Korte Metten: Als het kwaad aan de deur hurkt
Over het redeloze kwaad van de 'sinat chinam'
Eeuwenlang werd het doen van het kwade gezien als een bewuste keuze. Een keuze om de eigen belangen na te streven, de keuze om rücksichtlos te doen wat geluk of voordeel oplevert. Maar na de Holocaust stelden Joodse denkers de vraag of mensen wel doelbewust het kwade deden. In wiens belang was de Tweede Wereldoorlog geweest? Er leek sprake van een ongeziene vernietigingsdrang, waarbij ook de daders zichzelf in het ongeluk stortten, eerder dan dat ze er beter van werden.
Jonathan Sacks, voormalig opperrabbijn van het VK, meende daarom dat het denken over het kwaad aangepast moest worden. Het kwaad kwam niet voort uit een duidelijke heldere keuze, maar er was sprake van een kwaad dat deels onbewust gepleegd werd, een tasten in het duister, een zich laten meeslepen. Jonathan Sacks betrok daarbij het leerstuk van de ‘sinat chinam’: de ongegronde haat, die de rabbijnen beschreven bij de eerste ‘choerban’ (ramp), toen de Tempel verwoest werd. Het ging om een vorm van kwaad die niet meer uit te leggen viel, die geen duidelijke reden of oorzaak had.
Jonathan Sacks gaf hiervan een Bijbels voorbeeld: Het ging om het verschil tussen het kwaad dat de Egyptenaren de Israëlieten aandeden en het kwaad van de Amalekieten richting de Israëlieten. De Egyptenaren onderdrukten de Israëlieten met enige reden: ze waren immers bang voor hen, want ze waren ‘te talrijk en te sterk’ (Ex.1:9). Het was daarom begrijpelijk dat de Egyptenaren hen onder de duim probeerden te houden. Maar de Amalekieten hadden niets te vrezen van de Israëlieten. Ze vielen de Israëlieten onverwacht aan, toen ze weerloos dwaalden in de woestijn (Ex. 17). De vergelijking met de gruwelijke moordpartij op jonge bezoekers van een dance-festival in de woestijn dringt zich hier op. Dit geweld had geen rationale. Ze kon volgens Sacks alleen voortkomen uit de ‘sinat chinam’: de grondeloze haat. Het ging om geweld omwille van geweld, geweld dat nog meer geweld uitlokt.
We komen deze redeloze haat vaker in de Bijbel tegen. Al in het verhaal over Kaïn en Abel, als de zonde (‘chata’) die aan de deur ‘hurkt’ (‘roveets’) en Kaïn in de eerste moordenaar verandert (Gen.4:7). Martin Buber beschrijft de moorddadige neiging van Kaïn eveneens als een onbewuste daad, een plotseling opvlammen van een neiging, een centrifugale beweging die Kaïn uit zijn centrum slingerde. Het ging om het tegendeel van moord met voorbedachte rade; er was zelfs geen enkele geldige reden die moord zou rechtvaardigen. Want als iemand de schuld zou moeten krijgen van Gods weigering om Kaïns offer te aanvaarden, was het God zelf, zeker niet Abel. Maar de woede, de afgunst, de frustratie, een gevoel van machteloosheid en minderwaardigheid vormen een explosieve cocktail die Kaïn in razernij deed uitbarsten. God waarschuwt Kaïn daarop en functioneerde als diens geweten: Hij zegt Kaïn dat hij alsnog over deze kwade impuls kan ‘heersen’. Maar in plaats van zich te vermannen, laat Kaïn zich gaan. Er is geen sprake van een daadwerkelijke keuze in dit verhaal, zegt ook de Midrasj Tanchoema: Kaïn kon de gevolgen van de moord niet op voorhand inzien, hij wist als een van de eerste mensen zelfs niet eens wat ‘dood’ betekende. Kaïn laat zich meeslepen in, zoals Buber het omschrijft, een ‘werveling van besluiteloosheid’. In dezelfde toestand zendt God Kaïn na de moord op zijn broer de wereld in, om ‘wankelend en zwalkend over de aardbodem te dolen’.
