Koinonia en integratie: migrantenkerken in Nederland
De pastor van de Full Gospel Baptist Church in Louisiana, een AfrikaansAmerikaanse kerk, deed een aanbod aan witte mensen om eens een dienst in de zwarte kerk mee te maken: elke witte kerkganger kreeg vijf dollar voor het bijwonen van een zondagsdienst en tien dollar voor een dienst op donderdag. Eén maand en duizend dollar later had de zwarte kerk wel veel bezoekers ontvangen – de meesten weigerden overigens het geld te accepteren -, maar het was nog steeds een zwarte kerk. Het sterke punt van het initiatief lag op het terrein van de publiciteit. CNN zond het uit en de pastor kreeg zoveel bijval, dat velen constateerden dat de tijd in ieder geval rijp was voor het idee van multi-etnische kerken, maar dat de weg daarheen nog lang zou zijn.
[1]
Het kan nooit kwaad om bij het denken over integratievraagstukken in ons kleine, geliefde Nederland te beginnen met een blik over de grens en te constateren dat men in de Verenigde Staten, of Engeland, en Duitsland, ook in de kerken, met dezelfde vragen worstelt. Migratie zorgt voor diversificatie van aanwezige christenen in en voor verandering van het religieuze landschap. Daar moet iedereen aan wennen. In sommige landen zijn eeuwenoude zogenoemde minderheidskerken gegroeid door binnenkomst van migranten, zoals de Protestantse kerk in Italië en Ierland, de Roomskatholieke kerk in Zweden en de Orthodoxe kerken in Frankrijk. In veel Europese landen werden en worden migranten verwelkomd en opgevangen door de bestaande kerken. Daarnaast hebben migrantenchristenen
[2]
ook vele nieuwe kerken gevormd. In Nederland vormen deze nieuwe kerken, waarvan sommige overigens al weer meer dan 50 jaar bestaan, een bont palet qua aantal en herkomst van de leden, talen, denominaties en expressies van geloof.
[3]
In deze bijdrage wil ik ingaan op de vraag op welke manier migrantenkerken invulling geven aan koinonia, het gemeenschappelijk leven van christenen. Vervolgens zal ik de aandacht vestigen op de integratie tussen de Protestantse Kerk in Nederland en de migrantenkerken. Verloopt die integratie soepeler dan de maatschappelijke integratie tussen migranten en niet-migranten in de samenleving?
Koinonia verschijnt in Handelingen 2, 42 als de beschrijving van het gezamenlijke leven van christenen.
[4]
Het komt op in de context van de menigte van al die volkeren en talen waarover de voorlezers in Pinksterdiensten dikwijls hun tong breken. Zij die gehoor gaven aan Petrus’ preek, begonnen vorm te geven aan koinonia: gemeenschappelijkheid, mededeelzaam leven. Koinonia is een gezamenlijkheid die soms gepaard gaat met sympathie en kameraadschap, maar dat is niet noodzakelijk. Het is meer een generositeit, een vrijwillig willen delen van materiële en geestelijke gaven, een mentaliteit die conflicten en misverstanden onderkent en uit de weg wil ruimen. Koinonia moet het hebben van een levende herinnering aan Jezus die de barrières tussen mensen wegnam. Koinonia ligt bijvoorbeeld ten grondslag aan de theologie die Miroslav Volf ontwikkelde in de context van etnische conflicten in de Balkan en die hij ‘theology of embrace’ noemde. Daarin gaat het altijd om twee bewegingen die door beide partijen (groepen of volkeren) moeten worden gemaakt. De eerste beweging is ruimte maken in de eigen groep voor wat de ander mogelijkerwijs te bieden heeft. Daarnaast komt de tweede beweging, namelijk het besluit en de communicatie van dat besluit, dat de ene groep zichzelf niet meer kan zijn en zien zonder de andere groep, die niettemin anders kan blijven.
[5]
Koinonia zoekt verbinding en die is te vinden in het samen breken van het brood, het samen gedenken en verwachten, het delen van een bepaalde geschiedenis, het samen werken. Koinonia is in menige migrantenkerk vooral een lotsgemeenschap.
[6]
Migranten delen met elkaar het lot van mensen met een migratieverleden dat, hoezeer het ook kan berusten op een vrije keuze, altijd een extra inspanning vergt in de sfeer van gewenning, aanpassing en nieuwe stabiliteit. Koinonia wordt gevonden in samen oplossingen zoeken voor dagelijkse problemen. Men verwacht van Bijbellezing en prediking een gedetailleerde instructie voor het dagelijks leven. Niet zelden hoort men preken in migrantenkerken die ingaan op zaken als de betaling van de gas- en elektriciteitsrekening of het meegeven van een gezonde lunch aan schoolkinderen, kortom op gewone, praktische zaken. Als koinonia in migrantenkerken vooral als een lotgemeenschap wordt beleefd, kan dit leiden tot geslotenheid en slachtofferdenken. Van belang is echter ook te zien dat migrantenkerken vaak zelf de herinterpretatie van het lot ter hand nemen: maak van je lot je bestemming, zie hoe God je in deze situatie (be)geleid heeft, weet dat je hier in Nederland een taak hebt.
[7]
De lotsgemeenschap is zo een verhalengemeenschap van mensen die de oversteek naar een ander land hebben gewaagd en de strijd om het hoofd boven water te houden hebben gewonnen en nu bereid zijn om anderen bij te staan. Daarnaast wordt koinonia in migrantenkerken opgeroepen en onderhouden door elementen als taal, muziekritme, stem- en andere geluiden, geuren, gebaren en expressies van emoties.
[8]
Denominationele verschillen tussen migrantenkerken zijn daarbij wel aan te wijzen. De nieuwere migrantenkerken die in de pentecostale/charismatische lijn staan,
[9]
kennen koinonia vooral als ‘fellowship’, die gecreëerd wordt door de Heilige Geest en de noodzaak van persoonlijke ‘empowering’ door de Heilige Geest , die in de gemeenschap werkt. Zij leggen minder nadruk op de sacramentele koinonia en op de zichtbare koinonia met andere denominaties. Dat ligt anders bij migrantenkerken die in de reformatorische traditie staan. Hoewel ook daar de invulling van koinonia vooral door een lotsgemeenschap wordt gestempeld en de belangrijkste redenen voor deelname aan de gemeenschap gevonden worden in het kunnen ontmoeten van mensen met dezelfde achtergrond, geloofsbeleving, taal en cultuur, leeft in migrantenkerken van reformatorische signatuur toch een besef van eenheid met eerder in Nederland gevestigde protestanten (we lezen dezelfde Bijbel en proberen allen volgelingen van Jezus te zijn). Wat betreft de rooms-katholieke migrantenparochies is van belang dat tot midden jaren ’70 werd verwacht dat rooms-katholieke migranten snel zouden integreren in de bestaande territoriale parochies in Nederland.
[10]
Maar omdat er steeds nieuwe groepen migranten in Nederland aankwamen met steeds vaker ook grote problemen (gevlucht voor etnisch geweld, vrouwenhandel, geen verblijfsvergunning), bleef de noodzaak voor de vorming van speciale migrantenparochies met veel diaconale activiteit bestaan. Veel steun kregen deze migrantenparochies van religieuzen en teruggekeerde Nederlandse missionarissen. De Stichting Cura Migratorum zag toe op het welzijn van deze parochies, maar begin 2005 brachten de bisschoppen hierin verandering. De integratie van de rooms-katholieke migranten zou meer gediend zijn bij het direct onderbrengen van de migrantenparochies bij de bisdommen. De sacramentele koinonia in de eucharistie is voor katholieken wereldwijd van groot gewicht, maar het is nog een open vraag in hoeverre het opnemen van de migrantenkerken in de bisdommen tot meer beleving van koinonia tussen migranten en niet-migranten leidt.
Met alle nadruk op koinonia geldt echter dat binnen de migrantengeloofsgemeenschappen genoeg scheurlijnen aan te wijzen zijn die, wanneer men aan beide zijden maar hard genoeg trekt, tot conflicten kunnen leiden, bijvoorbeeld die tussen de generaties. De koinonia-gedachte kan helpen om praktische oplossingen te bieden om met uiteenlopende wensen qua taal en muziek om te gaan en toch op elkaar betrokken te blijven, bijvoorbeeld daar waar jongeren en ouderen elkaar tijd en ruimte gunnen voor liturgie in het Nederlands naast liturgie in het Chinees of Indonesisch. Maar de koinonia-gedachte blijkt kwetsbaar, daar waar bijvoorbeeld Portugese katholieken in Rotterdam ‘hun’ kerk snel zagen veranderen met de binnenkomst van vele Kaapverdianen. Koinonia is niet automatisch gegeven met het spreken van dezelfde taal, zo bleek. Symptomatisch voor de breuk tussen de Portugese en de Kaapverdiaanse groep werd de strijd om twee Mariabeelden. De Vrouwe van Fatima, gemaakt van wit porselein en gekoesterd door de Portugese groep stond altijd centraal, maar werd op een dag door de Kaapverdiaanse groep onder gezang vervangen door Onze Lieve Vrouwe van Vrede, vervaardigd uit zwart ebbenhout.
[11]
Dit maakte de spanningen en de uiteindelijke scheiding tussen beide groepen wel heel zichtbaar. Achteraf werd geconstateerd dat de verschillen in geloofsbeleving te groot waren.
Integratie van migrantenkerken en Protestantse Kerk in Nederland
Het woord ‘integratie’ roept in de migrantenkerken verschillende associaties op. Soms wordt het meer als een belemmering dan als een hulpmiddel ervaren, omdat het woord doet denken aan problemen: er gaat iets mis in Nederland en wel de integratie van migranten in de Nederlandse samenleving. Zo langzamerhand wordt echter ook duidelijk dat migrantenkerken een positieve bijdrage geven aan de integratie van hun eigen leden in de Nederlandse samenleving.
[13]
De betekenis van ‘integratie’ blijft daarbij gehandhaafd: migranten integreren in de samenleving. Migranten beseffen daarbij dat van de minderheidsgroep méér gevraagd wordt dan van de meerderheidsgroep. Maar zodra het over kerken gaat, komen we met deze omschrijving toch in een lastig parket. Moeten migrantenkerken van protestantse signatuur integreren in de PKN? Of is integratie een beweging tussen kerken? Ik wil mij hier conformeren aan het spraakgebruik van OIKOS, SKIN en de Raad van Kerken, die integratie omschrijven als ‘samenwerken om te kunnen samenleven in verscheidenheid’.
[14]
Het rapport Op elkaar aangelegd van de Raad van Kerken en SKIN
[15]
brengt een behulpzaam onderscheid aan tussen verschillende dimensies van integratie. Ruimtelijke integratie duidt de mate aan waarin verschillende bevolkingsgroepen zich met elkaar mengen in dezelfde wijken. Sociaaleconomische integratie geeft de mate aan van gelijke positionering van verschillende bevolkingsgroepen op de arbeidsmarkt en qua inkomen, scholing en huisvesting. Politiek-juridische integratie duidt op de mate van toegang tot het politieke bestel en tot het rechtssysteem. Culturele integratie betreft de mate waarin verschillende bevolkingsgroepen nabijheid en afstand tot elkaar ervaren wat betreft taal en beeldvorming, sociale relaties, opvattingen en oriëntaties.
Een aantal uit de kring van SKIN geselecteerde voorgangers
[16]
die met kerkelijke en maatschappelijke integratie te maken hebben, geeft aan dat zij integratie vooral opvatten als participatie in de samenleving en samenwerking met het oog op samenlevingsopbouw. Zij beschouwen dit meestal als een tweezijdig proces en vinden dat de sfeer in de kerken en tussen de kerken minder verhard is dan de sfeer in de samenleving als geheel. Daarom zouden juist kerken de goede plaatsen zijn om te werken aan integratie.
Het denken over en werken aan integratie tussen migrantenkerken en de Protestantse Kerk in Nederland kan uiteraard niet losgemaakt worden van de maatschappelijke context. Deels worden wij die maatschappelijke context gewaar door de moderne media, die ons vaak voorhouden dat godsdiensten vreemd zijn aan de menselijke natuur, ‘iets dat beperkingen oplegt en knellende banden, iets dat schadelijk voor de gezondheid kan zijn, net als roken.’
[17]
Het lijkt mij daarmee niet in tegenstelling te staan dat migrantenkerken vanwege hun exotische uitstraling wat vaker in een positief daglicht worden gesteld, want dit onderstreept alleen maar het algemene beeld dat religie een zaak is van mensen die nog niet alle fasen van de ‘normale’ evolutie hebben doorlopen. Die arme christenen uit het Zuiden hebben een hoog schattigheidgehalte, maar moeten nog een hele weg afleggen vooraleer de geseculariseerde media hen de moeite van het bekritiseren waard vinden. Het beeld kantelt zodra er sprake is van hekserij (de meeste journalisten hebben geen idee van het verschil tussen daders en slachtoffers van hekserij), van exorcisme en van healings, die zowel genezing van onvruchtbaarheid als van HIV/AIDS beloven. Bovendien hebben we te maken met de weerslag van een (anti)islamdebat op het vertrouwen dat Nederlanders, gelovig of niet, koesteren ten aanzien van mensen die ‘van elders’ komen.
Niet alleen de maatschappelijke context, maar ook de demografische opbouw van migrantenkerken en de Protestantse Kerk in Nederland speelt een rol in mogelijke integratie. De leden van migrantenkerken zijn in het algemeen jonger dan in de witte kerken en de migrantenkerken kennen vaak ook jongere leidinggevenden.
[18]
Een gedeelde zorg, die integratie-bevorderend zou kunnen werken tussen migrantenkerken en de PKN, is de vraag of en hoe jongeren de kerk verder zullen dragen. Ouderen zouden vooral moeten kijken hoe jongeren koinonia beleven in muziek, op festivals of in kortlopende projecten.
Gezien vanuit de migrantenkerken wil ik wijzen op factoren die vaak wat onderbelicht blijven in een al te hooggespannen verwachting van mogelijke integratie met de Protestantse Kerk. In de eerste plaats geldt dat sommige migrantenkerken vooral te beschouwen zijn als transnationale gemeenschappen, dat wil zeggen dat de kerkleden leven en werken in netwerken die politieke grenzen overschrijden. Deze netwerken kunnen meertalig en transcultureel zijn en de mensen die in dergelijke netwerken leven, zien een staatsburgerschap meer instrumenteel dan emotioneel. Van bijvoorbeeld Ghanese Pinksterkerken in Nederland is bekend dat zij niet in de eerste plaats bezig zijn met een identificatie met Nederland, maar meer met een transnationale gemeenschap.
[19]
Verwacht kan worden dat deze kerken zich noch op traditionele Ghanese waarden, noch op integratie met Nederlandse kerken zullen storten, maar hun energie zullen richten op aansluiting bij internationale pentecostale (en economische handels-)bewegingen. In de tweede plaats manifesteren verschillende leiders van migrantenkerken zich als religieuze ondernemers die met hun gezin en soms met hun hele ‘extended family’ afhankelijk zijn van de inkomsten die zij genereren via de door hen gestichte kerk. Soms verbinden zij allerlei andere commerciële activiteiten aan deze kerkelijke onderneming. Deze ondernemers zullen niet erg enthousiast reageren op het idee om hun onderneming te laten integreren in een grote Protestantse Kerk, waarin zij zelf als pastores waarschijnlijk niet aan de norm voldoen om een volwaardig predikantssalaris te verkrijgen.
Toch worden op lokaal niveau en soms ook op bovenlokaal en landelijk niveau allerlei pogingen gedaan om de gemeenschappelijkheid (koinonia als gezamenlijk leven), die nu eenmaal met het christen-zijn gegeven is, ook daadwerkelijk vorm te geven en te beleven in zichtbare eenheid of integratie van kerken. Natuurlijk komen dan allerlei belevingsaspecten aan de orde. Geloofsbeleving blijkt misschien nog sterker dan we al dachten samen te hangen met alledaagse beleving van groeten (je geeft elkaar in de kerk toch geen ‘kouwe hand’, maar minstens een ferme omarming), beleving van eten en drinken (je kunt toch niet hongerig en dorstig de kerk uitkomen), beleving van verdriet (je hebt toch wel echt goed gehuild op de begrafenis), beleving van schoonheid en netheid (je kunt die glitterkerstversiering toch wel een jaartje laten hangen), beleving van leiderschap (je kunt die witte dominees toch geen echte leiders noemen als zij geen orders uitdelen, zich zo onduidelijk kleden, niet op elk gewild moment een krachtig gebed kunnen improviseren). We spreken soms over theologie, geloof en geloofsbeleving, maar koinonia schuilt in het toch maar samen iets gaan doen met die mensen van die kouwe handen en die kopjes koffie en die ingehouden tranen en die opgeruimde kerken. Toch maar samen iets gaan doen voor de buurt: in die zin heeft de Rooms-Katholieke Kerk gelijk met haar terugkeer naar het territoriale beginsel. Toch maar samen iets gaan doen, ook al delen de meeste leden van de Protestantse Kerk niet het lot dat de migrantengemeenschap tot lotsgemeenschap maakt: zij hebben geen migratieverleden achter de rug, maar zij kunnen zich juist als gelovigen wel leren verplaatsen in het lot van migranten.
Zo breekt in de Protestantse Kerk in Nederland druppelsgewijs het besef door dat veel adrenaline voor het christelijk geloof op dit moment ‘van elders’ in de wereldkerk komt. Het sijpelt het bewustzijn binnen dat die wereldkerk in Nederland gearriveerd is. Dat kan een wat ongemakkelijk gegeven zijn, maar voor het christelijk geloof is het in feite de gewoonste zaak. Het christelijk geloof is ontstaan in een religieus en cultureel zeer pluriforme wereld en heeft daarin steeds nieuwe wegen gevonden. Migrantenkerken helpen zichzelf en de Protestantse Kerk in Nederland met het inzicht dat mono-etnisch kerk-zijn een rariteit is. Een Nederlandse kerk kan Christus niet helemaal verstaan. Een Vietnamese kerk kan Christus niet helemaal verstaan. Koinonia fungeert hierbij als kritisch begrip. Het is een kwaliteitsaanduiding van de kerk, een label van parochies en gemeentes, die verwelkomende gemeenschap zijn. Koinonia betekent dan: hoe hechter de gemeenschap, hoe meer verwelkoming aan vreemdelingen, omdat de koinonia-kerk ieder nieuw gezicht beleeft als een nieuwe mogelijkheid om Christus dieper te leren kennen en met meer plezier te volgen. Kerken kunnen meer uit het koinonia-begrip halen als zij het als een correctief zien op het gangbare integratiedebat. Integratie is ook een proces waarbij voortdurend betekenissen moeten worden uitgewisseld van woorden, zinnen en zaken die voor iedereen zo vanzelfsprekend lijken: individu en gemeenschap, natuur, cultuur, man en vrouw, geloof en wetenschap. Integratie is geen assimilatie in de zin van volledige aanpassing aan de dominante cultuur of religieuze traditie. Een migrantengroep of -kerk is goed geïntegreerd als de wijdere omgeving weet van het bestaan van die groep en kan merken dat het een aanwinst is voor de kerk of de samenleving als geheel en zowel de eigen gewoontes als die van de andere groep durft te roemen en te bekritiseren.
Koinonia kan leiden tot zichtbare organisatorische integratie en als blijvend sturend en storend element in de integratieprocessen staan. Zulke integratie wordt gevonden in de associatieovereenkomst van 2008 tussen de Gereja Kristen Indonesia Nederland (GKIN) en de Protestantse Kerk in Nederland, waarin deze kerken elkaars ambten erkennen. De Vereniging van Indonesische christenen PERKI kiest voor integratie in de Protestantse Kerk. De Urdu-sprekende gemeente te Rotterdam, waarvan met name christenen uit Pakistan lid zijn, maakt deel uit van de Gereformeerde Kerk van Rotterdam. Met de Presbyterian Church of Ghana heeft de Protestantse Kerk een memorandum of understanding en tussen de Presbyterian Church of Ghana en de Amsterdamse Protestantse Gemeente Bijlmermeer bestaat een bijzondere samenwerkingsrelatie. Met twee Molukse kerken wordt contact onderhouden via de Contact Commissie Molukse Kerken. Deze en andere pogingen tot zichtbare koinonia en integratie leiden tot vragen van de deelnemende kerken en gemeenten aan elkaar: welk heil biedt Christus aan de wereld? Van welk kwaad worden wij verlost? Hoe verstaan we Gods wil voor deze samenleving?
[20]
In die lijn staan ook de vragen die In de verklaring Called ToBbe One Church door de Wereldraad van Kerken
[21]
werden voorgelegd aan de lidkerken, die in hun eenvoud behulpzaam kunnen zijn om als kerk, ook plaatselijk, een proces op gang te brengen naar meer koinonia:
-
Bent u in uw eigen kerkelijk leven en getuigenis trouw aan het geloof van de apostelen en in hoeverre vindt u dat dit ook in de andere kerken het geval is?
-
Waar bespeurt u in het geloof en het leven van andere kerken, dat zij trouw zijn aan Christus?
-
Kunt u in de andere kerken een gemeenschappelijk patroon van initiatie herkennen, gefundeerd in de doop?
-
Op grond waarvan meent u als kerk dat deelname aan de Maaltijd van de Heer met leden van andere kerken noodzakelijk, respectievelijk geoorloofd dan wel onmogelijk is?
-
Op welke manieren kan uw kerk de officiële ambten van andere kerken erkennen?
-
In hoeverre kan uw kerk de spiritualiteit van andere kerken delen?
-
In hoeverre kan uw kerk instemmen met het beleid van andere kerken waar het gaat om de aanpak van problemen, zoals sociale en politieke overheersing, vervolging, onderdrukking, armoede en geweld?
-
In hoeverre kan uw kerk met andere kerken delen in de apostolische zending?
-
In hoeverre deelt uw kerk samen met andere kerken in catechese en theologische opleiding?
-
Kan uw kerk ten volle delen in gebed met andere kerken?
Maar misschien kunnen deze vragen nog beter het proces begeleiden dan het proces op gang brengen en moet de eerste stap niet liggen in de beantwoording van deze vragen voorafgaande aan de praktische viering, gezamenlijke gebeden, onderlinge hulp en buurtactiviteiten.
Is het voorgaande gedeelte over de koinonia in migrantenkerken en integratie tussen migrantenkerken en de Protestantse Kerk in Nederland niet te hoogdravend? Komt het besef van de aanwezigheid van de wereldkerk en de noodzaak een volkerenkerk
[22]
te worden, niet te laat voor de Protestantse Kerk in de stad en te vroeg voor die migrantenkerken die nog maar enkele jaren geleden gesticht zijn? Emerson en Kim
[23]
hebben beweerd dat kerken die multi-etnisch worden vanuit een missionaire visie meer kans van slagen hebben om goed met diversiteit om te gaan, dan kerken die vanuit een economische overlevingsdrang of vanuit een externe dwang, bijvoorbeeld omdat het grotere kerkverband het oplegt, besluiten tot integratie. Dit kan zowel de migrantenkerken als de Protestantse Kerk in Nederland (en de Rooms-Katholieke Kerk) te denken geven. Tussen kerken zijn de spanningen, die met integratie gepaard gaan, net zo voelbaar als elders in de maatschappij. In de reeds genoemde Urdu-sprekende gemeente hebben vele Pakistaanse christenen moeite met het homohuwelijk, ongehuwd samenwonen, de vrije opvoeding die Nederlandse ouders aan hun kinderen bieden, het ontbreken van duidelijke evangelisatie in de dialoog met moslims en het respectloze omgaan met ouderen. Maar Pakistaanse jongeren vinden het juist prettig dat zij merken dat er bij de Nederlandse christenen opener over deze zaken wordt gesproken. Zij vervullen soms een brugfunctie tussen de Nederlandse samenleving en kerken enerzijds en hun eigen Pakistaanse ouders en kerk anderzijds.
[24]
Steeds strijden de meer culturele kijk op verschillen tussen bevolkingsgroepen en op integratie met de meer sociaaleconomische kijk op verschillen en integratie. Buitenlands onderzoek geeft aan dat er een significant verschil in mate van inburgering wordt aangetroffen tussen geloofsgemeenschappen van migranten die relatief arm en geloofsgemeenschappen van migranten die relatief rijk zijn.
[25]
Kleinere en relatief armere geloofsgemeenschappen zien de eigen gemeenschap vooral als een familie met sociale en materiële verplichtingen aan elkaar. Daarbij komt dan vaak een theologie die vooral gericht is op de opbouw van een gezegende gemeenschap van mensen die zich gered weten en niet of minder op de dienst aan de wereld. Van groot belang is ook hoe de lokale leider van de geloofsgemeenschap zich opstelt. Sommige leiders proberen toegang te krijgen tot de bronnen van de grotere en rijkere geloofsgemeenschappen en knopen banden aan met vrijwilligers en mensen op sleutelposten in de grotere gevestigde kerken. Daadoor krijgt hun eigen geloofsgemeenschap meer toegang tot hulpbronnen. Uitsluitend sterke banden tussen leden van arme geloofsgemeenschappen zijn psychisch wel van belang, maar helpen de leden niet veel vooruit in de maatschappij en leiden evenmin tot een hogere mate van culturele integratie. Wat betreft multi-etnische kerken komt uit onderzoek naar voren dat deze kerken op zich wel eilanden van integratie kunnen vormen, maar geen impact op de wijdere samenleving zullen hebben, als zij niet de sociaaleconomische ongelijkheid en de verschillende belangen van verschillende groepen in kerk en samenleving aan de orde stellen.
[26]
Multi-etnische kerken kunnen van belang zijn voor maatschappelijke integratie wanneer in zulke kerken vaardigheden geoefend worden zoals het moedig benoemen van verschillen, gevoeligheid voor culturen, humor om naar zichzelf en anderen te kijken en vooral toegewijd blijven aan het ongemak dat nu eenmaal met diversiteit gepaard gaat.
Theologen representeren migranten vaak als vreemdelingen. Daarmee beogen zij een positieve houding ten opzichte van migranten te bevorderen, waarbij gewezen wordt op Bijbelse gegevens als Leviticus 19, 33 en 34. De Bijbel is echter niet zo eenduidig als het om de houding ten opzichte van vreemdelingen gaat. De ambivalentie wordt ook vanuit sociologische hoek onderstreept door iemand als Zygmunt Bauman
[27]
die stelt dat de categorie van de vreemdeling precies tussen die van de vrienden en die van de vijanden in staat. Vreemdelingen blijven niet netjes aan de andere kant van de scheidslijn, maar komen binnen en verstoren de keurige tweedeling tussen vrienden en vijanden. Moderne samenlevingen weten nog steeds niet zo goed hoe ze daarop moeten reageren: tussen assimilatie en buitensluiting zoekt men naar integratie. Wie teveel segregatie toelaat en geen wil tot samenleven koestert, zal van vreemdelingen uiteindelijk toch vijanden maken. Integratie is niet het opheffen van verschillen, maar het ontspannen leren omgaan met verschillen. Dat is een ontspanning die veel inspanning vergt. Vanuit migrantenkerken wordt benadrukt dat de wil tot samenleven duidelijk wordt aangespoord door een koinonia van wederzijdse erkenning, compassie en aanvulling van elkaar in missionaire en diaconale arbeid.
Conclusie
Van kerken mag je verwachten dat integratie er soepel verloopt. Er is immers een factor in het spel die mensen mét en mensen zonder migratie-ervaring delen, namelijk de oriëntatie op een gedeelde christelijke erfenis, waarin koinonia gegeven is. Maar zo soepel loopt het niet. Talige en culturele verschillen blijken een grote rol te spelen in het beleven en doorgeven van die culturele erfenis. Men hoeft niet in een statische of essentialistische cultuur-definitie te vervallen om toch te onderkennen dat de verschillen aanzienlijk kunnen zijn met betrekking tot opvoeding, gewoontes, opvattingen van tijd en ruimte, beelden en verbeelding. Daarnaast staan sociaaleconomische verschillen ook in de kerken de communicatie op basis van gelijkwaardigheid in de weg. Koinonia is een ideaal en als zodanig een motor voor integratie, niet vergelijkbaar met de motoren uit de formule 1-klasse, maar meer met de hulpmotor van een fiets: je krijgt iets cadeau, maar je moet nog steeds wel zelf trappen. Koinonia is altijd fragiel omdat het gemakkelijker is om de wereld en de kerk in te delen in ons soort mensen en een ander soort mensen.
Wanneer we de beide bewegingen van de theologie van Miroslav Volf nog eens bekijken, kunnen we concluderen dat de eerste beweging, namelijk ruimte maken in de eigen groep voor wat de andere groep te bieden heeft, zo langzamerhand als noodzakelijk wordt gezien en soms enthousiast, soms schoorvoetend door zowel de Protestantse Kerk in Nederland als de migrantenkerken, wordt gemaakt. De noodzaak wordt nog lang niet overal gevoeld en de wil om samen te werken blijft vaak hangen bij kleine groepen die erg moe worden van het voortdurend trekken aan de jasjes van anderen. Dit hangt samen met de tweede beweging, namelijk dat de ene groep zichzelf niet meer kan zijn en zien zonder de andere groep. Van beide kanten wordt deze beweging nog niet vaak gemaakt en gecommuniceerd. Veel migrantenkerken hebben de handen vol aan eigen familiebesognes, vrezen een te grote organisatie en definiëren zichzelf niet als zusterkerk van andere kerken. Voor sommige migrantenkerken komt de vraag te vroeg (‘laat ons nog een paar jaar met rust’). De Protestantse Kerk in Nederland loopt het risico de migrantenkerken als aanvulling op eigen tekorten te zien, maar zal de koinonia in de migrantenkerken niet moeten idealiseren. Beginnend op plaatselijk niveau valt echter van alles te verwachten van christenen die de drive kennen van toenadering tot het vreemd-bekend gezicht van andere christenen en met het ongemak daarvan willen leren leven.