Lekker: sprinkhanen!
Het is niet het eerste waaraan de doorsnee bijbellezer denkt wanneer zij/hij in een tekst stuit op dit insect. Bij ‘doorsnee’ moet men dan wel denken aan de Westerse lezer. In grote delen van Afrika en Azië heeft men andere culinaire inzichten. De sprinkhaan geldt, zeker als hij knapperig is gebakken, als een lekkernij en hij is daarbij ook zeer voedzaam. We vinden het ook terug in de wetgeving in Leviticus 11. Te midden van alle gruwelijk wemelend gedierte met vleugels op vier poten springt de sprinkhaan er in positieve zin uit. Die is in al zijn vormen toegestaan als eetwaar. Wettelijk was er dus ook niets mis met de manier waarop Johannes de Doper zich volgens Matteüs 3:4 in leven hield. Het valt bij de lezing van Leviticus 11:22 ook op dat men verschillende soorten sprinkhanen kende. Dat past ook bij het feit dat ze op het menu staan. Dan heb je meer belangstelling voor details. Onze taal is daar niet op berekend. In het Engels is er nog een vaag onderscheid tussen ‘locust’ en ‘grasshopper’, in het Nederlands moeten we het met één woord doen. Dat brengt vertalers in de problemen, want in het Hebreeuws zijn er maar liefst twaalf woorden waarmee het insect in al zijn soorten en verschijningsvormen kan worden aangeduid. In Joël 1:4 worden er vier in één vers gebruikt. In de NBG vertaling van 1951 heeft men dit opgelost door naast de vermelding van de sprinkhaan de dierennamen te vervangen door omschrijvingen van het beest: knager, verslinder, kaalvreter. De Nieuw Bijbelvertaling is terughoudender maar daardoor ook versluierend. Er is sprake van de ene sprinkhaan, de tweede, de derde en de vierde. De NBV Studiebijbel legt uit dat in het Hebreeuws vier verschillende woorden van sprinkhanen worden gebruikt. Het zou hier om verschillende fasen uit het leven van de sprinkhaan kunnen gaan of om verschillende soorten. Het is namelijk een bekend verschijnsel dat sprinkhanen heel snel van gedaante kunnen veranderen, afhankelijk van de omstandigheid waarin ze verkeren.