Merk toch hoe sterk?
De kracht van een christelijke levensstijl in de Vroege Kerk
Het thema van, of liever gezegd de vraag naar een christelijke levensstijl begint in de huidige westerse maatschappij opnieuw een zekere actualiteitswaarde te krijgen. Nu is dat relatief: zolang de kerk er is, en waar er een kerk is, bestaan er ook meer of minder uitgesproken ideeën over hoe men het leven vormgeeft als men bij zo’n kerk hoort of wil horen. Tot voor kort had een term als ‘christelijk gedrag’ ook hier nog een volstrekt vanzelfsprekende inhoud en betekenis. Sommige dingen deed men nu één keer, en andere niet.
Maar als er in deze tijd opnieuw wordt gevraagd naar zin en inhoud van een christelijke levensstijl of christelijke manieren, dan is dat niet meer vanuit een soort zelfbewustzijn of zoeken naar een eigen identiteit. Het is tegenwoordig eerder het gebrek daaraan, en de waarneming dat wat vroeger een vanzelfsprekend christelijk ingekleurd leven heette nu in snel tempo verdampt. Dan komt de vraag op: moeten we misschien opnieuw naar een dergelijke levensstijl op zoek, naar regels, gewoonten, gedrag, herkenbare uiterlijkheden?
Die vraag wordt niet (of in ieder geval niet alleen) ingegeven door nostalgie of verdriet om de teloorgang van een cultureel fenomeen, maar veeleer door zorg om de toekomst van de kerk, die tegenwoordig weer missionair mag heten. Men zoekt daarbij inspiratie in verschillende bronnen. Eén van de bronnen die in dat kader regelmatig worden genoemd, is het leven van de Vroege Kerk, de christelijke gemeenschap of gemeenschappen in de tijd van het Romeinse Rijk.
De redenering is dan ongeveer als volgt. De kerk was toen ook, wat zij nu weer is of dreigt te worden: een minderheid in een wereldomvattende, dominante cultuur. Niet voor niets noemde men het Rijk en de gebieden die daar direct aan grensden de oikoumenê of ‘bewoonde wereld’.[1] Verder ging het blikveld niet en kon het ook niet gaan. Nu is dat uiteraard veranderd, en verwonderen we ons er soms over dat we leven met het idee dat de hele wereld om de hoek ligt: één global village. In beide gevallen hebben mensen het gevoel, dat hun leefwereld niet in de eerste plaats wordt gevormd door een geografische of biologische eenheid, maar veeleer door een complete wereld, waartoe men in principe vrije toegang heeft. In een dergelijke oikoumenê is de kerk als minderheid tot bloei gekomen – nu wij weer in zo’n oikoumenê leven als minderheid ligt die bloei misschien opnieuw binnen handbereik als wij het nu op dezelfde manier aanpakken als zij toen, zo is dan ongeveer de gedachte. De eerste christenen krijgen dan de functie van voorbeeld.[2] In dit artikel wil ik proberen na te gaan, wat de kerk in de huidige westerse context aan dat voorbeeld zou kunnen hebben, toegespitst op de vraag naar een christelijke levensstijl.
Gouden eeuw of doemscenario?
Alvorens echter de vroegchristelijke levensstijl nader onder de loep te nemen, is het goed zich rekenschap te geven van de vraag hoe men precies naar de Vroege Kerk in het Romeinse Rijk kijkt. Dit namelijk op nogal wat verschillende manieren, onder andere omdat er niet één, maar zoals boven aangeduid, twee overeenkomsten in het spel zijn: die van de kerk als minderheid toen en nu, en die van de maatschappelijke bedding toen en nu.[3] Het blijkt uit te maken op welke van de twee overeenkomsten men wil focussen, en hoe.
Een bekende voorstelling is die van de christelijke tijd in het Romeinse Rijk voor Constantijn als een soort gouden eeuw (in de mythische zin) van de kerk. In de eerste eeuwen had de kerk nog haar originele puurheid en evangelische opdracht behouden, maar toen zij één keer was gevallen voor de verleiding zich te verbinden met het staatsgezag na de bekering van Constantijn, ging er een wezenskenmerk van de kerk – voorgoed? – verloren. Dit is in bijvoorbeeld indrukwekkend onder woorden gebracht door Gerrit Jan Heering met zijn De zondeval van het christendom.[4] Heering spitst de oorspronkelijke staat en de latere zonde van de kerk toe op de verhouding tot het oorlogsbedrijf, en in het verlengde daarvan op die tegenover de staat in het algemeen. Voor Constantijns bekering heeft de kerk deze verhouding steeds zuiver weten te houden, dat wil zeggen: iedere deelname aan het oorlogsbedrijf afgekeurd. Na diens bekering heeft de kerk dit punt losgelaten, en volgens Heering is daarmee een onmisbaar element van haar identiteit prijsgegeven. Hij pleit er dan ook voor, dat kerken in het algemeen en christenen persoonlijk zich uitdrukkelijk van alle soorten van deelname aan oorlog distantiëren.[5]
Heerings boek sloeg in als een bom, en heeft nog lang nagewerkt. Hier moeten echter twee dingen worden onderscheiden. Ten eerste heeft door Heerings studie de idee dat pacifisme bijna één van de nota ecclesiae zou zijn, sterk wortel geschoten, niet alleen in maar in heel WestEuropa. Uiteraard hebben de verschrikking van de Tweede (en Eerste) Wereldoorlog daar ook toe bijgedragen, maar weinigen hebben er zo vroeg en zo duidelijk op gewezen, dat er ook van de kerk een diepe verandering wordt gevraagd als men dit inderdaad ‘nooit meer’ wil. Hij daarin als een voorloper van Marquardt worden beschouwd.
In de tweede plaats heeft hij de idee sterk bevorderd, dat het christendom vóór Constantijn op één of andere manier zuiverder en echter is dan in de tijd daarna. Vóór de val heerste er een meer paradijselijke toestand, of mythische gouden eeuw, na de val vond een sterke degeneratie plaats, maar bestond en bestaat nog steeds ook de mogelijkheid weer in meer of mindere mate naar die gouden eeuw terug te keren. Het moment van de val wordt dan meestal gelijkgesteld met de bekering van Constantijn, of diens verklaring van het christendom als ‘geoorloofde godsdienst’ (religio licita) in 313, of zelfs de verheffing van het christendom tot officiële staatsgodsdienst door Theodosius in 380. Ook deze gedachte, die overigens oudere en bredere wortels heeft dan Heering, men in vele varianten tegenkomen, waarbij het ‘ene nodige’ niet per se met het pacifisme hoeft te worden geïdentificeerd.[6]
Niet iedereen echter ziet de overeenkomsten tussen de Vroege Kerk en de kerk in de huidige westerse samenleving in een dergelijk licht. De Amsterdamse oud-historicus Fik Meijer heeft in verschillende boeken aandacht gevraagd voor de gelijkenissen tussen de antieke wereld en de onze, zonder de plaats van de kerk in die antieke wereld te idealiseren. Hij schetst de wereld van de Oudheid als één samenhangende beschaving die voor de bewoners samenviel met de bewoonde wereld voorzover die bekend en te kennen was (zoals tegenwoordig de global village), die gedragen werd door één samenhangend militair-economisch systeem, waarin de inwoners zich in principe (mits rijk genoeg) door het hele rijk konden bewegen, waarin integratie en en immigratie nijpende problemen waren.[7]
Deze overeenkomsten kunnen zelfs worden aangescherpt en aangevuld. Zo bestond in het Romeinse Rijk ook een gevoel van het verdwijnen van afstanden. Dit werd niet alleen veroorzaakt door het eerste geplande wegennet van Europa en een uniforme bouwstijl en wijze van besturen, maar ook door het functioneren van slechts twee bestuurstalen, waarvan iedere burger in principe altijd wel één redelijk tot goed beheerste. Hierdoor konden mensen zich niet alleen snel en efficiënt verplaatsen en was er een wijdvertakte handel mogelijk, een ramp die een deel van het Rijk trof had ook gevolgen voor de rest van het gebied.
Ook economisch zijn de overeenkomsten niet over het hoofd te zien. In het Romeinse Rijk was het leven in principe goed, voor een kleine minderheid zeer goed, en in ieder geval stukken beter dan daarbuiten. De rekening voor deze welvaart werd echter grotendeels in de gebieden buiten het Rijk betaald: de binnenlanden van Afrika, Perzië, en de woeste gebieden van Germanië. Slaven, luxe-artikelen zoals huiden van oerossen en wol van schapen die tegen een buitje kunnen, en goedkope arbeidskrachten maakten het mogelijk dat men binnen het hele Romeinse Rijk niet alleen eten had, maar ook schoon drinkwater voor iedereen, inclusief de bevolking van – toen al – miljoenensteden, uitheemse kruiden, voorstellingen met wilde dieren zoals beren en olifanten, vrijgestelden voor het onderwijs, ambtenaren, bestuurders en een geavanceerd leger. Vóór het Romeinse Rijk was dat er allemaal niet, omdat ieder genoeg te doen had om elke dag brood op de plank te krijgen voor zichzelf en het eigen gezin.[8] Na het Romeinse Rijk keerde die toestand in het grootste deel van Europa terug.
Dit bleef in de rest van de wereld niet onopgemerkt, en de gevolgen lieten zich raden: men wilde dat ook. Het Romeinse Rijk had dan ook een kolossaal immigratieprobleem, en langs de hele grens waren er bijna continu oorlogen. Daarbij ging het de Romeinse machthebbers er niet om gebied te veroveren of te verdedigen, maar te zorgen dat de stammen aan de overkant van de grens daar bleven zitten. Dat heeft men een poosje volgehouden, maar toen er ergens in Centraal-Azië een ramp gebeurde waardoor er een stroom van vluchtelingen op gang kwam, ontstond er een tsunami-effect aan de grenzen van het Romeinse Rijk. Horden Vandalen, Gothen, Alemannen en Sueven overspoelden het Rijk. Uiteindelijk lukte het de centrale regering de toestand te stabiliseren, door de immigranten het recht te geven volgens hun eigen wetten te leven en hun eigen leger te organiseren. Daar stond dan de plicht tegenover belasting te betalen en deel te nemen aan de verdediging van de grenzen, onder het motto ‘We kunnen u niet meer eruit krijgen, maar trekt u dan wel de deur goed achter u dicht.’ De parallellen met deze tijd behoeven geen nader betoog.[9]
Omdat dit gigantische geheel feitelijk onbestuurbaar was, trok de overheid zich dan ook zo veel mogelijk terug. Het Romeinse Rijk was ontstaan uit een kleine, maar goed functionerende democratie. Het Romeinse volk deelde een aantal duidelijke normen en waarden en leefden daarnaar. In principe waren alle burgers bekend en ook geregistreerd. Toen het Rijk uitdijde over bijna heel Europa veranderde dat. De samenleving werd anoniem, het bestuur ongrijpbaar en niet te beïnvloeden, en de garanties verdwenen. De bevolking voelde zich onveilig en overgeleverd. De overheid garandeerde alleen een minimale voedselvoorziening en gratis vermaak: brood en spelen. Voor de rest was er nauwelijks greep op de maatschappij als zodanig, en op bestuurlijk niveau kwamen fusies en splitsingen geregeld voor, zonder dat ze duidelijke verbeteringen brachten.[10]
In deze maatschappij leidde de kerk een bestaan als minderheid. Zijn er, afgezien van dit getalsmatige aspect, nog andere overeenkomsten aan te wijzen tussen de antieke tijd en de onze? Meijers weergave is hier vrij oppervlakkigen komt soms zelfs anachronistisch over: volgens hem konden de christenen eerst praktisch ongestoord hun eigen godsdienst uitoefenen, en ontstond er een probleem waar het geloof niet op berekend was, toen de overheid in tijden van crisis expliciete loyaliteit vroeg in de vorm van offers aan de genius van de keizer.[11] De meeste andere auteurs zijn het er wel over eens, dat er vanaf het begin een onoplosbare tegenstelling bestond tussen het christendom en het Romeinse Rijk, omdat de samenleving er in principe vanuit ging, dat iedereen de goden van het Rijk eer moest bewijzen – los van iemans persoonlijke overtuiging. Onttrok een deel van de bevolking zich aan deze cultische verplichting, dan voelde men het gevaar dat de beschermgoden van het Rijk (of die nu gepersonifieerd waren als de Zonnegod, Jupiter of de genius van de keizer of zelfs de keizer in eigen persoon) het Rijk in de steek zouden laten, met alle rampzalige gevolgen van dien.[12] Een dergelijke cultische verplichting is in onze streken en tijden uiteraard onbekend. Wel men zich afvragen, of het moderne principe van een publiek domein, waar principieel geen ruimte is voor religie, niet een eendere functie begint te krijgen. Zoals al meer dan eens is opgemerkt, verliest de oude liberale idee van een neutrale overheid snel terrein aan die van een areligieuze, maar bepaald niet neutrale overheid.[13] Religie, in welke vorm dan ook, wordt steeds meer als een exclusieve privézaak gezien, waarmee men de medeburger niet meer mee lastig mag vallen, omdat men anders – en dit is het belangrijkste punt van vergelijking – de grondvesten van de samenleving c.q. de staat zou ondermijnen.
Gezien langs deze lijnen lijkt de tijd van de Vroege Kerk eerder op een doemscenario dan op een gouden eeuw: zowel voor onze westerse cultuur als voor de christelijke gemeenschappen binnen die cultuur zouden dan wel eens weinig benijdenswaardige tijden kunnen aanbreken. Dat wil zeggen: gesteld dat de geschetste overeenkomsten enige voorspellende waarde hebben.
Groei door levensstijl?
Dat de kerk tijdens de eerste eeuwen van haar bestaan een minderheid vormde binnen het Romeinse Rijk is een al eerder in dit artikel aangewezen open deur. De cruciale vraag is nu: in hoeverre de groei van deze minderheid worden toegeschreven aan de levensstijl van haar leden?
Het is nog niet zo gemakkelijk hierover iets met enige zekerheid te zeggen. Christelijke schrijvers hebben zelf, in retroperspectief, de groei van de kerk vaak als niet meer dan logisch gepresenteerd, omdat zij immers draagster en hoedster was van het ware geloof; tegenstanders verklaren de groei uit verdwazing bij de bevolking en kwade bedoelingen bij de christelijke leiders. Toch keert in alle beschrijvingen en verklaringen op enig punt altijd ook het argument van de levensstijl op, niet alleen bij voor- maar ook bij tegenstanders. Het vermoeden dat hier een kern van waarheid in zit, wordt versterkt als men beseft dat tegen het eind van de eerste eeuw, dus rond het jaar 100, de christenen weliswaar nog steeds een kleine minderheid vormden, maar dat hun aanwezigheid in praktisch het hele Rijk niet alleen aanwijsbaar is voor latere historici, maar ook werd opgemerkt door tijdgenoten. Vanaf de tweede eeuw hoeft men niet meer uit te leggen wat men met het woord christianus bedoelt (iets wat Tacitus in de eerste nog wel moest doen). Met andere woorden: christenen hadden op één of andere manier een naam en een gezicht gekregen. Ze waren op één of andere manier herkenbaar. Dit nauwelijks in hun leer of filosofie zijn geweest, die juist in die eerste eeuwen nog sterk kon verschillen tussen de ene groepering en de andere.[14] Als christenen dan toch als zodanig werden herkend, moet dat bijna wel aan hun manier van leven zijn geweest. Er wordt dan ook wel gesteld, dat de eerste generaties christenen, bij alle verschil van leer en godsdienstige voorstellingen, één karakteristieke levensstijl gemeenschappelijk moeten hebben gehad.[15]
Wat de christenen dan werkelijk onderscheidde van hun tijdgenoten ligt voornamelijk op twee vlakken: hun absolute en exclusieve vertrouwen op God, de Vader van Jezus Christus, en hun principiële toewijding aan de naaste, binnen èn buiten de eigen gemeenschap. Het ene betekende op één of andere manier een zichtbare breuk met het verleden en de omgeving, een bekering met blijvende consequenties. Het andere introduceerde in het antieke waardenstelsel voor het eerst het begrip van de deemoed: het belangrijker achten van de ander dan van zichzelf.[16]
In de praktijk zal zich dit hebben vertaald in een patroon van dingen die men als christen niet (meer) deed, en van dingen die men juist wel begon te doen. Wat de bronnen hierover zeggen is echter meestal erg algemeen, en gaat weinig verder dan de raadgevingen zoals we ze in het Nieuwe Testament tegenkomen (bijv. 1 Kor. 10: 24 sqq. en 1 Tim. 3: 8 sqq.). Toch keren enkele constanten wel telkens terug. Zo was het voor een christen uitgesloten deel te nemen aan plechtigheden in het kader van de godsdiensten die men had afgezworen. Idealiter betekende dit, dat men ook geen offervlees meer at, niet werkte in de industrie die rituele voorwerpen vervaardigde, niet kon deelnemen aan toneel of onderwijs (dat immers geheel en al gestoeld was op teksten waarin de mythische Griekse goden de hoofdrol speelden) en ook niet kon dienen in het leger, waar het offer aan de genius van de keizer verplicht was. Verder woonde men geen gladiatorenspelen bij en ging niet naar de badhuizen, vanwege het georganiseerde bloedvergieten bij de eerste en de spontane losbandigheid in de tweede.[17] Men hield zich dus in principe van een groot deel van het publieke leven afzijdig, Echter, van arme christenen die in één van deze sectoren afhankelijk waren, werd niet geëist dat ze hun broodwinning opgaven. Of en hoe men dus in de praktijk een christen aan één van deze negatieve kenmerken kon herkennen, is dus een open vraag.[18]
Iets beter grijpbaar zijn de concrete uitingen van naastenliefde in de Vroege Kerk. Christenen stonden erom bekend, dat zij weduwen en wezen ondersteunden, geen kinderen aborteerden of te vondeling legden, vondelingen opnamen en verzorgden, en gevangenen en slaven zoveel mogelijk ondersteunden. Ook de christelijke ziekenzorg bij epidemieën wordt regelmatig genoemd. Dit was niet alleen opvallend, maar ook wervend: weduwen, kinderen, zieken, slaven en gevangenen wisten, dat zij binnen een christelijke gemeenschap niet alleen voor vol werden aangezien, maar ook actief ondersteund in hun precaire situatie.[19] Dat dit wel degelijk opviel, en ook wervende kracht had, blijkt uit een satirische beschrijving van een zekere Peregrinus, die tijdens zijn carrière als christen (later wordt hij cynicus) tijdelijk in de gevangenis verblijft, en daar zo royaal wordt verzorgd door de leden van de gemeente, dat er van vriend en vijand kritiek op komt: ook toen al konden gevangenissen de naam krijgen een hotel te zijn.[20] Overigens zijn er ook stemmen, die stellen dat al deze uitingen van liefdadigheid ook al door bepaalde stromingen binnen de antieke filosofie werden voorgestaan – maar blijkbaar had nog geen enkele groep zich ook daadwerkelijk aan die idealen verbonden.[21] De aantrekkingskracht van de christelijke gemeenschap werd er natuurlijk alleen maar groter door.
Naast zaken die men naliet en zaken die men deed moet in de derde plaats het martelaarschap worden genoemd: een zaak waartoe men kon worden gedwongen, althans, waartoe men zich kon voelen te worden gedwongen. De afwijkende levensstijl van de christenen, het meest pregnant in hun weigering deel te nemen aan de cultus aan de goden die verantwoordelijk werden geacht voor het welzijn van het Rijk, droeg niet alleen bij tot de groei van de beweging, maar kon ook tot spontaan of georganiseerd geweld. Het meest fascinerende hieraan is nog, dat het voor de slachtoffers in principe doodeenvoudig was aan hun beulen te ontkomen: men hoefde alleen maar te offeren, een briefje te tekenen of ‘normaal te doen’ om het leven weer op de oude voet te kunnen hervatten. Sommigen kozen daar dan ook voor, maar een significant groot aantal ook niet: de martelaren. Hun optreden moet zo verbijsterend zijn geweest, dat dit velen nieuwsgierig maakte en uiteindelijk deed besluiten zich bij deze minderheid te voegen. Tertullianus vond hiervoor de onsterfelijke oneliner: christenbloed is zaad.[22]
Groei door een veranderende religieuze situatie?
In bepaalde dingen afstand nemen van de maatschappij, in andere dingen die maatschappij tot voorbeeld dienen, en in het uiterste geval de confrontatie durven aangaan met de maatschappij: zou dat ook in onze tijd een formule kunnen zijn die de kerk dat nieuwe élan geeft, dat haar weer tot een missionaire gemeenschap maakt? Dat is de vraag. Eén factor die de paradoxale groei van de kerk mogelijk maakte is nog niet genoemd: het feit dat de traditionele godsdiensten op zeker moment voor de inwoners van het Rijk niet meer bevredigde. Immers, had iedereen religieus nog steeds uit de voeten gekund met de Olympiërs, de mysteriegodsdiensten, de grote filosofieën, de huisgoden en de staatscultus, dan was er niemand christen geworden. Juist het feit dat geen van deze godsdiensten er op zeker moment meer in slaagde aan de religieuze behoeften van de mensen te voldoen, maakte het mogelijk dat men zich van zijn traditionele religie losmaakte en bij de christenen voegde, en de ene levensstijl voor de andere inruilde.
Hoewel er andere indelingen mogelijk zijn, men stellen dat de vier belangrijkste functies van godsdienst in het algemeen in het Romeinse Rijk de volgende waren. In de eerste plaats deed men aan godsdienst om een zekere mate van welvaart en succes deelachtig te worden. Dit was met name de functie van de traditionele goden. Ten tweede fungeerden godsdiensten, die in de Oudheid nauwelijks kunnen worden onderscheiden van filosofieën, als kader om mensen te helpen een bepaalde moraal op te bouwen. Ten derde konden godsdiensten de gelegenheid bieden, aan de materiële en concrete wereld van tijd en ruimte te ontsnappen. De (bescheiden) hermetische en pythagoreische tradities, en later de mysteriegodsdiensten, beantwoordden aan deze behoefte. Ten vierde werd godsdienst gezien als een middel om aan de stabiliteit en de instandhouding van de kosmos, of althans de oikoumenê, bij te dragen. Dit aspect was uiteraard prominent in de keizercultus.[23] Hieraan nog een vijfde functie worden toegevoegd: die van het uiting geven aan een bepaalde saamhorigheid of groepsidentiteit zoals die van familie of stad.[24]
Tijdens de opkomst, de groei en de neergang van het Romeinse Rijk is goed te zien, dat bepaalde functies van religie op een gegeven moment niet meer werkten. Met andere woorden: er ontstond een nieuwe religieuze situatie, met nieuwe religieuze vragen. Zo werden de eerste en de vijfde vorm van religiositeit (het verkrijgen van enige welvaart en het behoren tot een bepaalde groep) in de loop van de eerste christelijke eeuwen in het Romeinse Rijk praktisch helemaal teniet gedaan. De staat zorgde namelijk voor een zekere welvaart, maar loste tegelijkertijd alle kleinere verbanden op, en ontnam de burgers de mogelijkheid hun lot, al dan niet met behulp van godsdienst, actief te beïnvloeden. Men voelde zich ontworteld en overgeleverd aan machten die weliswaar zichtbaar waren, maar zich niet lieten beïnvloeden.[25]
De tweede en de derde vorm (het ontwikkelen van een moraal en het ontsnappen aan deze wereld) bleven onverminderd bestaan en werden misschienwel belangrijker: de eigen handelswijze en de eigen spiritualiteit waren gebieden, die men altijd nog wel zelf vorm kon blijven geven.
De vierde vorm ten slotte, de behartiging van de kosmische of in ieder geval wereldwijde orde, werd het belangrijkste toneel van de strijd tussen christendom en staatsgodsdienst. Door het optreden van de martelaren werd duidelijk, dat de claims van de staat in dezen niet gehandhaafd konden blijven, en dat het christelijke discours, dat zich ook voor het behoud van de politieke en bestuurlijke orde pretendeerde in te spannen, aan plausibiliteit won.
Neemt men deze facetten van antieke godsdienstigheid in overweging, dan klopt het inderdaad dat de levensstijl van de Vroege Kerk moet hebben bijgedragen hebben tot haar groei. Immers, op het wegvallen van verbanden en zekerheden bood zij solidariteit en saamhorigheid. Haar moraal had vele parallellen in heidense systemen, maar werd ook in de praktijk beoefend. Dat betekende, dat het christendom door zijn levensstijl reeds drie functies van de antieke godsdienstigheid beter kon vervullen dan de bestaande religies. Op het gebied van een vierde, dat van de zorg voor de maatschappelijke orde, ging de kerk de strijd aan en won deze – alweer door de praktische houding en standvastigheid van de martelaren. Alleen op het terrein van de verlossing van deze wereld viel niet direct een praktisch antwoord te geven. Of Jezus Christus, of , of Mithras, of het grote niets een mens uiteindelijk kon verlossen van de wereld van materie en emoties was ook in de Vroege Kerk een kwestie van geloof. Maar het ene geloof bleek, door zijn daden, wel krachtiger en aantrekkelijker dan het andere. De theorie volgde hier waarschijnlijk de praktijk.
Betekent dit, dat de kerk in onze tijd door een terugkeer naar een expliciet christelijke levensstijl automatisch opnieuw een wervende en missionaire gemeenschap worden? Dat is nog niet gezegd. Naast een duidelijke levensstijl van de christenen zal er ook in de wijdere wereld iets van een godsdienstige crisis moeten zijn om mensen anders te laten kiezen dan ze tot nu toe gedaan hebben. Zolang het in godsdienstige zin bevredigt geen christen te zijn, hoeft de kerk niet op een grote nieuwe toestroom te rekenen.
Maar mochten zich ook in deze of de toekomende tijd gevoelens breed maken van ontworteling en reddeloosheid, of mocht er opnieuw grote vraag komen naar een deugdelijke en werkende moraal, dan het voorbeeld van zorg voor de zwakken en onderlinge solidariteit in de Vroege Kerk zeker inspireren. En mocht de samenleving of de staat opnieuw de strijd willen aangaan en mensen dwingen tot gebleken loyaliteit aan een bepaalde godsdienstige positie uit angst dat anders de maatschappij zou instorten, dan zou het niet slecht zijn als er vanuit de kerk mensen opstonden die zich daar niet toe lieten dwingen en daarbij Gezang praktijk durfden brengen. Maar hoe dan ook: de Vroege Kerk laat zien, dat een christelijke levenswijze vier keer zo sterk werkt als een christelijke leer.