Jonathan Sacks schrijft dat het hier om de ergste en meest vasthoudende vorm van het kwaad gaat. Want als het geweld een zeker doel dient, zal dit geweld ook weer ophouden wanneer dat doel bereikt is. Maar als het om ‘redeloze haat’ gaat, dan zal die haat blijven voortbestaan, ook al verdwijnt de (zogenaamde) reden of oorzaak. Dat zien we ook bij hedendaags antisemitisme, islamofobie en andere vormen van haat: ze woekeren voort, of er nu een reden voor bestaat of niet. Als er al geen echte reden voor te vinden is, verzint men wel een reden, meestal door gebruik te maken van propaganda en demonisering.
Dit gebeurt desnoods tegen het eigen belang in. Emil Fackenheim beschreef hoe de Nazi’s in de laatste dagen van de oorlog hun munitiewagons gevuld met wapens voor het front leeghaalden, om nog meer Joden naar de concentratiekampen te kunnen rijden. Verblind door haat en bezeten van de gedachte dat de Joden uitgeroeid moesten worden, bespoedigden ze hun eigen einde. Emil Fackenheim noemde deze redeloze haat daarom het ‘radicale kwaad’ dat, anders dan bij Immanuel Kant, niet om eigenbelang draaide, maar eerder omwille van het kwaad zelf. Uiteindelijk is dit kwaad zelfdestructief.
Hoe moeilijk dit kwaad in de praktijk ook te bevechten valt, volgens Martin Buber bestaat er wel een oplossing voor. Ook dit haalt hij uit het verhaal over Kaïn en Abel. Want Kaïn wordt door God Zelf gewaarschuwd, zoals gezegd. God zegt hem dat hij over de impuls kan ‘heersen’. Buber trekt daaruit de conclusie dat wij ons bewust kunnen worden van het kwaad dat in ons opvlamt, wij de impuls de baas kunnen worden, als wij deze maar onderkennen. Bewustzijn is de enige weg om het kwaad op te heffen. Het kwaad kan de mens wel degelijk kennen en herkennen, schrijft Buber, maar alleen in zichzelf. Weigert de mens dit onder ogen te zien, dan wordt hij blind voor het kwaad. Dan laat hij zich meesleuren, gebruikt drogredenen en rationalisaties, pseudo-ethiek en ideologie om het kwaad te legitimeren.
Buber keert zich daarmee ook tegen de al te gemakkelijke oordelen over anderen, die tegenwoordig zo in de mode zijn. Buber schrijft: alles wat de mens buiten zichzelf het kwade noemt, is een spiegelpaleis (‘Spiegeltrug’). Het spiegelt het kwaad dat in ieder mens in potentie aanwezig is. Want ieder mens is in staat om de redelijkheid uit het oog te verliezen, de ander uit het oog te verliezen, verteerd te worden door haat, woede, frustratie, angst en afgunst. Dat zijn menselijke neigingen, die ons in de greep krijgen, en meestal hebben we dat niet eens door. Liever kijken we naar anderen, zien onszelf als moderate, redelijke wezens en projecteren wat er in ons aan woede en frustratie kolkt op anderen. In plaats van rationaliseren en goedpraten, in plaats van beschuldiging en demonisering en met de vinger wijzen, zouden we dit kwaad beter recht in de ogen kijken. Pas dan kunnen we besluiten om ons niet te laten meeslepen in demonisering en geweld en helpen we de opvlammende redeloze haat de wereld uit.
Bernd Hirschfeldt is universitair docent Hebreeuws aan de Faculteit voor Protestantse theologie en Religiestudies in Brussel. Hij schrijft een proefschrift over ‘de kennis van goed en kwaad’ bij Joodse denkers na de Holocaust en is predikant van de Nederlandse Protestantse Gemeente in Luxemburg.