgen?

Beginnen bij het begin

Boven dit artikel staat ‘kerk-zijn vormgeven’. Dat brengt ons in de sfeer van vormen en manieren, waarop je kerk kunt zijn. Er is alle reden om daarover na te denken. Maar om dat goed te doen, moet je er niet mee beginnen. Want inhoud komt voor vorm. Pas als je goed weet wat de waarde van de inhoud is, is er reden om na te denken over hoe je die inhoud het beste kunt ‘verpakken’ en communiceren. Met bepaalde vragen kun je elkaar binnen de gemeente in de goede zin van het woord provoceren (dat is tevoorschijn roepen).

Bijvoorbeeld met deze vragen.

  • Wat zou ik persoonlijk antwoorden op de vraag van Jezus aan zijn leerlingen: ‘wie ben ik volgens jullie?’ (Mt.16:15)
  • Hoe kleurt mijn geloof mijn leven van alledag? Zou er iets veranderen als ik het kwijt zou raken?
  • Waarom zouden onze kinderen en kleinkinderen iets met Jezus moeten krijgen?
  • Zou het erg zijn als het christelijk geloof in onze samenleving verdampt? Zo ja, waarom dan?

Vragenderwijs zullen we weer scherp moeten krijgen of en zo ja, hoe toewijding aan Jezus Christus er echt toe doet. Daarvoor moeten we het oprechte en eerlijke geloofsgesprek weer aandurven. Andrew Root – een Amerikaanse theoloog – geeft een mooi voorbeeld van zo’n geloofsgesprek dat ons kan overvallen. We gaven dit voorbeeld al eens eerder door in het Ouderlingenblad, maar ook hier past het.

Een kerk die ooit bruiste van leven, is sterk gekrompen. Drie opeenvolgende predikanten hebben geprobeerd te zoeken naar nieuwe vitaliteit en toekomst, maar veel heeft dat niet opgeleverd. Als de laatste pastor voortijdig vertrekt, is de rek er uit. De gemeenschap is uitgeput, de  kerkdiensten stoppen en het gebouw krijgt een nieuwe bestemming: een bierbrouwerij.

Een kleine, trouwe rest van de gemeente blijft elkaar opzoeken in een Bijbelkring. Op een avond is er een onverwachte gast, Woz. Hij is de kleinzoon van één van de oudste gemeenteleden. Onlangs is ze overleden. Kort voor haar sterven heeft zijn oma tegen hem gezegd: ‘Drie dingen. Zorg goed voor je gebit, zorg dat je wat op je spaarrekening hebt staan en… vind God.’ Die laatste opmerking over het vinden van God maakt dat hij over de drempel van de kerk van zijn oma stapt. Want daar moet hij natuurlijk zijn.

Hij treft het, want in een zaaltje leest het groepje gemeenteleden net de Bijbel. Hij legt zijn vraag in hun midden: ‘Ik ben hier omdat ik God wil vinden, ik ga ervan uit dat jullie weten hoe dat kan.’ Er valt een wat ongemakkelijke stilte in het kerkzaaltje. De aanwezigen kijken een beetje onzeker naar elkaar. Uiteindelijk zegt één van deze getrouwen: ‘Weten wij dat?’

Zo’n onverwachte gast is heilzaam voor elke gemeente. Want bij zo’n vraag kun je niet antwoorden door te beginnen over vormen en manieren van kerk-zijn. Daarvoor is de vraag veel te diep. We zullen die diepte dus moeten aandurven. Gelukkig groeit in onze tijd de moed om dat te doen. Dat komt ook, omdat ervaringen als hierboven meer voorkomen. In alle onbevangenheid en nieuwsgierigheid kunnen mensen bij de kerk aankloppen. Dat is het mooie en tegelijk het spannende van onze tijd. We worden door buitenstaanders en ook door onszelf uitgedaagd om cruciale vragen op te pakken. Als we daarbij – hopelijk – ontdekken hoe rijk de verbinding met Christus is, dan ligt er vervolgens een goede bodem om na te denken over manieren van kerk-zijn. Daarover nu nog wat meer.

We worden door buitenstaanders en ook door onszelf uitgedaagd om cruciale vragen op te pakken

Vier relaties

Als je de beide Griekse woorden van hierboven – ekklesia en kuriakos – samenneemt, zou je kunnen zeggen, dat de kerk de gemeenschap is van mensen, die uit hun gewone doen zijn weggeroepen om zich te verbinden met de Heer Jezus Christus en zijn Weg. In die verbinding ligt de kern van de christelijke gemeente. Die verbinding kan langs heel verschillende wegen vorm krijgen, er is niet één manier waarop het zou moeten. Dat brengt ons direct bij een grote uitdaging voor onze tijd: hoe kunnen we zo vorm geven aan onze ‘Jezus-beweging’, aan het Heer-zijn van Jezus Christus in ons leven, dat we als zijn volgelingen kunnen groeien op de weg van navolging?

In veel gemeenten zal de uitspraak van Kees van Ekris herkenbaar zijn. We lopen tegen allerlei grenzen op, want veel oude patronen werken niet meer. Maar vernieuwen doe je uiteraard niet lukraak. In boeken over gemeenteopbouw wordt vaak voor een relationele aanpak gekozen. In de kerk gaat het altijd weer om relaties en hoe we die kunnen versterken. Je kunt hierbij vier relaties onderscheiden: de relatie met God, de relatie met de samenleving, de onderlinge relaties binnen de gemeente en de relatie met de bredere (wereld)kerk als het Lichaam van Christus.

Hoe geven we zo vorm aan onze Jezus-beweging, dat we groeien in de navolging?

Zelfonderzoek vanuit de vier relaties

Deze vier relaties kunnen ons helpen om zowel onze huidige praktijk tegen het licht te houden als kritisch te kijken naar mogelijke nieuwe vormen. Om met onze huidige kerkelijke praktijk te beginnen: helpt wat we nu doen in de kerk ons te groeien in de vier relaties? Welke vormen helpen ons misschien in het bijzonder? En welke misschien ook niet? En als we zoeken naar vernieuwing, welke nieuwe praktijken zouden ons mogelijk (beter) kunnen helpen in één of meerdere van de vier relaties?

Open gesprekken hierover in de gemeente kunnen ons helpen goed na te denken, zowel over ons huidige functioneren als over denkbare nieuwe wegen en vormen. Dit soort gesprekken vragen wel moed en eerlijkheid, want stel je voor dat we ontdekken dat de huidige vorm van de eredienst ons niet echt helpt in de (groei van de) vier onderscheiden relaties. Wat doen we dan? We kunnen dat besef wegduwen, maar dat is uiteindelijk de dood in de pot.

Denken vanuit de vier relaties is ergens riskant, maar wel nodig om goed over de vormgeving van onze gemeenten na te denken. Als we binnen de kerk de vier relaties telkens weer laten terugkeren in vergaderingen en overleggen, dan gaan ze ons echt helpen in ons kerk-zijn. We gaan dan het prachtige risico lopen, dat er echt iets met ons gaat gebeuren! Misschien zelfs wel meer dan we voor mogelijk hielden!

Dr. Sake Stoppels is emeritus-lector Theologie aan de Christelijke Hogeschool Ede (CHE). Hij is tevens lid van de redactie van Ouderlingenblad.


Pionierslessen
voor de ‘gewone’ gemeente
Ouderlingenblad 2026, nr. 10

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken