Met reidans en trommelspel
Tragedie en retoriek in Rechters 11
De bijbelse passage over de gelofte van Jefta (Re. 11:29-40) is een meesterwerk van vertelkunst. De gelofte kadert in het bredere levensverhaal van een zekere Jefta, wiens leven geschetst wordt als een en al tragedie. Het begint al bij zijn verwekking buiten het echtelijke bed, bij een vrouw van bedenkelijke zeden.1 Als jongeman wordt hij door zijn halfbroers verjaagd, zodat hij geen erfdeel kan krijgen. Hij vestigt zich weliswaar in een plaats die Tof (Tob = Goed) heet, maar zijn leven staat hiermee in schril contrast. Een zootje ongeregeld sluit zich bij hem aan en samen trekken ze erop uit. Een oorlogssituatie kan zijn situatie kenteren. Noodgedwongen doen de oudsten (zijn halfbroers?) een beroep op hem. Ze zijn bereid zich te verzoenen en stellen hem aan als leider over zijn geboortestreek. Wederzijdse verklaringen met God als getuige moeten de overeenkomst bezegelen. Na enkele verbale schermutselingen met de vijand gaat Jefta de strijd gewapenderhand aan. Met succes, want God levert de vijand aan hem over. De overwinnaar wordt triomfantelijk onthaald. Met deze reidans en trommelspel wordt het speerpunt van Jefta’s tragedie ingeluid. Vlak voor hij de strijd inging, heeft Jefta een gelofte afgelegd over een brandoffer dat hij aan God zal opdragen bij de overwinning. Degene die uittrekt uit zijn huis zou hij offeren. Bij de reidans blijkt het zijn dochter te zijn, die hem tegemoet trekt. Jefta heeft de overwinning en zijn leiderschap behaald, maar de prijs is zwaar: het kost hem zijn dochter.