Menu

Premium

Koningschap: zegen of vloek?

Bij Rechters 9,7-15

De inwoners van Sichem geven zeventig zilverlingen aan Abimelech, omdat zij ervoor kiezen dat hij over hen zal heersen en niet de zeventig andere zonen van Gideon-Jerubbaäl. Abimelech is ook een zoon van deze vader, maar anders dan de broers is hij geboren uit een bijvrouw. De broederschap van Abimelech geldt niet voor deze zeventig zonen van zijn vader, maar meer voor ‘de broeders van zijn moeder’ en voor de inwoners van Sichem, die het koningschap van Abimelech steunen door te zeggen: ‘Hij is onze broeder’ (9,3). Abimelech doodt ‘de zonen van zijn vader’, maar niet alleen. Voor deze klus huurt hij met de zilverlingen een legertje mannen. Die stellen van zichzelf weinig voor, in de vertaling van Tom Naastepad: ‘leeglopende en onbekookte mannen’[1] en in de vertaling van Karel Deurloo ‘leeghoofden en waaghalzen’2[2] (9,4).

Wanneer één persoon die graag wil heersen de beschikking krijgt over geld, berg je dan maar! Hij kan daarmee mensen huren die gevaarlijk zijn door onbezonnenheid en hun licht ontvlambare karakter. In elke tijd en plaats zijn er zulke mensen, die snel ‘over de rooie’ gaan en niet nadenken om de ander een oplawaai te verkopen.

Waarheid en volkomenheid?

De inwoners van Sichem hebben ervoor gekozen dat één man over hen zal heersen en niet zeventig (9,2). Sichem betekent ‘schouder’ en de stad ligt op een heuvelrug, midden tussen de Jordaan in het oosten en de zee in het westen, op een strategisch punt, wat verheven uitstekend boven het omringende land. De inwoners van deze stad hebben wel oren naar een heerser als Abimelech. Hun wens om iemand koning te maken, volgend op zijn aanbod om over hen te heersen, gaat echter voorbij aan de wijze waarop het leiderschap in Israël tot dan toe tot stand is gekomen. Voorafgaande leiders van Israël volgden het pad van Mozes. Waarheid (Hebr.: èmèt) en volkomenheid (Hebr.: tam) zijn de kwaliteiten van hun leiderschap. Een kenmerk van onberispelijke leiders is dat zij het leiderschap krijgen toegewezen, zonder dit zelf te hebben nagejaagd. Maar Abimelech is voor het verkrijgen van het leiderschap zelfs bereid om de andere zoons van zijn vader uit te roeien en als enige over te blijven om te heersen. Een koningschap dat wordt gegeven aan een persoon die als enige wil heersen, is geen zegen maar een vloek. De zeventig zoons vormen door hun broederschap een gezamenlijke band. Zij vertegenwoordigen de zeventig volken op aarde. De band wordt beschadigd wanneer één daarvan wil heersen over allen.

Gideon-Jerubbaäl, de vader van Abimelech en de zeventig zoons, had gesteld: als er één is die over allen heerst, dan is het de HEER. Hij had het leiderschap van zichzelf nog correct geduid, toen hij zei: ‘Ik zal uw heerser niet zijn en ook uw zoon niet, want de HEER is uw heerser’ (Re. 8,23).

Jotam de profeet

Aan de massale slachting onder de zoons van zijn vader is de jongste zoon Jotam als enige ontkomen. De inwoners van Sichem hadden hun verheven positie afgemeten aan de Jordaan ten oosten en de zee ten westen. De kleinste broeder die is overgebleven, trekt weg in een andere richting, naar het zuiden, en klimt op de top van de berg Gerizzim.

Hij verheft zichzelf boven de inwoners van Sichem en verheft zijn stem. Als een ware profeet roept hij de inwoners op: ‘Hoort naar mij en God zal horen naar u!’ (9,7). Een profeet is iemand die grote heilsdaden en woorden uit het verleden in het heden in herinnering roept, met het oog op de toekomst. Als tegenbeeld van de verheffing van de zoon die als enige wil heersen, is daar de verheffing van de zoon, wiens naam Jotamis. Zijn naam doet herinneren aan de volkomenheid (Hebr.: tam) van de HEER die in het verleden is getoond. En zijn stem roept de inwoners van Sichem op om te horen, opdat de HEER naar hen zal horen. Staande op de top van de Gerizzim houdt Jotam zijn ogen gericht op de top van de berg Ebal recht tegenover hem, aan de andere kant van de stad Sichem.

Ooit stonden op beide bergen zonen als broeders zij aan zij, om aan Israël te laten horen wat de HEER hun voorhoudt over zegen en vloek. Vanaf de berg Gerizzim, vanuit het zuiden, klonken de zegeningen. Vanaf de berg Ebal, vanuit het noorden, klonken de vervloekingen (Deut. 27).

De allegorie van de bomen

Een beeldspraak die continu wordt volgehouden, heet een allegorie. De beelden die Jotam gebruikt voor mensen, zijn die van bomen. De roep om te horen laat Jotam volgen door een allegorie. De bomen gaan op weg. Het lijkt wel of ze niet meer geworteld zijn sinds ze voor zichzelf een koning wensen. Een boom hoort zichzelf te zijn, van boven te bewegen in de wind, en van beneden stevig verworteld in de grond. De olijfboom, de vijgenboom en de wijnstok maken de plaats die zij innemen afhankelijk van wat ze zijn voor God en/of voor mensen. Voor wie van hun vruchten plukken, betekenen zij geloof, hoop en vreugde. Maar ontworteld, hoog verheven boven de bomen, in een zwalkend bestaan, betekenen zij niets.

Wie boven zichzelf uitstijgt en boven de toppen uitzweeft om koning te zijn, raakt vervreemd van de grond die zijn plaats niet meer is en gaat als een Kaïn zwalkend over de aarde. Het lijkt alsof Jotam wil zeggen, dat met het koningschap van Abimelech de inwoners de vervloeking van de Ebal hebben gehoord en niet de zegen van de Gerizzim. Heel subtiel noemt hij de zegen toch: zelfs het koningschap van de doornstruik die geen vrucht draagt en waar – pas op! – zomaar een steekvlam uit kan komen, kan bijna Messiaans gezalfd worden en kan in volkomenheid uitgeoefend schaduw bieden om onder te schuilen (9,15).

Wellicht ook interessant

De Leviet in Gibea
De Leviet in Gibea
Basis

Seks en geweld: Rechters 19-21

Vrouw overlijdt na brute groepsverkrachting. Drie dagen hevige strijd in burgeroorlog: meer dan vijfenzestigduizend slachtoffers onder de strijders. Aantal burgerslachtoffers: onbekend, maar groot. Nee, dit is niet uit de krant van vandaag. Het is een korte samenvatting van wat we lezen in de laatste drie hoofdstukken van hel Bijbelboek Rechters (19-21). Seks en geweld. Wat moeten we met dit oude relaas? Gewoon maar concluderen dat de ontsporingen waarover verhaald wordt, nu eenmaal onontkoombaar zijn als een ‘condition humaine’ – in de zin van: het is nooit anders geweest – of valt er meer over te zeggen?

Basis

Korte Metten: Een tweede Rode Lijn op de stoep van de PKN

Vrijdag 20 maart: de Jannekes en de Hanna’s aan de niet zo pro-Israël kant van de PKN trekken hun rode jassen weer aan en doen hun rooie sjaals opnieuw om zodat zij hun zorgen over hun eigen kerkgenootschap nogmaals kunnen laten horen. Na een eerste christelijk Rode Lijn protest enkele maanden geleden volgt nu dus een tweede. Ze zijn boos. Heel boos. In hun ogen maakt de leiding van hun PKN zich, waar het over Israël, Gaza en Palestina gaat, schuldig aan het gebruik van “ontwijkende taal van ‘pijn aan beide kanten’ en misleidende taal over ‘conflict’ en ‘ingewikkeld’. En ook neemt de kerkleiding nog steeds het woord ‘genocide’ niet in de mond.” Zo schrijven de initiatiefnemers van dit tweede Rode Lijn protest in hun oproep in Nieuw Wij op 2 maart.

Nieuwe boeken