Laten zij de Eeuwige loven om zijn trouw
1e zondag van de zomer (Job 30,15-26 en 38,1, Psalm 107,17-32, 2 Korintiërs 5,14-21 en Marcus 4,35-41)
‘De Eeuwige loven om zijn trouw’, zegt Psalm 107,21. Maar kun je dat, wanneer je in een situatie verkeert zoals Job of zoals de leerlingen in het bootje? Als je niet weet wat je te wachten staat en het ergste voorziet? Als je ziet dat zovelen om je heen omkomen door geweld van natuur of medemens? Zelfs Jezus voelde zich verlaten aan het kruis. Maar toch…
Na alle berichten die ons de afgelopen tijd bereikten uit oorlogsgebieden, is het haast onmogelijk om niet mee te voelen met de wanhoop van Job, die alles verliest en bespot wordt door mensen die eerst respect voor hem hadden. ‘Vrienden’ die hem in zijn nood niet helpen, maar juist nog meer kwellen door te suggereren dat zijn ongeluk ook wel aan hemzelf zal liggen. Alle hoop is voor Job de bodem ingeslagen (30,24). Ook zijn vertrouwen in de Eeuwige is beschaamd, terwijl hij zich toch ver hield van alle kwaad en gaf om zijn medemens (1,1; 30,25). Job lijdt zo intens, dat hij in zijn klacht zijn ellende personifieert tot een ‘hij’, een belager tegen wie hij weerloos is (30,17- 19). Job voelt zich in de steek gelaten door de Eeuwige, die hij altijd trouw diende. Maar zijn klacht wordt gehoord. Er komt antwoord…
Ondanks het duister
Ook voor de leerlingen van Jezus komt antwoord. Jezus heeft aan de westelijke oever van het meer van Galilea een grote menigte toegesproken in gelijkenissen over zaaien en oogsten. Door zijn tijdgenoten te herinneren aan de grote oogst aan volgelingen van Jezus na zijn opstanding, bemoedigt Marcus hen in deze zware tijden.
In het verhaal van Marcus valt het duister. Het is opmerkelijk dat Jezus juist als het duister valt wil oversteken en wel naar ‘heidense streken’, bestuurd door een zoon van Herodes, die bevriend was met de Romeinse keizer. Marcus loopt daarmee vooruit op het oversteken van de Middellandse Zee door Jezus’ volgelingen. Daarom noemt Marcus het meer ‘de zee’ (Gr.: thalassa, 4,1).
Ondanks het duister spoort Jezus aan tot de overtocht (4,35). Alleen, met dit bootje en met deze bemanning, wil Jezus vertrekken. Dan steekt plotseling een hevige storm op. De dreigende chaos en het hulpgeroep van de leerlingen staan in scherp contrast met de passiviteit van Jezus, die rustig slaapt op het zitkussen van de roerganger. Zijn slaap bevestigt zijn vertrouwen op de ruach Adonai, de adem van de Eeuwige, het tegendeel van de storm die chaos veroorzaakt. Het angstige geschreeuw van de leerlingen wekt Jezus en Hij spreekt de elementen streng toe, strenger dan eerder de onreine geesten (1,25; 3,12). Meteen gaat de storm liggen. Daarna spreekt Jezus de leerlingen toe.Hij noemt hen lafaards vanwege hun gebrek aan vertrouwen in Hem. Als ze wel vertrouwen hadden gehad, zouden zij zich hebben overgegeven, wetend dat zij opgenomen zijn in Gods plan. Maar zij weten niet wat zij van Jezus moeten denken. ‘Wie is Hij toch?’
Verzoening
Jezus’ volgelingen zijn de zee overgestoken en er is een gemeente ontstaan in Korinte. Maar eenheid is er ver te zoeken. Paulus doet in 1 Korintiërs zijn best die te herstellen. Hij gebruikt daarvoor het beeld van één lichaam met verschillende functies en Christus als hoofd (1 Kor. 12,12-27). In 2 Korintiërs 5,14-21 sluit hij daarbij aan met het thema ‘verzoening’. De term komt uit de wereld van het maatschappelijk verkeer. In situaties van onenigheid, bijvoorbeeld bij erfenissen, moet de onenigheid worden ‘verzoend’, opgeheven. Jezus heeft door zijn leven en dood de weg tot verzoening getoond. Daarom spreekt Paulus nu over ‘sterven’ en ‘leven’. Wie Jezus’ weg wil gaan, moet zijn oude leven loslaten.
Dat betekent: gaan leven op een ander niveau, met een andere kijk op Jezus en op je medemensen. Het debat gaat over de vraag hoe je Jezus moet zien, als God of als mens. Maar wat Paulus de rivaliserende groepen in Korinte duidelijk wil maken, is dat het er voor de gedoopten niet meer toe doet wát zij zijn, maar hóé zij zijn. Als gedoopte krijg je een nieuwe identiteit (vgl. Gal. 3,28). ‘Het oude is voorbij, het nieuwe is gekomen’ (5,17), met daarbij alle mogelijkheden tot verzoening van wie naar menselijke maatstaven tegenover elkaar staan. Zo draag je bij aan vernieuwing van de schepping.
Vertrouwen is een heroïsche daad
‘Vertrouwen is een heroïsche daad.’1 Vertrouwen betekent dat je je overgeeft aan een ander – aan de Ander – zonder reserve. Job moest eerst loskomen van zijn identiteit van gezegend mens naar menselijke maatstaven voor een geslaagd leven. De leerlingen zijn bang dat hun ‘scheepje in gevaar is te vergaan’. Zij begrijpen niet dat Jezus in alle rust bij hen kan zijn, omdat Hij vertrouwt op zijn Vader. Pas later, nadat zij zelf geraakt zijn door Gods heilige Geest, de ruach Adonai, kunnen zij gaan leven volgens andere maatstaven.
Niet alle christenen in Korinte zullen zover komen, net zomin als die in Rome of van welke gemeenschap in latere tijden dan ook. Er wordt nog te veel gemeten met maatschappelijke maatstaven, die scheiden en niet verzoenen. Te vaak ligt het zwaartepunt niet bij ‘hóé iemand is’ maar bij ‘wát iemand is’. Denk aan de discussie over het homohuwelijk. Zou daar de maatstaf niet moeten zijn hóé de partners elkaar en de Eeuwige vertrouwen, in plaats van wát zij zijn?
Het ‘niet van deze wereld zijn’ is die christelijke identiteit, die verzoent wat menselijke maatstaven gescheiden houden, en die zich vol vertrouwen begeeft op de Weg waarop Jezus ons voorging.
Deze exegese is opgesteld door José Vos.
- Interview met filosoof Gerard Bodifée, Trouw, 16 september 2008 ↩︎