Losgeld
Bij Exodus 30,11-16 en Marcus 12,38-13,2
Bij het betalen van losgeld denk je aan ontvoeringen. Of je denkt aan slaven of mensen die worden vastgehouden door piraten. Dat God ook losgeld vraagt, is toch wel iets waar je even over moet nadenken. Extra vreemd is sowieso de idee dat God geld vraagt. Waar heeft Hij dat voor nodig, zou je denken. Het is bestemd voor de tabernakel, de tent die in de woestijn werd gebouwd als woning voor de Heer temidden van zijn volk. Van het omgesmolten geld dat als losprijs in de schatkist van de tabernakel was gedaan, werden voetstukken gemaakt waarin de palen stonden van de tabernakel. De betekenis hiervan is, dat de eigen bijdrage van het volk de basis, het fundament vormt voor de woning van de Heer te midden van zijn volk.
Vanzelfsprekend heeft God voor zichzelf geen geld nodig. De betaling van een losprijs is niet in het voordeel van de Heer, maar van het volk zelf. Die is namelijk tot hun verzoening. Dat betekent dat de Heer het mogelijk maakt om vrij eenvoudig van de straf af te komen die het volk zou krijgen door de zonde van het gouden kalf.
Sikkels
Het verhaal van de betaling van de sikkels staat in het boek Exodus beschreven vóór het verhaal van de zonde van het gouden kalf (Ex. 32), maar moet worden begrepen als een gebeurtenis die daarna heeft plaatsgevonden. Mozes is nogal verontrust over deze betaling die de Heer vraagt. Hij mijmert: ‘dat moeten wel vele tientallen, misschien wel honderd zilverstukken zijn die ieder moet betalen.’ ‘Wees niet ongerust, Mozes’, zegt de Heer, ‘ik zal je laten zien wat voor prijs ik vraag.’ En vanonder zijn hemelse troon van glorie haalt Hij een vurig, klein muntstuk tevoorschijn, dat Hij aan Mozes laat zien: een halve sikkel, met het gewicht van tien gera. Niet een hele sikkel vraagt de Heer als betaling, maar slechts een halve. Dit komt overeen met de halve dag waarin het volk had gezondigd. Want in de middag hadden zij gedanst rondom het gouden kalf.
De jaarlijkse bijdrage in de tempel
De betaling van sjeqalim wordt na de woestijntocht een vast jaarlijks gebruik, waaraan ieder van het volk van tevoren wordt herinnerd, om zijn jaarlijkse bijdrage te betalen in de tempel. In de Babylonische Talmoed (in: Sjeqalim 6.5) wordt beschreven, dat er in de tempel dertien van zulke geldbewaarplaatsen waren in de vorm van bazuinen. De dertien offerblokken waren voorzien van een opschrift: ‘nieuwe sikkels’ (de jaarlijkse bijdragen), ‘oude sikkels’ (wie in vorige jaren niet betaald heeft, die betaalt in het lopende jaar), ‘vogeloffers’ (dat zijn tortelduiven), ‘brandofferduiven’ (dat zijn jonge duiven), ‘hout’, ‘wierook’, ‘goud voor het bekken’ en nog zes andere voor vrijwillige giften.
In een offerblok van ‘vrijwillige giften’ kon ieder een bedrag naar eigen keuze inwerpen. Maar in het offerblok ‘sikkels’ was de bijdrage gelijk, of je nu rijk of arm was. In het evangelie, dat gaat over de tegenstelling tussen de vele gaven van vele rijken en de kleine gave van één arme weduwe, zal het waarschijnlijk zijn gegaan om één van de zes offerblokken voor vrijwillige giften.
Voor ieder dezelfde prijs
Je kunt je afvragen wat voor zin het heeft om rijken en armen een gelijk bedrag te laten betalen. Ten eerste: de betaling van ‘slechts’ een halve sikkel maakt het voor iedereen mogelijk om dit bedrag te betalen. Ten tweede: als iedereen hetzelfde bedrag betaalt, kun je aan de som van het betaalde bedrag narekenen, hoeveel mensen er hebben bijgedragen. Je hoeft de mensen dan niet direct, hoofdelijk, te tellen. Door ieder lid van de gemeenschap hetzelfde bedrag te laten betalen, wordt het mogelijk om – indirect – te tellen hoeveel leden de gemeenschap heeft. Het direct tellen van leden van het volk is door de Heer namelijk verboden. Wie het toch doet, veroorzaakt een plaag die over het volk komt. Koning David was zo eigenwijs om tegen dit gebod in te gaan en een volkstelling te houden. Het gevolg: 70.000 mensen van het volk Israël stierven aan de pest. Mozes mag dus niet direct de hoofden ‘tellen’ (Hebr.: sefer) maar mag de grootte van de gemeenschap van de kinderen Israëls wel ‘opnemen’ (Hebr.: pakad) aan de hand van de som van de betaalde halve sikkels.
Waarom God wilde weten hoe groot zijn volk was? Een midrasj: ‘Een boer koesterde zijn welbewaarde, prachtige kudde. Maar op een dag trof de pest de schapen en veel van hen gingen dood. Toen de ramp over was, gaf de eigenaar opdracht aan de herders: “Tel mijn schapen om te zien hoeveel hebben overleefd!”’ (Midrasj Agada). In de woestijn waren vele leden van het volk Israël overleden aan de plaag die volgde op de zonde van het gouden kalf. De Heer nu wenste het getal van de overlevenden te bepalen.
Oordeel en leven
Het gebruik van de sikkels ‘tot een gedachtenis (…) voor het aangezicht van de Heer ter verzoening voor hun leven’ (Ex. 30,16) lijkt deze wens van de Heer te bevestigen, die wil weten hoevelen er aan de plaag zijn ontkomen en nog in leven zijn. De betalingen in het offerblok van de tempel zijn dus niet alleen bedoeld voor het dienstwerk van de priesters, maar ook ter verzoening van diegenen die de losprijs hebben betaald, om hun levens te vrijwaren van straf of plagen.
Jezus laat zien dat het strafoordeel groter is voor wie de woningen van weduwen opeten. Ook spreekt Hij een oordeel uit over de grote steenblokken van de tempel die zullen worden neergehaald. Tegenover het imposante gedrag en de overvloed van velen stelt Hij één arme weduwe, die alles wat zij nodig heeft om te kunnen leven in het offerblok van de tempel werpt. Jezus heeft haar ‘halve sikkel’ opgenomen met zijn ogen en toont ons de grootte en vorm van haar munt, die nodig is om meegeteld te worden onder het getal van wie aan het strafoordeel ontkomen.