Menu

Premium

‘Maar vernietigen zal Ik het niet’

Alternatief bij Palmzondag (Jeremia 4,19–5,1)

‘Maar vernietigen zal Ik het niet.’ Deze woorden zijn het enige lichtpuntje in het tekstgedeelte van vandaag. Ze slaan op het land of op de aarde. De Statenvertaling geeft ze tussen haken weer: ‘(doch Ik zal geen voleinding maken)’ (4,27; vgl. 5,10.18). Jeremia verkondigt de net-niet-totale ondergang. Dat roept bij ons meteen de vraag op: is er redding mogelijk uit dit Armageddon? Geen vreemde vraag op Palmzondag, als we Hosanna roepen: ‘Red toch!’

De één verdiept zich meer in de mondiale problematieken dan de ander, maar niemand ontkomt eraan. Een veelvoud van crises stapelt zich op, het voortbestaan van natuur en mensheid is twijfelachtig. Spanningen tussen volkeren kunnen razendsnel escaleren. Films en websites geven een levensgevoel weer van ondergang. Behalve dat hangt er ook een koortsachtig activisme in de lucht: we kunnen de ramp nog afwenden als we nu radicaal ingrijpen. En dan is er nog het escapisme dat vlucht in allerlei genot van de korte termijn, of dat gewoon doorgaat alsof er niets aan de hand is. Een vreemde mengeling van pessimisme en optimisme, moed der wanhoop en escapisme bepaalt de tijdgeest.

O bonzend hart

Op Palmzondag halen we juichend de Redder binnen, de zoon van David. Hosanna, roepen we nog altijd tijdens de mis, kort voor de consecratie. Maar deze vreugdevolle intocht wordt overschaduwd door het naderende oordeel. Lucas vertelt hoe Jezus weent (19,41-44). ‘O bonzend hart!’ zegt Jeremia (4,19). ‘Door de stem van de profeet wordt God sprekend ingevoerd. Zo rouwde ook de Redder over de dood van Lazarus en weende om Jeruzalem, om zijn pijn niet in stilte te verbergen,’ aldus het commentaar van Hieronymus. ‘A good man, in such a bad world as this is, cannot but be a man of sorrows,’ luidt het commentaar van Matthew Henry. Onze Heer Jezus rijdt een stad en een tempel binnen, waarvan Hij kort daarvoor de ondergang heeft voorzegd (Marc. 13,1).

De ramp is onafwendbaar. ‘Ik volhard in mijn besluit, Ik kom er niet op terug’ (Jer. 4,28). Waren er in Sodom geen tien rechtvaardigen te vinden, in heel Jeruzalem is er niet één (Jer. 5,1vv.). Decennia van hebzucht en uitbuiting wreken zich in Jeremia’s dagen. En volgens midrasj Numeri Rabba is de reden waarom uitgerekend deze generatie getroffen werd door de ramp: geilheid, overspel (9.7; vgl. Jer. 5,8). Ze zullen er zelf wel andere woorden voor gebruikt hebben.

Apocalyptisch

Jeremia’s woorden doen denken aan het boek Openbaring. Denk aan het herhaalde ‘ik zag’ van Jeremia (4,23-26). Ook in Openbaring is iemand aan het woord die telkens ziet. Een andere parallel is de lichtloze hemel (4,23; vgl. Op. 6,12). De wereld wordt ‘ontschapen’ en keert terug naar het tohoe wabohoe van Genesis 1 (Jer. 4,23). Bergen beven, mensen raken massaal in paniek, steden worden verwoest: dat alles heeft zijn parallellen in Openbaring, evenals de stad die als een hoer wordt voorgesteld (Jer. 14,30; Op. 17).Ook de lijdensgeschiedenis van Jezus is apocalyptisch van aard. De apocalyptische rede van Jezus gaat niet voor niets direct aan de intocht vooraf. Hij voorzegt de ondergang van stad en tempel. De verwoesting is inderdaad gekomen in het jaar 70.

Op een meer wezenlijke manier is de dood van Christus de ondergang van de tempel en het begin van het wereldeinde. De hemel wordt verduisterd (Marc. 15,33). Het voorhangsel scheurt (15,38). Het einde van de oude wereld voltrekt zich in de dood van Christus. Jeremia maakte de val van Jeruzalem mee. Jezus doorleeft in zijn eigen lichaam de val van de tempel; zijn lichaam ís de tempel (Joh. 2,21).

Op deze Palmzondag vieren we de komst van de Redder die de ten dode opgeschreven stad inrijdt. Hij komt niet om haar op te kalefateren. Hij komt om de ondergang te doorstaan en daarin een uitweg te banen. Het is ongemakkelijk, maar het Nieuwe Testament schildert het zinken van deze wereld af als onafwendbaar. Heil is een kwestie van gered worden uit deze ondergaande wereld, door de eenwording met Christus in zijn dood (Rom. 6,5). ‘De wereld gaat voorbij, maar wie de wil van God doet, blijft tot in eeuwigheid’ (1 Joh. 2,17).

Gelovigen worden ‘getrokken uit deze tegenwoordige boze wereld’ (Gal. 1,4 – SV). Als we ons nu niet bekeren, worden we straks ‘samen met de wereld veroordeeld’ (1 Kor. 11,32). ‘Dan worden ze plotseling getroffen door de ondergang, zoals een zwangere vrouw door barensweeën. Vluchten is dan onmogelijk’ (1 Tess. 5,3; vgl. Jer. 4,31). De ondergang van deze wereld is niet minder onafwendbaar dan de ondergang van Jeruzalem in Jeremia’s tijd.

Liefdevolle oproep

Dit klinkt allemaal erg streng en weinig solidair. Dat wij ontsnappen aan de ondergang en de wereld naar de verdoemenis laten gaan, kan toch de bedoeling niet zijn van Degene die ‘deze wereld zo liefgehad heeft’ (Joh. 3,16)? Inderdaad niet. We zijn deze wereld een liefdevolle, hartstochtelijke oproep schuldig. Jeremia roept steeds op tot ommekeer. ‘Kom terug, afvallige kinderen!’ (Jer. 3,22). ‘Keer dan terug naar Mij’ (4,1). ‘Jeruzalem, zuiver je hart van het kwaad, dan alleen word je gered’ (4,14). Jeremia kondigt niet alleen de onafwendbare ramp aan, maar wijst ook voortdurend op de mogelijkheid om die schipbreuk te overleven.

Het is de vraag of wij als westerse christenheid zo liefdevol zijn onze tijdgenoten deze mogelijkheid voor te houden door een leven dat getuigt. Deze gek geworden wereld van hebzucht, haast, onechtheid, verslaving, onrecht en ontrouw gaat onherroepelijk ten onder. God komt oordelen. Ga over tot dat andere Koninkrijk, laat je dopen. In de eenheid met Jezus Christus veranderen we van kinderen van deze tijd in kinderen van God. Door de net-niet-totale ondergang heen opent zich het eeuwige leven. Hosanna – red ons toch!

Deze exegese is opgesteld door Wouter van Voorst.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken